Wat gênant, iedereen in het dorp heeft hun tuin al netjes aan kant, en de onze ligt er nog bij als een doorn in het oog. We zouden het zelf doen, maar mijn artrose speelt op en mijn vrouw haar rug laat haar in de steek.
Martijn, ik kom maar meteen ter zake, zei mijn vader terwijl hij zenuwachtig zijn pet in zijn handen draaide. Kunnen jij en Eline misschien helpen met de aardappeloogst? Het is me toch een schande, iedereen is al klaar, behalve wij. Ik kan bijna niet meer met die gewrichten, en moeder kan amper rechtop staan.
Martijn trok zijn laarzen aan en bromde:
Waarom poten jullie toch ieder jaar zoveel aardappelen? Jullie lijden toch geen honger. Vandaag kan het niet, pa. Ik moet met de trein naar Amsterdam voor werk.
Vader slikte zijn ergernis weg, draaide zich om en liep naar buiten. Op het erf pakte hij de riek, hij mankte, maar zette stug koers naar de moestuin.
Johanna, met een warme das tegen haar zere rug, liep bezorgd achter hem aan.
Nou, Pieter, denk je dat de kinderen nog komen helpen?
Hij snauwde:
Blijf maar hopen, vrouw. Pak die emmer en rapen maar. Je krijgt vijf kinderen en geen een die tijd maakt hun ouders te helpen. Schiet op, straks is het donker en we zijn nog nergens.
Ondertussen in hun huis, sprak Leontien, Martijns vrouw, hem streng toe:
Wat zijn jullie toch voor een stel, alles alleen, nooit eens iets samen. Mijn ouders leefden nog ik was al lang onderweg geweest. Haar stem brak.
Martijn omhelsde haar:
We doen het niet netjes, dat klopt. Zo dicht bij en toch zelden samen. Ik zal morgen verlof vragen op werk. Bel jij de rest?
Leontien greep haar telefoon, bladerde door haar adreslijst.
Hoezo kunnen jullie niet? Werk? Dat heeft iedereen! Neem gewoon een dagje vrij. Niet te geloven dat onze ouders zich doodwerken en jullie geen hand willen uitsteken. Je kunt de kinderen meenemen, lekker buiten in plaats van met de tablet op de bank. We verwachten jullie!
Of het nu met smeekbeden was of met dreigementen, uiteindelijk haalde Leontien iedereen over om te komen.
Pieter zat ondertussen even uit te puffen op een omgevallen kruiwagen.
Johanna, tegen de tijd dat de eerste sneeuw valt, steken we nog steeds aardappels uit. Was dat nou nodig, zo veel? Jij altijd maar bang dat de kinderen tekortkomen. Zie je ze? Ze zijn in geen velden of wegen te bekennen. Vroeger, zijn stem werd zachter, toen was dat heel anders. Hele familie in het land en voor de middag lag alles in het schuur. Goeie tijden
Johanna spitste haar oren.
Hoor je dat, Pieter? Er komt iemand aan, ga eens kijken.
Pieter strompelde naar het tuinhek. Vanuit de verte klonk geroezemoes, gelach, kinderstemmen. Johanna deed haar sjaal recht en liep mee.
Hemeltje, kijk eens wat een volk! De kinderen en de kleinkinderen. Wat een geluk.
Martijn nam het voortouw:
Kom op, pa, waar liggen die schoppen, rieken, manden? We steken de handen uit de mouwen.
Slikkend, met tranen in zijn ogen, riep Pieter norser dan bedoeld:
Alles staat klaar, weet je dat dan niet meer?
En toen schoot het werk in gang. Iedereen hielp; de een groef, de ander rapen, de volgende sleepte manden naar het afdak om te drogen. Johanna werd naar binnen gestuurd om bij te komen.
De schoondochters rolden de mouwen op en doken de keuken in, want van al dat werk krijgt men honger. Maar Johanna kon maar niet stilzitten, ze liep van raam naar deur, de ogen op de tuin.
Op het veld hing de vrolijkheid van vroeger.
Hé Martijn, weet je nog, dat je als kind tegen mijn hoofd een aardappel gooide? lachte Sander.
Hier, een wederdienst!
Opa bromde lachend:
Zijn jullie niet intussen volwassen? Maar nee hoor, nog steeds kwajongensstreken!
Hoera! De tuin was geoogst, het groenafval lag netjes op een stapel, de aardappels onder het afdak. Tijd voor een gezamenlijke maaltijd.
Buiten op een grote geïmproviseerde tafel verscheen al het lekkers. Er werd gepraat, gelachen, herinneringen opgehaald aan vroeger de kinderen luisterden ademloos.
Johanna veegde zo nu en dan een traan weg. Haar hart liep over van trots om haar kinderen bij zich te hebben. Buren begroetten vriendelijk over het hek, gaven complimenten en dachten met bittere heimwee aan hun eigen kinderen die al zo lang niet thuisgekomen waren.
Aan het eind van de dag vroeg Leontien zachtjes aan Martijn:
Wat heb je eigenlijk gezegd op je werk?
Hij sloeg een arm om haar schouders:
Ik zei zoals het is: Mijn ouders hebben hulp nodig. Meteen mocht ik weg. Je ouders helpen, das heilig, zei mijn baas zelfs.
Laat het dagelijkse leven niet tussen jou en je ouders komen. Ze zullen het niet snel zelf vragen, maar iedere minuut samen is goud waard.






