Lang geleden, toen ik net had besloten een nieuwe start te maken, kreeg ik een onverwacht telefoontje.
Anneke, we komen binnenkort bij jou logeren! We hebben de treinkaartjes al! zo vrolijk begon een verre, heel verre verwant het gesprek. Ik moest zelfs even nadenken wie ze ook weer was Mijn naam kende ze, maar ik kon haar met de beste wil van de wereld niet herinneren.
Verbaasd staarde ik naar de hoorn. Wie was dit toch? Welke gasten hadden zich ineens aangekondigd?
Wie is daar? Welke gasten?
Anneke, ach kom nou, hoorde ik een giechelende vrouw het is je tante Wilhelmina!
Hoe ik het ook probeerde, deze tante schoot mij niet te binnen. Toch vroeg ik beleefd:
En wat is het plan?
We komen gewoon gezellig logeren! Jij woont toch aan zee? We blijven maar een paar dagen. Het is voor mijn zoon Bram, hij heeft de frisse zeelucht nodig…
Na een kort gesprek begreep ik dat Bram zogenaamd een jong zoontje frisse lucht bij de zee moest halen, op doktersadvies, aldus tante Wilhelmina. Ze beloofde niet tot last te zijn, op te ruimen en overal bij te helpen. Met tegenzin stemde ik toe; ik had het gevoel dat ik daar nog spijt van zou krijgen.
Dankjewel, Anneke! kwetterde ze. We komen vrijdag.
Ze hing snel op. Ik keek naar mijn twaalfjarige zoon, Pieter.
Wat is er, mam? Krijgen we weer visite?
Ja, een of andere tante Wilhelmina of zo.
Bel oma eens, misschien weet zij wie het is! Pieter hield niet van dit soort onverwachte gasten, vooral omdat ze meestal niet deden wat ze beloofden.
De laatste tijd had ik logees vrijwel altijd geweigerd, maar voor een kind in nood wilde ik een uitzondering maken. Bovendien zouden ze maar een dag of twee blijven.
Mijn huisje aan het strand in Zandvoort had ik drie jaar terug gekocht, na mijn scheiding. Samen met Pieter verhuisde ik naar de kust. Ineens doken allerlei familieleden op, mensen waarvan ik niet wist dat ze bestonden.
Aanvankelijk vond ik dat gezellig. Maar al gauw bleek dat de meeste familieleden kwamen voor de gratis vakantie: ontbijten bij mij, hun troep achterlaten, mij laten schoonmaken en boodschappen doen.
Ik was er snel klaar mee en maakte iedereen duidelijk dat mijn huis geen hotel was. Sommigen bleven toch aandringen, maar daar zette ik de deur niet voor open. Slechts een enkeling kon ik waarderen; de mensen die zelf ook de handen uit de mouwen staken.
Ik volgde Pieters advies en belde mijn moeder, die tegenwoordig in Utrecht woonde.
Hoi, Anneke, nam ze op.
Mam, alles goed?
We praatten wat bij over het gewone leven. Daarna vroeg ik naar tante Wilhelmina en haar zoon Bram.
Die ken ik geloof ik helemaal niet, zei mam verbaasd. Vast een heel verre tak. Misschien via je vader? Ik vraag het hem nog wel, maar ik denk niet dat hij haar kent.
Daarmee was ik niets wijzer geworden, dus het wachten was op de familie.
Precies twee dagen later kwamen ze aan. Tante Wilhelmina een stevige vrouw met alerte ogen en Bram, die geen klein jongetje bleek maar een reusachtige puber van vijftien. Later hoorde ik dat er van doktersadvies geen sprake was; Wilhelmina wilde gewoon goedkoop aan zee zijn.
Waarom hebben jullie ons niet opgehaald van het station? was haar eerste zin. Mijn vader wist trouwens óók niet wie ze was.
Mama hoeft dat niet te doen, mompelde Pieter.
Wilhelmina deed alsof ze mijn zoon niet hoorde en keek hem vermanend aan.
Anneke, waar kan ik onze spullen neerzetten? Waar slapen wij?
Jullie hebben één kamer, zei ik streng. Ik heb geen ruimte voor iedereen een eigen kamer.
Oh? Ons was verteld dat je een prachtig, ruim huis hebt! Zo dicht bij het strand!
Geen idee wie dat verzonnen heeft. Als dit zo doorgaat kunnen jullie beter een hotel pakken, zei ik direct. Willen we het gezellig houden?
Wilhelmina kreeg een poeslieve glimlach.
Ach Anneke, niet boos worden! De reis was zwaar, ik ben moe. Kom, laten we naar binnen gaan, lieve nichtje!
Ze stapte als eerste naar binnen, Bram sleepte de koffers achterna. Pieter keek me aan:
Mam, je had beter nee kunnen zeggen. Wacht maar af
Maar twee dagen, suste ik mezelf en hem.
Gelukkig verliep de eerste avond rustig. Wilhelmina en Bram gingen vroeg slapen, al klaagden ze nog wat over het gedeelde slapen. Er waren twee verblijfsruimtes in het huis, maar die werden verbouwd. Ze konden ook in de woonkamer slapen, maar dat weigerden ze. Dan moesten ze het zelf maar weten.
De nacht was amper om of ik werd gewekt door kabaal. Met moeite keek ik op de wekker: zes uur s ochtends! Als avondmens haatte ik het om vroeg gewekt te worden. Pieter wist dat, en sloop altijd stilletjes het huis uit naar zijn vrienden uit de buurt.
Wat is dit voor herrie? geeuwde ik terwijl ik de woonkamer inliep.
Niets bijzonder, Anneke, tante Wilhelmina stond midden in de kamer en gooide kleding uit haar weekendtas. Mijn badpak kwijt… Was ik vergeten…
Kon je dit niet rustiger doen, in jullie kamer?
Nee, te krap daar! Maar ik doe het zachtjes, hoor.
Het lawaai kwam van buiten: Bram stond met een stok op een metalen emmer te slaan. Wachtend op mama.
Kun je hem vragen daarmee op te houden? De buren vermoorden me nog. zei ik tegen Wilhelmina.
Met tegenzin riep ze hem tot de orde en Bram ging op de bank in de schaduw zitten.
Slapen lukte niet meer, dus liep ik naar de keuken.
Waar ga je heen?
Koffie zetten, bromde ik.
Lekkere koffie! Voor mij graag een grote mok met melk, drie suiker.
Verbluft keek ik haar aan.
Wilhelmina, u logeert hier. U wekte mij vroeg, deed alsof het hotel is, en nu commandeert u koffie?
Het is toch niet meer vroeg? zei ze koeltjes. Overigens is het Wilhelmina Cornelissen. Dus mijn koffie?
Hier geldt zelfbediening!
Chagrijnig zat ik aan mijn koffie. Pieter kwam de keuken binnen en gaf me een bemoedigend klopje.
Ik zei het toch mama, ze zijn brutaal. Zet ze eruit, kan nog!
Nog anderhalve dag volhouden
De dag is pas net begonnen! En ik was óók gewekt.
Toen kwam tante Wilhelmina de keuken in.
Nog geen koffie?
Mijn moeder hoeft hem niet voor je te maken! verdedigde Pieter me.
Anneke, heb jij je zoon niet geleerd dat hij moet zwijgen als volwassenen praten?
U blijft van mijn zoon af, zei ik, hoewel ik normaal vrij rustig ben.
Ik bén geen kind meer siste Pieter.
Wilhelmina mompelde iets, maakte chagrijnig haar eigen koffie en draaide zich ineens weer vrolijk naar mij.
Anneke, wijs je ons de weg naar het strand?
Gewoon het paadje aflopen, dan zie je vanzelf de zee.
Ze sprak me ineens met “je” aan, dus ik liet de beleefdheid ook varen.
Ga jij niet mee?
Pieter keek me smekend aan, hij zag het strandtochtje met de logés duidelijk niet zitten.
Wij gaan pas s middags. Ga gerust zelf.
En wat is er voor lunch?
Ik kookte altijd samen met Pieter, of voor redelijke gasten. Ik kon het me niet veroorloven zomaar iedereen te voederen. Dus net als altijd:
Wij eten apart, jullie kunnen naar het eetcafé hier vlakbij.
Kun je niet voor ons koken? Ik houd niet van dat vreemdenvoedsel, vroeg Wilhelmina smekend.
Tegen betaling misschien. Ook bij mij groeit het geld niet op de bomen.
Wilhelmina snoof.
Dan maar café, daar smaakt het vast beter
Pieter vond daar wat van, maar besloot zijn mond te houden.
De dagen gingen voorbij met kleine steekjes en discussies. Maar op de tweede dag bleek dat tante Wilhelmina geen plannen had om te vertrekken. Toen ik ernaar vroeg, zei ze:
Anneke, doe niet zo ongezellig! We hebben de hele week vakantie. Wat maakt het uit als we wat langer blijven? Je merkt ons bijna niet!
Dat had ik al helemaal niet gepland. Al twee dagen was mijn huis op stelten gezet, en nu dit Ze waren niet prettig gezelschap, vooral tante Wilhelmina. Bram was een grote mond, een pestkop die Pieter het leven zuur maakte, rommelde en herrie maakte terwijl hem was gevraagd stil te zijn. Zelfs de buren kwamen al klagen.
Het maakt mij wel uit! Ik heb binnenkort vrienden op bezoek, dus morgen moeten jullie weg. We hadden twee dagen afgesproken, die zijn nu om.
Rustig en beslist sprak ik haar toe. Ze was niet gewend aan tegenspraak en keek ontzet.
Hoe kun je familie nu op straat zetten? Waar moeten we heen? Terug naar het station? Weet je wel wat je ons aandoet?
Bram stond erbij en keek beschaamd naar de grond.
Welke familie? Niemand herkent jullie! Morgenochtend vertrekken jullie. Probeer niks stuk of kwijt te maken, anders schakel ik de politie in.
Met geheven hoofd liep ik weg. En die nacht, heel vroeg, vertrokken ze. Mopperend en klagend, maar ze gingen.
Vanaf dat moment besloot ik: deze soort familie komt er bij mij niet meer in, zelfs niet voor twee dagen.







