Zet hem maar op straat. Ik vond de huiskat van de buren onder de sneeuw, maar de eigenaresse weigerde hem te helpen

Gooi hem maar op straat. Vond de kater van de buren onder de sneeuw, maar de eigenaresse wilde hem niet redden

Maaike heeft altijd een beetje afstand gehouden van de kater van de buren. Ze heeft geen hekel aan katten, maar deze grote, brutale gestreepte reus heeft haar ooit echt kwaad gemaakt.

Dit is een verhaal over menselijkheid, ongeacht de omstandigheden.

Afgelopen zomer begon de kat van de overburen, Tijmen, haar moestuin te gebruiken als kattenbak. Maaike betrapte hem meer dan eens in haar kleine tuin: druk scharrelend in de aarde, alsof hij op zoek was naar archeologische schatten. Met een gil probeerde ze hem weg te jagen, maar hij rende onverstoorbaar weg. Het huisje van Maaike is niet groot, wel stevig ze heeft het ooit van haar oma geërfd en het staat prachtig, aan de rand van Amersfoort in een rustig dorpje.

Loop je een stukje verder de straat uit, dan waan je je echt op het platteland. Maar ben je bij de bushalte langs de provinciale weg, dan zit je zo in de stad. Vroeger kwam Maaike er graag samen met haar oma. Ook na haar overlijden kwam ze er vaak in het weekend: samen met vriendinnen stak ze het haardvuur aan, barbecueën, bessen plukken. In het nabije bos kon je in een uurtje zo’n pannetje kastanjechampignons vinden. Rust, frisse lucht en ruimte om op te laden. Haar nichtje Lonneke dochter van haar moeders broer Jan woont in hetzelfde dorp. Al vanaf hun jeugd onafscheidelijk. Met een tuin en een beekje verveelden ze zich nooit.

Ieder jaar zaait Maaike haar eigen radijsjes, sla, en op een ander stukje groeit lente-ui. Klein, maar haar eigen moestuin. En juist daar was het dat Tijmen genadeloos huishield. Uiteindelijk klaagde Maaike bij mevrouw van Dijk, de eigenaresse van Tijmen. Die rolde enkel met haar ogen en zei: ‘Ja, wat kan ik eraan doen? Moet ik achter zo’n beest aan gaan rennen soms? Gooi maar een steen, als je hem niet te pakken krijgt!’

Deze harde houding lag voor de hand; Tijmen was de kat van haar vorig jaar overleden man, Kees van Dijk. Zelf vond mevrouw van Dijk katten maar niks haar hart lag bij honden. Ze zei altijd: ‘Voor mij geen katten, hoor!’ Maar na het overlijden van haar man bleef Tijmen bij haar hangen.

Tijmen wist zich uitstekend te redden. Muizen vangen kon hij als de beste, en naar het schijnt haalde hij ook vissen uit de sloot. Vroeger vergezelde hij zijn baas steevast bij het vissen. Hij wilde enkel een dak boven het hoofd en een warme plek voor de gure dagen.

Het leidde tot een ware strijd tussen Maaike en Tijmen. Ze sprak hem streng toe, probeerde hem om te kopen met stadse lekkernijen, maar Tijmen trok zich er niets van aan. Afschuwend van haar stem en met een achterdochtige blik hield hij haar op afstand.

Op een dag gooide Maaike een emmer koud water over hem heen. Een andere keer liep ze tussen de rijen met een fluitje, en zodra Tijmen opdook, begon ze te fluiten als een echte scheidsrechter. Als ze er nu aan terugdenkt, schiet ze in de lach: hoe hij schielijk over het hekje sprong, haar nog even met een beledigde blik aankeek ‘Dit is niet eerlijk, zo hadden we niet afgesproken!’ en met zijn staart recht omhoog tussen de bosjes verdween.

Mevrouw van Dijk stond toekijkend achter haar hek en moest lachen om die gekke strijd. Haar eigen lang gekoesterde droom was eindelijk in vervulling gegaan: haar dochter had haar hondje Milou, een kleine dwergteckel, meegebracht om te logeren. Zo had ze nu zelf genoeg om handen. Maaike loste haar kattenprobleem ten slotte vindingrijk op: ze kocht drie zakken houtvezel en stortte die in een uithoek van de tuin, onder brandnetels.

Tijmen vond het prima en gebruikte vanaf toen die plek als zijn eigen privékattentoilet. Maaike was opgelucht. Maar algauw merkte ze dat Tijmen haar bleef volgen: vanuit de bosjes, vanaf het dak, zelfs door de gaten in het schutting. Op een avond, toen ze laat in het donker de tuin in liep, schrok ze zich rot toen ze opeens twee lichtgevende ogen zag glinsteren. Haar gil ging waarschijnlijk door het halve dorp. Tegen Tijmen hield ze altijd gepaste afstand, je wist immers nooit waar hij vandaan zou opduiken.

Zolang de zomer duurde, verbleef Maaike in het huisje van haar oma. Daarbij ging ze zelden buiten de weekenden terug, met de start van haar studie aan de universiteit in Utrecht.

Op een van die weekendbezoeken ziet ze op een koude ochtend iets op het achterstoepje onder een laag sneeuw. Het is Tijmen, helemaal bedekt met een dikke witte laag, ijskristallen aan zijn snorharen. Hij reageert niet, staart terneergeslagen voor zich uit, zonder die trotse blik en rechte staart van normaal. Wanneer Maaike de sneeuw van hem af klopt, lijkt hij te willen mauwen, maar er komt niet eens een zuchtje uit.

Ze pakt hem op, neemt hem mee naar binnen, wikkelt hem in een wollen deken en laat de snorharen langzaam ontdooien met een warm handdoekje. Tijmen verroert zich niet alle kracht lijkt verdwenen. Ze warmt hem op met kruiken en haast zich dan naar mevrouw van Dijk.

Die blijft echter stug: Hij hoort in de schuur. Hij heeft het huis ondergeplast, die smeerlap. Hij komt mijn drempel niet over, hoor! Na het logeren van Milou had Tijmen de hond meerdere keren aangevallen en de boel gemarkeerd alsof het zijn terrein was. Voortaan moest hij buiten leven.

De zomer overleefde hij nog wel, maar de winter in de tochtige, onverwarmde schuur was een heel ander verhaal. Maaike probeert haar buurvrouw tot rede te brengen: voorheen ving de kat muizen, nu kwam hij nauwelijks de sneeuw door. Ze krijgt als antwoord: ‘Ik schud wel brokjes in een pannetje, dan kan hij dat eten, sneeuw genoeg erbij! Hongerlijden zal hij niet! Gooi de kat maar buiten!’

Thuis beseft Maaike ineens: zocht Tijmen haar op omdat hij wist dat dit zijn laatste kans was? Misschien zocht hij hulp bij de persoon met wie hij deze zomer zon keiharde strijd had geleverd.

Ze belt bekenden rond, maar niemand wil een oudere kater adopteren. Haar nichtje stelt voor om Tijmen bij hun koe en varkens in de schuur te zetten warmer dan buiten, maar echt in huis kan niet vanwege hun katten.

Ondertussen klautert de opgewarmde Tijmen uit zijn deken, loopt stilletjes door de kamer, raakt haar even met zijn kop en gaat dan tegenover haar zitten zijn ogen zoekend, alsof hij voelt dat alles van dit moment afhangt. Maaike zucht en belt haar moeder. Die hield nooit van dieren in huis, maar nu denkt ze terug aan Kees van Dijk, die altijd voor iedereen klaarstond en zelfs Maaikes oma vaak hielp. Ze raakt ontroerd, denkend aan de oude kater die vroeger aan zijn zijde liep, als een trouwe hond haar ogen worden vochtig, niemand lijkt zich nog om Tijmen te bekommeren.

Het besluit is snel gemaakt.

Maaike koopt bij de plaatselijke supermarkt een plastic transportbox, legt er een zachte doek in, en zet Tijmen voorzichtig erin. Dan neemt ze de trein naar Amersfoort. Een nieuw hoofdstuk begint voor Tijmen een warm thuis in de stad, waar Maaike hem niet in de kou laat staan.

Please rate
Bagattia News
Zet hem maar op straat. Ik vond de huiskat van de buren onder de sneeuw, maar de eigenaresse weigerde hem te helpen