Bekenden wilden graag mee op reis met onze auto, met de belofte om mee te betalen. Maar bij aankomst zeiden ze: “Jullie zouden toch zelf gaan rijden.”
Het begon allemaal als een doorsnee voorbereiding op de zomervakantie. Mijn vrouw en ik, onze vertrouwde Volvo stationwagen, een route van ruim duizend kilometer enkele reis en het heerlijke vooruitzicht van een avontuur. We houden van autovakanties, vooral vanwege het gevoel van vrijheid: je bepaalt zelf het tempo, stopt waar je maar wilt, slaat af als je ineens zin hebt. Geen treintijden, huilende kinderen in het compartiment naast je of vertraagde vluchten.
Dit keer maakten we echter een grote fout we vertelden onze plannen te gretig.
Tijdens een borrelavond in Utrecht, met een bont gezelschap, flapte ik eruit dat we over twee weken naar Zeeland rijden. Met onze eigen auto.
Echt? Wanneer precies? vroeg het stelletje dat tegenover ons zat meteen.
Het waren Martijn en Femke. Geen hechte vrienden, gewoon mensen die we af en toe op verjaardagen zagen.
We vertrekken op de vijftiende, antwoordde ik, zonder argwaan.
Oh, wij willen die kant ook uit! Martijn werd meteen enthousiast en legde zijn vork neer. Onze vakantie begint op de zestiende. We wilden eigenlijk met de trein, maar er zijn alleen nog klapstoeltjes naast het toilet beschikbaar. Kunnen we met jullie mee? We delen netjes de benzine, het is toch gezelliger samen. Wij zijn rustig hoor, geen gezeur.
Ik keek naar mijn vrouw haar blik sprak boekdelen: absoluut niet. Ik probeerde te stamelen dat de auto al vol zat, dat wij altijd langzaam rijden en vaak stoppen.
Ach joh, één koffer voor ons beiden, dat past echt wel! drong Martijn aan. En qua kosten scheelt het enorm. Benzine is tegenwoordig onbetaalbaar, zo scheelt het de helft. Kom op, we zijn toch geen vreemden.
We gingen overstag. Het argument van besparing was doorslaggevend, en hard nee zeggen vonden we ongemakkelijk. Zon zwakte waar we de volgende twee weken spijt van zouden krijgen.
“Wil je geen gezeur, doe dan geen favours”
We spraken af bij ons huis in Amersfoort om vijf uur s ochtends. Wij waren keurig op tijd. De auto zat logisch vol: onze tassen, flesjes water, gereedschap, dekentjes. Martijn en Femke lieten zich pas veertig minuten later zien.
Ja, de taxi had vertraging, zei Femke zonder excuus, terwijl ze een koffer zo groot als een koelkast meesleepte, plus nog wat tassen met “snacks”.
We hadden afgesproken: zo min mogelijk spullen, kon ik niet laten te zeggen.
Ja, Femke is en blijft een meid, hè. Vindt omkleden belangrijk, grinnikte Martijn.
Daar stonden we, bagage aan het herschikken om hun megakoffer erin te wurmen.
Na een uurtje begon het drama. Femke kreeg het benauwd, dus de airco moest vol aan. Tien minuten later klaagde Martijn dat het te koud was. Mijn muziek vond geen bijval. Toen begonnen de verzoekjes: even stoppen voor wc, koffie, benen strekken, sigaretje roken.
Mijn zorgvuldig geplande route zodat we files zouden vermijden werd volledig overhoop gegooid. In plaats van vlot doorrijden, waren we net een lijnbus.
Het dieptepunt kwam bij een tankstation.
Ik tankte vol het kostte 70, liep terug naar mijn auto. Martijn zat relaxed een broodje te eten.
Gaan we even delen? vroeg ik over het geld.
Ah joh, ik maak straks op de bestemming wel alles in één keer over, scheelt dat kleine geregel, wuifde hij weg.
Het zat me niet lekker, maar mijn vrouw fluisterde: “Laat maar, straks regelen ze het echt wel.” Ik hield me stil. De tolwegen betaalde ik ook ze vroegen er niet eens naar.
Al die tijd aten ze hun eigen bammetjes de kruimels vielen overal. Op mijn verzoek om netjes te eten, lachten ze alleen maar:
Kom op, het is maar een auto, je zuigt het er toch zo weer uit.
We kwamen stikmoe en midden in de nacht aan. We waren uitgeput, niet door het rijden, maar vooral door hun gezelschap.
“We reisden toch gewoon met jullie mee?”
Na een goede nachtrust zagen we elkaar bij de gezamenlijke keuken in het pension. Ik pakte mijn notitieblokje met alle kosten.
Oké, begon ik kalm. Benzine, 240. Tol, 50. In totaal 290. Delen door twee, dus 145 van jullie.
Martijn verslikte zich bijna in zijn thee. Femke keek verbaasd op.
Hoezo honderdveertig euro? Meen je dat? zei ze.
Ja, natuurlijk. Zo hadden we afgesproken.
Martijn zette zijn kop neer:
Kijk, je was toch al van plan te rijden. Je had die benzine sowieso wel uitgegeven. De auto is van jou, je hebt hem toch volgetankt. Wij vulden alleen de lege stoelen.
Even wachten, probeerde ik kalm te blijven. We hadden van tevoren duidelijke afspraken. Ik moest jullie spullen meesjouwen, telkens stoppen, rekening houden en nu verwachten jullie dat ik ook alles betaal?
Daar heb je toch niks aan overgehouden? lachte Femke. Het was juist gezellig. Je had het eerder moeten zeggen, dan hadden we wel een Blablacar geregeld.
De meeste chauffeurs hadden jullie allang achtergelaten na dat gekruimel en geklaag, hield mijn vrouw zich niet meer in.
Nou goed, besloot Martijn. We willen best vijftig euro geven, als gebaar. Maar compleet de helft betalen voor iets dat je sowieso deed? Onzin. Ons budget is al strak.
Ik stond op.
Laat maar, houd jullie geld. Zie het maar als een traktatie. Terug zoeken jullie zelf uit.
Wat?! Martijn schrok. We hadden afgesproken heen én terug!
Maar ook afgesproken dat jullie eerlijk meebetaalden. Jullie hielden je niet aan de deal. Prettige vakantie verder.
Vakantie los van elkaar, terugreis in stilte
De resterende tien dagen zagen we elkaar amper, al zaten we op dezelfde camping. Een enkele keer op het strand dan draaiden zij demonstratief hun hoofd weg.
Een dag voor vertrek kreeg ik een app: “Kom op, niet zo koppig. We geven ieder 100 voor heen en terug. Ga met ons mee terug, Femke wordt niet goed in de bus.”
Ik heb niet gereageerd.
Wij pakten rustig in, checkten de olie en vertrokken bij het eerste daglicht. De terugweg: eigen muziek, stoppen waar wij willen, eindelijk weer rust.
Achteraf hoorde ik via bekenden dat wij “ongelooflijk asociaal” waren. Dat wij zogenaamd vrienden in nood hadden laten stikken vanwege een paar tientjes. Zij reisden moeizaam per bus met overstappen, veel gedoe en extra kosten en zitten nu vol met hun klaagzang over ons.
Wij zijn echter een illusie armer, maar een les rijker. Als nu iemand voorzichtig vraagt: “Ga je naar Zeeland? Kunnen we meerijden?”, zeg ik met een glimlach maar beslist: “Sorry, wij reizen liever met z’n tweeën.”







