Wat een toestand, bij iedereen ziet de moestuin er al pico bello uit, en bij ons lijkt het wel de gemeentelijke composthoop. We zouden het graag zelf fiksen, hoor. Maar bij mij speelt die akelige reuma weer op en moeders rug doet ook al maanden moeilijk.
Maarten, hoor eens zei vader terwijl hij zijn pet in zijn handen wrong zouden jij en de rest ons alsjeblieft met de aardappeloogst willen helpen? Het is echt genânt, iedereen hier is al klaar, en wij zitten nog met dat halve veld vol. We zouden het zelf wel, maar het zit ons allebei fysiek niet mee.
Maarten, die net één laars aan het aantrekken was, bromde:
Waarom poten jullie toch altijd zoveel aardappelen? Echt, honger lijden jullie niet bepaald. Vandaag gaat m niet worden pap, ik moet straks naar de stad, vergaderdag.
Vader slikte zijn scherpe opmerking in, zuchtte eens diep en strompelde dan maar met riek naar de tuin.
Anna, die haar stramme rug met een dikke wollen sjaal had omwikkeld, schoot naast hem.
Nou Nico, je denkt dat de kinderen vandaag komen?
Hij gromde:
Ja joh, blijf wachten. Pak dat emmer en rapen maar, je weet hoe het gaat. We hebben vijf van die kinderen op de wereld gezet, maar helpen? Ho maar. Opschieten ouwe, misschien komen we voor het donker nog een eind.
Ondertussen, binnen in hun nette rijtjeshuis, begon Ingrid tegen Maarten te mopperen:
Wat zijn jullie toch voor volkje. Altijd op je eigen eiland, nooit die ouders steunen. Schaam je toch. Waren de mijne nog in leven, dan rende ik fluitend over het fietspad naar ze toe snikte ze zachtjes.
Maarten sloeg een arm om haar heen:
Oké, dat is inderdaad niet netjes. We wonen amper een dorp verderop, maar samenkomen is een ramp. We pakken het zo aan: ik neem een snipperdag, jij belt de rest.
Ingrid sprong naar haar mobiel en bladerde het adresboek door.
Serieus? Kan niet, moet werken? Iedereen werkt, joh. Vraag gewoon vrij. Je ouders staan krom te zwoegen, en jullie zijn te lui om van de bank te komen. Niemand voor de kinderen? Neem ze lekker mee, kunnen ze zien hoe aardappelen er uitzien in plaats van alleen maar frietjes eten. Jullie komen gewoon!
Met wat dreigementen, een snufje schuldgevoel, en een vleugje Hollandse overtuiging wist Ingrid de hele bende bij elkaar te trommelen.
Intussen ging opa Nico even zitten voor een broodje kaas en wat lucht.
Nou Anna, we zijn nog wel bezig tot Sinterklaas met die aardappelhoop van jou. Wat een idee om zoveel te planten, altijd maar wat als de kinderen tekort komen. Ja, welke kinderen? Geen een die zn knuisten vuil wil maken. Weet je nog vroeger? Met zn allen in een ochtend klaar. Tja, dat waren tijden…
Anna spitste haar oren.
Nico, hoor ik daar een auto? Ga even kijken joh.
Nico sukkelde richting het tuinhek. Daar kwam meteen een hele kluit binnen, lachend en roepend. Anna hees zich overeind en volgde, rug of geen rug.
Nou kijk nou toch, wat een volk! De kinderen en de kleinkinderen. Wat een feest.
Nou pa, waar heb je die schoppen, harken en die emmers? commandeerde Maarten lollig.
Vader, met een traan van blijdschap en tegelijk geïrriteerd, riep:
Die staan gewoon waar ze horen, of ben je dat ook alweer vergeten?
En hup, daar gingen ze. Sommigen graven, anderen rapen, er wordt een kruiwagen heen en weer geracet. Anna werd linea recta naar binnen gestuurd om uit te rusten (wat ze uiteraard niet deed).
De schoondochters stroopten vrolijk hun mouwen op; straks moest er gevoerd en gegeten worden. Maar Anna kon zich natuurlijk niet koest houden en bemoeide zich net zo makkelijk overal mee.
Op het veld ging het ondertussen los:
Maarten! Weet je nog, vroeger gooide jij een aardappel tegen mijn kop, kijk uit anders krijg je er een terug! lachte Sander.
Opa Nico bromde met pretoogjes:
Moeten jullie nu alweer kattenkwaad uithalen? Dertigers met puberstreken.
Feest! De oogst binnen, het loof netjes op een hoop, de aardappelen onder het afdak. Tijd voor een borrelhap.
Buiten werd een lange tuintafel volgezet. De stemming steeg, verhalen uit de oude doos kwamen langs.
Anna veegde af en toe stiekem een traantje weg. Het zijn toch fijne kinderen. De buren die langsliepen zwaaiden, maakten een praatje. Sommigen zuchtten: hun kinderen komen nooit zo massaal langs.
Ingrid fluisterde zachtjes aan Maartens oor:
Wat heb je nou eigenlijk op je werk gezegd?
Hij sloeg een arm om haar heen:
Gewoon de waarheid, dat pa en ma hulp nodig hebben. Ik mocht meteen weg ouders helpen is heilig werk, zei de baas nog.
Dus, vergeet je ouders niet. Ze zitten niet te wachten op jullie hulpvragen, liever niet zelfs maar hulp en gezelschap zijn ze stiekem altijd dolblij mee!






