Dagboek,
Soms vraag ik me af waarom het geluk mij maar niet weet te vinden. Binnenkort word ik veertig en ik ben nog altijd alleen. Op het gebied van werk heb ik niks te klagen: een mooie baan, goed salaris, en qua uiterlijk hoor ik van anderen dat ik niet mag mopperen. Maar een gezin of een echt thuisgevoel heb ik nooit gekend.
Mijn ouders, Anke van Dijk en Willem van den Berg, maken zich veel zorgen om mij. Niet omdat ik ze financieel nodig heb dat is eerder andersom maar vooral moreel.
Kom toch lekker bij ons wonen, meid. Genoeg ruimte! Je geld komt nog wel een keer van pas als jij jouw geluk vindt, zeiden ze dan.
Elke dag keken ze me meelevend aan als ik na mijn werk uitgeblust thuiskwam.
Je hebt niemand behalve ons, arme kind! Niemand die je liefheeft zoals wij, zuchtte mijn moeder.
Als wij er op een dag niet meer zijn, wordt het zwaar voor je, meisje. Dan heb je niemand meer om je zorgen aan kwijt te kunnen. Je moet je geluk vinden! viel mijn vader bij.
En dan zaten we weer met zn drieën voor de televisie. Elk jaar, elke dag opnieuw ging het zo. Mijn hele zoektocht naar geluk speelde zich af op de bank, starend naar het scherm.
Ik moest er soms om gapen. Mijn vader had het over als wij er niet meer zijn, maar zo oud waren ze niet toen ik geboren werd: allebei pas negentien en dolverliefd.
Zelf had ik op de universiteit nog wel een relatie gehad met een jongen: Bart-Jan. Hij was nogal groot en soms een beetje onhandig; hilarisch eigenlijk, want overal waar hij kwam, ging wel iets stuk of viel er iets om.
Mijn moeder maakte altijd grapjes: ze noemde hem Bart-Jan Gebroken Beker of Wandelende Ramp.
Mijn vader deed Bart-Jan na als klunzige beer die van alles liet vallen.
Nee meid, dat is er eentje met pech in het leven. Alles wat hij aanraakt, gaat stuk. Dat is niet jouw geluk, probeerden ze me vriendelijk aan het verstand te brengen.
En ja, uiteindelijk begon ik Bart-Jan ook te zien als niet zon groot succesnummer.
Maar mijn ouders zaten er naast: nadat Bart-Jan afstudeerde, startte hij zijn eigen advocatenkantoor, trouwde met een vrouw die zijn onhandigheid juist aandoenlijk vond. Ze wonen nu heerlijk buitenaf, met veel ruimte.
Jouw geluk loopt ergens rond, hoor! Je vindt hem nog wel, hielden mijn ouders mezelf en elkaar voor.
Toch hadden we het met elkaar goed, als gezin. Een paar maanden terug waren we samen naar Thailand geweest. Nu kijken we s avonds graag de fotos terug: zon, zee, lekker eten, exotische drankjes.
Daar ontmoette ik iemand uit Wit-Rusland: Roman.
Zoals altijd kon mijn moeder het niet laten om te spotten: Nou, kijk aan, een romance met Roman uit Wit-Rusland!
En mijn vader propte een kussen onder zijn shirt en waggelde lachend door de hotelkamer om na te doen hoe dik Roman volgens hem was.
Ik vond het zelfs zielig voor Roman; hij was gewoon fors, niet dik, en wist ontzettend veel van sterren. s Avonds wees hij me de sterrenhemel aan en ik vond hem echt leuk. Ondanks mijn ouders, gaf ik hem mijn nummer.
Na de vakantie bleven Roman en ik bellen, maar mijn moeder had haar oordeel al klaar:
Vakantieliefdes, dat loopt nooit goed af. Die zijn nergens goed voor.
Het maakte niet uit dat noch Roman, noch ikzelf gebonden waren; het was een vakantieromance, dus kansloos.
Zoek je eigen geluk, meid. Wij helpen je altijd! zei mijn vader.
In de zomer trokken wij als gezin graag naar onze stacaravan aan de Vecht. Lekker buiten zijn, barbecueën, theedrinken onder de appelboom in de tuin, eigen groenten plukken. De buren kwamen vaak langs voor een praatje.
Eens kwam de buurjongen Peter met zijn zoontje Teun van vijf langs. Allebei echt Hollands: witblond, blauwe ogen, sproeten en flaporen.
Later hoorden we dat de vrouw van Peter hem had verlaten voor een of andere ondernemer. Teun bleef bij zijn vader blijkbaar wilde die andere man geen kind dat op zijn vader leek in huis.
Peter en Teun raakten me. Zo puur, zo oprecht. Tussen Peter en mij sloeg de vonk over; Teun kroop meteen bij me op schoot.
Mijn moeder kon het niet laten: Peter heeft alles opgegeten, behalve één worteltje! Zijn ouders hebben hem vast naar hier gelokt om jou te koppelen! Waarom zou je met iemand met een aanhangertje willen?
Een vrouw laat geen goede, zorgzame man met een jong kind zomaar zitten, zei mijn vader.
Voor het eerst sprak ik hem tegen:
Papa, misschien vertrouwt die vrouw er juist op dat hij haar kind goed opvoedt, als ze het durft achter te laten.
Nee Nienke, dat is jouw geluk niet. Wij willen onze eigen kleinkinderen vasthouden, kindervoetjes in huis horen klossen
Hierna klapten mijn ouders dicht. Ze sloten zich af, spraken de buren niet meer, en de gezellige avonden waren voorbij.
De zomer vloog voorbij in stilte en spijt onder de appels. Maar ik was inmiddels dol op Peter en kleine Teun, én hield nog altijd van mijn ouders. Ik wilde hen geen verdriet doen en voelde me bijna schuldig dat mijn hart nu eenmaal voor een andere man koos dan zij hadden gewild.
We verlieten het zomerhuisje aan het eind van het seizoen. In ons appartement werd Peter niet meer genoemd, niet serieus en niet voor de grap.
Op een regenachtige dag vond ik een klein, nat, rood katje. Hij had zich schuilgehouden onder een auto, bibberend en miauwend van de ellende. Geen moeder te bekennen, net als Teun. Het ontroerde me zo dat ik hem oppakte en onder mijn jas stopte, ongeacht hoe vies hij was ik wilde hem alleen maar warmte geven.
Thuis droogde ik hem af en gaf hem melk. Zittend op de keukenvloer keek ik hoe hij gulzig dronk, zijn roze tong ging zo snel prachtig gezicht.
Mijn vader kwam binnen met zijn krant en mijn moeder volgde. Ze zagen het katje, maar in hun ogen stond alleen paniek.
Wat moeten we hier nou weer mee? Straks ruikt heel het huis naar kat en krabt hij overal! riep mijn moeder.
Nee hoor, straks zit alles onder de haren, vulde mijn vader aan.
Maak je niet druk, ik koop wel een krabpaal voor hem. We leren hem de kattenbak gebruiken. Hij is zo schattig! probeerde ik nog. Maar mijn moeder was fel:
Neem hem maar mee naar het asiel! Dat is hun taak! En ze moeten hem aannemen, anders schrijf je maar een boze brief naar de krant! riep mijn vader.
Ik pakte het katje op en sloeg de deur achter me dicht.
Pas nu, op mijn veertigste, realiseerde ik me: ik heb niets van mezelf! Geen kinderen, geen man, zelfs geen eigen dak! Zelfs geen kat! Nee, ik wil een plek voor mezelf, desnoods een klein kamertje, waar ik mag zijn wie ik ben.
In plaats van het asiel, belandde ik bij een makelaar. Ze vonden binnen een dag een mooi appartementje waar huisdieren welkom waren.
Voor het eerst voelde ik me echt ergens thuis. Ik gaf de kitten de naam Jip.
Langzaam begon ik weer te geloven in geluk. Jip deed me aan kleine Teun denken.
En toen, op een dag, ging mijn telefoon. Ik had het niet verwacht, want mijn ouders hadden inmiddels ruzie met de buren.
Het was Peter. Gewoon, alsof er niks gebeurd was. Hoi, hoe gaat het? Teun wil je wat zeggen!
Mijn hart maakte een sprongetje, ik zag meteen zijn blauwe oogjes weer voor me.
Nienke! We missen je! Kom je gauw bij ons langs? Papa en ik wachten op je! riep Teun door de telefoon.
Ik kom, maar ik neem Jip mee, is dat goed? vroeg ik.
Neem gerust een heel circus mee! lachte Peter. We halen je zo op, welk adres?
Zo vond ik mijn geluk. Tegen alle verwachtingen in, werd ik gelukkig met Peter, Teun en Jipje. Binnenkort krijgt Teun ook nog een broertje of zusje wat maakt het uit wat het wordt?
Mijn ouders? Die spreek ik nog elke week en ik hou van ze, misschien wel meer dan ooit. Het is alleen niet hun geluk wat ik heb, maar het mijne.
Misschien vinden Anke en Willem het op een dag goed zo, en kunnen ze accepteren dat mijn geluk er anders uitziet dan zij hoopten. Hopelijk mogen zij straks ook die kleine handjes vasthouden en zachte voetjes door het huis horen rennen.
Tot die tijd blijf ik trouw mijn eigen weg volgen met liefde voor hen én voor mezelf.
Geluk mag je soms zoeken buiten de gebaande paden, maar het moet wel écht het jouwe zijn.
Veronique kon haar geluk maar niet vinden. Ze wordt bijna veertig en is nog altijd alleen. En toch is haar door God alles gegeven: intelligentie en schoonheid. Een goede baan, een hoog salaris, maar dat vrouwelijke geluk ontbreekt.







