We zijn dertig jaar samen geweest. Ik weet hoe hij ademt in zijn slaap en wat zijn favoriete ontbijt is. Toch ruilde hij dat in voor “gevoelens uit zijn studententijd” en koos hij voor een vrouw met perfecte Photoshop-foto’s. Die nacht huilde ik niet — ik vulde de vriezer met ijsblokjes en maakte een lijst. Een lijst hoe ik hem terug zou winnen, zodat hij zelf zou smeken om te blijven. Punt één: kennismaking met zijn nieuwe vlam.

Weet je, dertig jaar geleden, toen we jong waren en samen begonnen in ons huisje in Amersfoort, dacht ik nooit dat het ooit zou breken. Dertig jaar. Ik wist precies hoe Wouter ademhaalde als hij sliep en hoe hij zijn boterhammen s ochtends het liefst belegde, en hij verruilde dat allemaal voor het gevoel van vroeger, voor een vrouw die op internet feilloos met Photoshop overweg kon. Die nacht heb ik niet gehuild. Ik propte vriezer vol met ijsblokjes en ben aan tafel gaan zitten lijstje maken. Alles wat ik moest doen om hem zo ver te krijgen dat hij zou smeken om te blijven. Eerste punt? Zijn nieuwe vlam ontmoeten.

Men zegt wel eens dat eerste liefde als de mazelen is: heb je het op jonge leeftijd gehad, dan heb je de littekens levenslang, maar de ziekte zelf keert niet terug. Onzin dus. Of het was gewoon een andere besmetting.

Mijn verhaal begint op de dag dat mijn zorgvuldig gebouwde leven van dertig jaar begon te scheuren. De scheur liep niet vanaf de fundering, maar vanaf het dak. De antenne ving blijkbaar signalen van elders op.

Mijn zusje en ik groeiden op onder het motto van onze moeder: Het belangrijkste wat je hebt is niet een huis of een auto, het is je naam. En je waardigheid. Moeder was een vrouw van oude stempel, een rots in de branding. Misschien daarom ook trouwde ik met Wouter, zonder ooit een andere man te hebben gekend. Hij was mijn eerste liefde. Mijn enige. Hij daarentegen ik was zeker niet de eerste. Het kon me vroeger niet schelen. Tot die zondag.

Die ochtend lag de sluier van de lente over onze wijk in Amersfoort. Buiten begon de kerspruim weer te bloeien. Wouter dronk munthee en staarde voor zich uit. Toen zette hij zijn kopje neer, kraakte met zijn vingers en zei, als een bijl door de stilte:

Marjet Ik denk dat ik ergens anders ga wonen.

Ik smeerde stug boter op mn brood. De boter brokkelde omdat het koud was.

Voor je werk? vroeg ik, al zag ik aan zn gezicht dat het niet zo was.

Ik heb Saskia weer ontmoet. Weet je nog, van vroeger? Van de universiteit. Eerste liefde. En dat gevoel is nooit echt weggegaan, Marjet. Het lag gewoon te wachten, denk ik. Ik wil eerlijk zijn. Liegen zou laf zijn.

Hij praatte, en ik keek naar het jongetje van de buren die buiten tegen de garage de bal trapte. Tok, tok, tok in het ritme van Wouters stem. De kinderen de deur uit, het huis zo groot, straks kleinkinderen Wouter had het nog over eerlijkheid, over gevoelens die je overvallen. In mijn keel lag het droog, alsof ik een handvol zand had gegeten. Zonder iets te zeggen wees ik naar de karaf op tafel.

Gaat het? hij sprong op, schonk water in. Marjet! Niet schrikken alsjeblieft.

Gaat prima met mij, mijn stem was schor als een kraai. Weet je, geluk komt en gaat, maar vis moet altijd vers schoongemaakt worden.

Het koude water viel in het gat van binnen. Daarna liep ik naar de badkamer. Klik, deur op slot weg van hem, van zijn woorden, van alles. Ik zette de kraan vol open zodat hij mn ademhaling niet zou horen. Maar Wouter hoorde altijd alles.

Marjet! Doe open! Zijn stem sloeg tegen de deur.

Wouter, laat me, ik wil alleen mn gezicht wassen!

Grapje! Kom eruit! riep hij, alsof deze waanzin een slechte mop was.

Ik keek in de spiegel. Tegenover mij keek een vrouw terug, een afgedankte pop, ooit mooi, nu vaal. Doffe haren, wallen, opgezwollen neus. Wat heeft hem zo lang bij mij gehouden? Voor hem was er nu weer liefdesvuur. Een gevoels-spaartje gevonden in zijn binnenzak.

Ik waste mijn gezicht met koud water, kamde mijn haar, trok mijn lippen strak en liep naar buiten als een vorstin die net van de troon was gestoten, maar alsof ze gewoon even een rondje wilde wandelen.

Wouter stond in de gang, witjes, zijn handen trilden. Zielig. Maar zijn zieligheid hielp me niet. Integendeel, het dreef me naar buiten onze flat, waar het nog naar zijn aftershave rook, werd me te benauwd.

Wouter, ik ga even naar het park. Blijf hier.

Marjet, en je hart? Straks krijg je het benauwd.

Ach, mijn hart Ik lachte schamper. Mijn hart staat gewoon op de waakvlam. Blijf waar je bent.

Hij wilde iets zeggen, maar ik trok mijn jas aan en glipte de deur uit.

Het Julianapark baadde in de zon. Jonge moeders reden wandelwagens, een oude man las de krant op een bankje, een dame worstelde met haar teckel. Het leven ging door. Ik nam plaats op een bankje en tuurde naar de vrouwen om me heen. Zat zij ertussen? Die Saskia van hem? De vrouw met de rode baret? Of die met het grijze krulhaar? Waar had hij haar vandaan gehaald een oude studievriendensite? Of bij de slager om de hoek? Het idee dat Wouter haar had gezocht, haar geschreven, afspraken had gemaakt, brandde in me. Ineens móést ik haar zien. Weten wie ze was. Hoe ze eruitzag. Waar ik het verloor.

Na veertig minuten liep ik terug naar huis. Wouter zat nog op dezelfde plek in de keuken, zijn thee koud.

Jij bent er nog?

Waar zou ik anders moeten zijn? Hij keek op. Kunnen we praten?

We hebben al gepraat, ik hing rustig mijn jas op. Je hebt je plannen genoemd, ik heb geluisterd. Geen vragen.

Marjet, doe nou niet zo.

Wie van jullie twee begon eigenlijk? Heb jij haar opgezocht, of zij jou?

Met tegenzin gaf hij toe:

Zij stuurde een bericht, een paar maanden terug. Ze was per ongeluk mijn profiel tegengekomen, zei ze.

Per ongeluk ja. Is dat tegenwoordig mode in Nederland, dat je je schoolliefdes toevallig vindt? Dus toen, koffiegedronken?

Paar keer afgesproken. Gepraat.

Natuurlijk. Over eerste liefdes en over hoe het vroeger was. Wouter, wat ben je toch een jongen soms. Ik kruiste mijn armen. Hoe heet ze eigenlijk? Geef me de waarheid.

Hij keek beschaamd weg.

Wat doet het er toe?

Vertel gewoon. Ik wil weten wie de vrouw is voor wie je na dertig jaar je pantoffels verruilt voor een koffer.

Hij zuchtte.

Saskia van Dijk.

Saskia. Mijn mond glimlachte, maar het kookte vanbinnen. Mooie naam. Populair. Niet zoals Marjet saai, ouderwets, degelijk.

Marjet

Stil. Ik stond op. Fijn voor je, echt. Zoek jouw geluk. En ik het mijne. Misschien dat ik Gert uit mijn middelbare klas eens opbel. Die is net gescheiden, hoorde ik.

Moet dat nou? Jij bent zo niet.

Nee? Ik verdween de slaapkamer in. Geen koffie voor mij. Ik ga liggen, hoofdpijn.

Ik liet mezelf op bed vallen en keek naar het plafond. Geen hoofdpijn. Maar mijn ziel deed zeer, scherp en stekend. Ik luisterde naar zijn voetstappen in de keuken, pakte toen mijn laptop. Social media, daar verstoppen zich alle geheimen.

Ik opende Wouters profiel. Veel vrienden, maar geen Saskia van Dijk. Slimmerik! Gewist? Of nooit toegevoegd? Ik begon systematisch zijn volgers, likes, en reacties onder oude fotos door te spitten. Niets. Leeg.

Toen viel me een vrouw op met als profielfoto het strand op Texel, strohoed, glas wijn. Anna. Woonde nu in Málaga, getrouwd met een buitenlander. Bij Wouters vrienden. Ik scrolde door haar fotos en mijn hart sloeg op tilt. Op een oude foto van de universiteit, een groepje op skis, stond een kringetje om een meisje met vlechten. In het onderschrift: Onze ster, Saskia!

Daar was ze. Ik klikte door, maar haar profiel was gesloten. Toch vond ik via een andere route op LinkedIn een Saskia van Dijk: profielfoto, perfecte make-up, zachtrood haar, ogen als beukennootjes, designbontje om de schouders. Status: Ik leef in het nu. Volgt groepen over psychologie, astrologie en de nieuwste recepten. Laatste bericht: Het lot brengt mensen samen voor een tweede kans. Met een hartje.

De woede stak in me op als een storm. Daar had je haar dus de jageres, netten uitgegooid, en mijn goedaardige Wouter liep zo het net in. “Eerste liefde”, “opnieuw opgebloeid. Lariekoek. Een vrouw, op leeftijd, handig met een filter, trek in avontuur.

Op dat moment zag ik een bekende kop tussen haar vrienden. Een man met zilvergrijs haar, expensive coat, bij een nieuwe Volvo. Even goed kijken Gert Jan! Gert Jan van Rijn, uit mijn schooltijd. Hij droeg altijd mijn boeken naar de bieb en gaf me chocola. Ruim twintig jaar niet gezien. Woonde nu in Utrecht, was aannemer, gescheiden, rijk geworden.

Mijn hart klopte sneller. Dit was het spoor. Als iemand iets wist over Saskia, dan hij. Ze zaten immers in dezelfde klas.

Ik vond hem op Facebook. Ik typte: Hoi Gert Jan, herken je me nog? Het spinnewieltje uit V5B. Mag ik je iets vragen, ben je in de buurt voor een halfuurtje koffie?

Een uur later antwoordde hij: afspraak in ‘t Oude Raadhuis, midden in de stad.

Ik belde op werk af (tandarts, zei ik), trok een marathon van make-up en haalde een donkerblauwe jurk uit de kast die ik ooit gekocht had voor mijn schoonmoeders verjaardag. Ik krulde mijn haar, parfum, hakken en keek in de spiegel. Ik was iemand anders dan de vrouw in de badkamer van die ochtend. Een vrouw klaar voor de strijd.

Twintig minuten te vroeg zat ik aan het raam met een glas wijn, mijn handen trilden. Gert Jan kwam stipt binnen, zelfverzekerd, haren keurig, glimlach als altijd. Hij zag me en zijn ogen begonnen te twinkelen.

Marjet? Hij fluisterde, kuste mijn hand alsof het 1952 was. Wat zie je er geweldig uit.

Ach, doe niet zo gek, voelde me ineens een beetje warm worden vanbinnen.

Voor jou altijd tijd, hij schoof aan, riep een ober. Wijn? Goed idee.

Even later tilden we het glas.

Op de ontmoeting, zei hij.

Ik nam een slok. Rode wijn brandde door mijn keel.

Gert Jan, ik zette mijn glas neer, ik moet gewoon maar met de deur in huis vallen. Wouter, mijn man, wil bij me weg. Voor een oude liefde. Saskia van Dijk. Jij kent haar, zag haar bij jouw vrienden.

Gert Jan trok zijn wenkbrauwen op, leunde achterover.

Van Dijk? Sas, bedoel je? in zijn stem klonk een vleugje spot.

Bij jou heet ze Anna. Wouter noemt haar Saskia. Dubbele agenda misschien?

Hij lachte, haalde zijn schouders op.

Ach Marjet, jouw Wouter als hartenbreker? Dat houd hij niet vol. Hij boog dichterbij, Ik ken die Sas maar vaag. Je ziet haar alleen flaneren in dure jurkjes. Maar samenwonen? Ze is een enorme rommelkont. Kookt niks bijzonders enkel kant-en-klaar. Twee kinderen, beiden wonen ergens anders, want ze schijnt dag in dag uit te mopperen. En ze snurkt als een kettingzaag, Marjet. Een keer sliep ik op een vriendenweekend in dezelfde bungalow: de muren trilden. Jouw Wouter is vast niet zon herrie gewend?

Binnen in mij ontrolde zich een krakende veer. Schadenvreugde? Hoop? Opluchting?

Gert Jan je hebt geen idee. Maar luister, ik

Ik kwam niet verder. Want achter me klonk een stem die mijn bloed deed verkillen.

Kijk eens aan, dáár ben je! Ik bel en bel!

Ik draaide me om. Naast onze tafel stond Wouter, wit als een doek, vuisten gebald. Aan zijn arm een vrouw die ik meteen herkende van haar fotos: Saskia. In het echt minder flatteus stevige kin, te rode lippen, waakzame blik.

Gertjuuuuu, wat leuk! gilde ze, liet Wouter los en vouwde zich om Gert Jan. Eindelijk weer!

Sas, hallo, Gert Jan glimlachte beleefd.

Wouter greep mij vast, trok me woest uit mijn stoel.

Wat doe jij hier? siste hij. Waarom ontmoet je hém? Loop je al lang met hem te sjansen?

Wouter, laat los, zei ik koel. Jij verliet mij vanmorgen. Ik ben vrij. Ik mag doen wat ik wil.

Vrij? zijn blik ging dreigend naar Gert Jan. Dus hij, hij is jouw troost? Dat ging snel!

Dat is mijn zaak, sneed ik hem af.

Saskia bemoeide zich ermee, trok Gert Jans mouw:

Rustig, Wouter. Gertje en ik kennen elkaar al eeuwen! Ze knipoogde. Gert, kom je hier wel vaker? Geef me je nummer, hè.

Gert Jan keek mij even veelbetekenend aan, alsof hij zeggen wou: Zie je nou wel?

Sas, ik was hier bezig, antwoordde hij. Marjet en ik zijn oude vrienden, business.

Wat voor business? schreeuwde Wouter. Met Marjet? Ze is huisvrouw, wat doet ze nou zakelijk?

Woede borrelde in mij. En toen deed Gert Jan iets onverwachts. Hij pakte me bij de taille en zei luid:

Wouter, hou op. Marjet is een prachtvrouw. Ben jij zo dom om haar te ruilen voor hij keek betekenisvol naar Saskia, dit, dan is dat jouw probleem. Wij gaan voorlopig lekker samen verder, toch Marjet?

Overrompeld glimlachte ik. Ik leunde tegen zijn schouder.

Zeker, Gert Jan.

Het was één grote show. Maar voor Wouter was het een mokerslag. Hij werd spierwit.

Jullie jij hij vond de woorden niet.

Kom, Wouter, siste Saskia. Laten we gaan.

Ja, ga maar, voegde Gert Jan eraan toe. Je wilde vrijheid. Dan krijg je ‘m ook.

Verbijsterd keek Wouter van mij naar Gert Jan, dan naar Saskia. In zijn ogen verscheen een glimp van besef hoe zijn vrijheid zich nu tegen hem keerde.

We praten nog wel, bromde hij, liep boos de zaak uit; Saskia ging hem na, haar blik irritatie en teleurstelling tegelijk.

Mijn knieën trilden. Ik zakte weer neer.

Dankjewel, Gert Jan. Je was briljant.

Graag gedaan, glimlachte hij. Maar ik deed het niet alleen voor de schijn.

Toen ik hem aankeek, zag ik in zijn ogen een warmte die ik al sinds mijn jeugd niet meer had gezien.

Je weet, Marjet, ik heb vroeger spijt gehad dat ik je liet gaan. Dat wilde ik toch even zeggen, zei hij zachtjes.

Ik wist niets te zeggen. In het tumult van de dag zoemde alleen zijn stem nog na.

We aten samen. Hij vertelde over zijn dochter, zijn zaken. Mijn gedachten dwaalden af naar Wouter. Hoe moet het nu zijn, met die Saskia? Wat als ze echt snurkt en alleen magnetronmaaltijden serveert? Maar vooral: ik had weer iets in mijn man wakker gemaakt: jaloezie. En jaloers zijn, dat betekent dat je hart nog werkt.

Thuis was het laat. In de gang brandde zacht licht. Wouter zat te wachten, in trui, met rode ogen.

Ben je terug? zijn stem was schor.

Zoals je ziet. En waarom ben jij niet bij Saskia?

Marjet hij kwam naar me toe. Vergeef me, alsjeblieft.

Je vroeg het me vanochtend al. Voor een grap die geen grap was?

Ik was een idioot. Ik ben bij haar geweest. Bij Saskia. We zaten amper een uur. Eerst zette ze de tv aan, toen mocht ik zelf vleeswafels opwarmen en luisterde naar haar geklaag over haar exen, haar rug, haar kinderen. Toen keek ik naar haar… en zag een vreemde, uitgebluste vrouw. Geen liefde. Alleen teleurstelling. En toen dacht ik aan jou. Aan hoe je water dronk vanochtend. Hoe je uit de badkamer kwam, rug recht, hoofd omhoog. Ik wist: dit moet ik niet laten gaan.

Je hebt het niet verloren, Wouter. Je hebt het weggegooid. Ik ging in mijn stoel zitten. Er zit verschil.

Hij kwam achter me aan, bleef bij de drempel staan.

Maar die man in het restaurant Gert Jan is dat jouw nieuwe vlam?

Hij is een oude vriend, zuchtte ik. Hij is de enige die vandaag zei dat ik mooi was en bijzonder. Jij zei dat al tien jaar niet meer.

Hij ging naast mij op de grond, greep mijn handen.

Marjet, ik ben zon eikel geweest. Geef me nog een kans.

Ik weet het niet, Wouter. Ik keek naar zijn grijzende hoofd. Vandaag is er iets gestorven in mij. Misschien ben ik ook iemand anders geworden.

Ik wacht zolang je wilt. Zeg het maar. Laat me alsjeblieft niet gaan. Zijn ogen vulden zich met tranen. In dertig jaar had ik hem maar één keer zien huilen, toen zijn vader stierf.

Ik zweeg. In mijn hoofd galmde Gert Jans: Had ik maar meer gevochten.

Oké, zei ik zacht. Sta maar op. Genoeg theatrale toestanden. We praten morgen verder. Ga jij maar slapen. Op de bank.

En jij?

Ik blijf nog even zitten.

Wouter verruilde de kamer voor het geroezemoes van de nacht. Ik bleef alleen, geen gedachten, alleen leegte en stilte. Buiten begon het te regenen. Voorjaarsregen, luid, reinigend. Het asfalt werd schoon, mijn ziel misschien ook.

Een week verstreek. We leefden als huisgenoten: beleefd, stil, op kousenvoeten. Wouter deed zijn best, waste af, stofzuigde, bracht kruiden en appeltaart. Ik keek van afstand. Saskia belde soms, ik hoorde zijn droge, korte antwoorden; daarna blokkeerde hij haar nummer.

Gert Jan belde mij ook. Zomaar. Vroeg hoe het ging. Bood bioscoopkaartjes aan. Ik sloeg af. Niet omdat ik niet wilde, maar omdat ik bang was voor deze nieuwe realiteit dat het leven misschien opnieuw kon beginnen. Gisteren zei hij: Marjet, je zit niet in een klooster. Je hebt recht op een eigen leven. Ook op een mooi leven.

Zaterdagochtend. Wouter drentelde vanaf dag één om me heen. Pogingen tot praten.

Marjet, misschien naar het park? De seringen staan in bloei.

Geen zin.

Lieverd hij ging naast me zitten. Ik weet wat ik heb gedaan. Maar ik wil dat je weet: ik kies voor jou. Elke dag. Vanaf nu.

Ik keek naar hem. Hij was magerder, zijn blik schuldbewust. Maar in zijn ogen zag ik iets wat ik niet herkende angst. De angst om mij te verliezen.

Wouter, wat als je volgend jaar weer zin krijgt in avontuur en terugdenkt aan oude liefdes?

Nooit meer, hij schudde zijn hoofd. Want de laatste liefde ben jij. Dat weet ik nu pas echt.

De bel ging. We schrokken. Wouter liep naar de deur. Vrouwelijk stemgeluid: Saskia!

Ze stormde binnen, verregend, zonder jas, als een heks.

Wouter! Waarom neem je niet op?! Ik weet het nu wel! brieste ze. Je doet dit vanwege háár, ze wees naar mij. Die ouwe trut.

Saskia, ga alsjeblieft weg, zei Wouter kordaat. Ik heb jou niet uitgenodigd.

Niet uitgenodigd?! Wie bezwoer me liefde? Wie zei dat de jaren niet tellen? ze snikte, maar het was toneelspel. En zij loopt intussen te sjansen met Gert Jan, terwijl jij hier zielig ligt te slapen!

Sinds wanneer weet jij waar ik slaap? Wouter werd wit.

Gert Jan zei het! We hebben samen koffiegedronken! riep ze uit, meteen beseffend dat ze te veel zei.

Het was ijzig stil.

Jij hebt Gert Jan ontmoet? vroeg Wouter langzaam.

Saskia sloeg aan het draaien:

Nou en? Het was koffie, hij belde me zelf. Wilde over dingen praten.

Wat voor dingen? vroeg ik droog. Wat voor zaken heb jij met Gert Jan, Saskia?

Ze blikte kwaad:

Gaat jou niets aan! Jij steelt mijn vent voor mijn neus weg!

Ík steel? ik stond op. Jij komt óns huis binnen schreeuwen. Wouter, wijs haar de deur.

Maar Wouter stond aan de grond genageld, zijn ogen schakelden tussen ons. Tenslotte viel het kwartje volkomen.

Jij en Gert Jan terwijl ik

Wat moest ik dan?! nu was ze ineens zielig. Jij was kil, reageerde niet. En hij is rijk! Ik ben ook maar alleen.

Ik kreeg zin om te lachen. En tegelijkertijd medelijden. Dit was dus eerste liefde. Die zo naar elke portemonnee over kan springen.

Waarom kwam je hier? vroeg ik zacht.

Alleen om te zeggen dat jouw vent een klootzak is! En die Gert Jan ook! Jullie zijn allemaal hetzelfde! riep ze, sloeg de deur dicht.

Het was stil. Wouter kwam naar me toe.

Marjet ik wist van niks.

Ik geloof je.

Zij met Gert Jan? En hij gaf om jou.

Misschien gaf hij om mij. Maar oude patronen blijven trekken. Ik keek naar Wouter. Dus, wind is van richting veranderd?

Marjet, vergeef me. Alstublieft. Voor haar, voor alles, voor de pijn.

Ik ging naar het raam. De zon brak door het grijze wolkendek, de natte stenen glommen.

Eigenlijk heeft ze gelijk. Ik ontmoette Gert Jan. In een restaurant. Voor een gesprek. Hij belde soms. Maar ik ben niet met hem naar die bioscoop gegaan. Niet omdat ik op jou zat te wachten. Maar omdat ik iets besefte.

Wat dan? zijn stem was nauwelijks hoorbaar.

Ik draaide me om.

Ik ben dertig jaar van jou. Ik weet hoe je ademt in je slaap, hoe je je voeten optrekt als je het koud hebt, wat je als ontbijt wilt, en waarover je zwijgt. Ik groeide in jou, als een eik in zandgrond. Je kan een boom verplanten, maar of het weer wortel schiet? Gert Jan, dat is een mooie, warme kas. Maar jij bent mijn tuin. Niet netjes aangeharkt, oud, maar van mij.

Wouter slikte. Hij strekte zijn hand naar me uit.

Ik zorg voor onze tuin, beloof ik. Ik haal de onkruidjes eruit.

Ze komen toch wel weer, zuchtte ik. Zo is het leven.

Marjet Die avond Gert Jan die je vasthield ik werd gek van jaloezie.

Was je jaloers?

Doodsbang. Niemand mag aan je komen. Behalve ik.

Ik keek hem lang aan. Toen legde ik mijn hoofd tegen zijn borst. Ik luisterde. Zijn hart klopte, onregelmatig, snel.

Wouter.

Ja?

Ik denk dat ik ook niet zonder jou kan.

Hij sloot me stevig in zijn armen.

Bedankt.

Waarvoor?

Voor nog een kans.

We stonden bij het raam. De zon vulde de kamer en buiten tjilpten de mussen. Amersfoort rook naar lente, nieuwe aarde, seringen. In het centrum stond Saskia nu vast haar volgende slachtoffer op te zoeken. Misschien reed Gert Jan met zijn BMW rond en dacht: niet alles laat zich kopen.

En wij stonden daar maar. Twee mensen die bijna uit elkaar waren gevallen, maar toch weer bij elkaar uitkwamen. Want er zijn dingen sterker dan eerste liefde. Er is laatste liefde. Die niet slijt. Die gewoon blijft.

Ik keek op en zei:

Zin in muntthee?

Met muntthee? hij lachte. Top. Ik heb kersenvlaai gehaald.

Hoe wist je dat ik zou terugkomen?

Ik wist het gewoon. Hij kuste mijn slaap. Ik wíst het.

Hand in hand liepen we naar de keuken. Buiten werd het lente. Voor ons het gewone leven. Niet makkelijk, vol strubbelingen én mooie dingen. Maar samen. En dat, daar gaat het om. Geluk dat niet op internet te vinden is, maar gewoon thuis op je wacht. Want echte herinneringen net als liefde roesten niet. Ze wachten, tot je er weer klaar voor bent.

Please rate
Bagattia News
We zijn dertig jaar samen geweest. Ik weet hoe hij ademt in zijn slaap en wat zijn favoriete ontbijt is. Toch ruilde hij dat in voor “gevoelens uit zijn studententijd” en koos hij voor een vrouw met perfecte Photoshop-foto’s. Die nacht huilde ik niet — ik vulde de vriezer met ijsblokjes en maakte een lijst. Een lijst hoe ik hem terug zou winnen, zodat hij zelf zou smeken om te blijven. Punt één: kennismaking met zijn nieuwe vlam.