Veronique kon haar geluk maar niet vinden. Ze nadert de veertig, maar is nog steeds alleen. En toch heeft ze alles: intelligentie, schoonheid, een goede baan, een hoog salaris – maar het vrouwelijke geluk blijft uit.

Marieke kon haar geluk maar niet vinden. Ze naderde de veertig, maar was nog steeds alleen. Alles had ze mee: intelligentie, schoonheid, een goede baan met een royaal salaris maar dat geluk waar ze zo naar verlangde, bleef uit.

Haar ouders, Willem en Johanna van Dijk, maakten zich zorgen om hun dochter. Ze ondersteunden haar vooral emotioneel, want financieel konden ze zelfs zelf hulp van haar gebruiken, al weigerden ze dat altijd.

Blijf toch bij ons wonen, meisje, er is ruimte genoeg! En het geld komt later nog wel van pas, als je jouw geluk eindelijk vindt, zeiden Johanna en Willem vaak.

Elke dag voelden ze medelijden met hun Marieke, vooral als ze moe thuis kwam van haar werk. Je hebt alleen ons, meisje. Wie anders zal je troosten als wij er straks niet meer zijn? zuchtte haar moeder.

Als wij er niet meer zijn, zal je het zwaar krijgen. Je zal niemand hebben om tegen te klagen. Je moet toch je eigen geluk zoeken! voegde haar vader toe.

En zo zaten ze met zn drieën avond aan avond voor de televisie. Jaren gingen zo voorbij, dag in dag uit veranderde er niets aan de zoektocht naar geluk voor de buis. Saai, zelfs om van te gapen!

Het was eigenlijk vreemd om haar vader zo te horen spreken over als wij er niet meer zijn. Willem en Johanna waren piepjong toen Marieke werd geboren, net negentien, getrouwd uit grote liefde. Voor zulke dingen als als wij er niet meer zijn was het eigenlijk nog veel te vroeg.

Zelf had Marieke op de universiteit een jongen leren kennen, Bart-Jan. Hij was groot en soms wat onhandig. Grappig, maar waar hij ook kwam, er ging altijd wel iets om of stuk.

Johanna maakte altijd grapjes over hem en noemde hem Bart-Jan de Bordenman of lopende ramp. Willem deed Bart-Jan na als hij struikelend spullen probeerde te redden die net vielen.

Nou dochter, zon pechvogel is het leven niet, hè? Alles wat hij aanraakt, valt stuk. Dat is niet het geluk dat wij jou wensen! zeiden ze voorzichtig.

Langzaam maar zeker begon Marieke haar vriend ook als een echte pechvogel te zien. Echter, daar vergisten haar ouders zich. Bart-Jan studeerde af, begon zijn eigen advocatenkantoor en trouwde met een meisje dat zijn klungeligheid juist charmant vond. Ze hadden ruimte nodig, dus trokken ze naar een huisje buiten de stad.

Mariekes geluk loopt nog wel ergens rond, ze moet het gewoon nog vinden! stelden Willem en Johanna zichzelf en hun dochter gerust.

Toch, het was een fijne, hechte familie. Een paar maanden geleden waren ze nog samen op vakantie naar Spanje geweest. s Avonds keken ze graag naar de fotos van hoe ze genoten hadden, van het eten, het strand, de zon wat een heerlijke herinneringen.

Daar, in Spanje, leerde Marieke toevallig een man kennen: Roel, een rustige Nederlander die in Groningen geboren was. Ook deze man werd onderwerp van hun grappen: Ach, daar hebben we zomaar ineens een zomerromance met Roel uit Groningen op ons bordje! grapte Johanna.

Willem stak een kussen onder zijn shirt en paradeerde lachend rond, net alsof Roel heel gezet zou zijn.

Marieke schaamde zich voor die grappen; Roel was helemaal niet dik, alleen fors. Bovendien was hij boeiend, wist veel van de sterren en liet haar ‘s avonds aan het strand sterrenbeelden zien. Marieke vond hem leuk en ging zelfs tegen de mening van haar ouders in door hem haar nummer te geven.

Toen ze thuiswaren en Johanna hoorde dat het contact met Roel doorging, zei ze: Vakantieliefdes zijn nergens goed voor! Dat loopt op niets uit, dat weet iedereen!

Dat Marieke en Roel beiden geen gezin hadden, deed er volgens haar niet toe. Het was een vakantieromance; dat was een doodlopende weg.

Zoek je eigen geluk, kind! Wij zullen er altijd voor je zijn! zei haar vader bemoedigend.

s Zomers gingen ze altijd met zn drieën naar hun tuinhuisje aan de Vecht. Rivier, natuur, theetjes onder de appelboom, barbecues in de tuin alles eigen, uit de moestuin. De buren kwamen vaak op de koffie. Op een dag kwam de zoon van de buren, Jeroen, op bezoek met zijn zoontje van vijf, Bram. Jeroen en Bram, allebei blond, blauwe ogen, sproeten en flaporen.

Later hoorden ze dat Jeroens vrouw hem had verlaten voor een zakenman, en dat de zakenman geen kind van een ander wilde het leek te veel op de vader. Jeroen bleef achter met zijn zoontje.

Marieke vond hen allebei bijzonder sympathiek, iets kwetsbaars en eermenselijks straalde van hen af. Tussen Jeroen en Marieke sloeg een vonk over, en Bram trok meteen naar haar toe.

Johanna lachte de spontaniteit van haar dochter weg: Jeroen heeft alle wortels opgegeten en er eentje laten liggen! Zeg dochter, zijn ouders hebben hem vast speciaal uitgenodigd, zodat hij jou kon ontmoeten. Maar wat moet jij nou met een man met een aanhangertje?

Het is een mislukkeling! Welke vrouw verlaat nou een goede man met een kind? vond haar vader.

Maar voor het eerst sprak Marieke haar vader tegen: Juist daarom, pap. Een vrouw laat een kind alleen bij een man als ze erop vertrouwt dat hij het goed doet.

Nee, Marieke, dat is jouw geluk niet! Wij willen graag eigen kleinkinderen, geen andermans kindertjes! Kleine handjes vasthouden, kleine voetjes horen rennen door het huis

Willem en Johanna klapten dicht, kregen ruzie met de buren en kapten het contact abrupt af. De gezellige avondjes onder de appelboom waren voorbij. Ze zaten nu stilletjes binnen, jammerend dat Marieke maar geen geluk van boven mocht ontvangen.

Marieke had haar hart aan Jeroen én aan Bram verloren, net als haar liefde voor haar ouders bleef. Ze kon het hen niet aandoen haar eigen geluk te verkiezen; ze vond zelfs dat ze er schuldig aan was, verliefd op de verkeerde man te zijn niet het plaatje uit de dromen van haar ouders. Dus verlieten ze het tuinhuisje aan het einde van het seizoen, weer met zn drieën naar het appartement in Utrecht.

Die herfst dachten haar ouders niet meer hardop over Jeroen of Bram, niet in ernst en niet als grap.

Op een regenachtige middag vond Marieke op straat een ieniemienie rood katje, bibberend en nat, schuilend onder een wiel. Het was moederloos, net als Bram, en dat raakte haar. Niemand om zich om haar te bekommeren. Elk moment kon het autowiel haar levenslicht doven.

Marieke bukte zich, pakte het pluizenbolletje voorzichtig op en stak haar onder haar warme jas. Nat en smerig, dat deed haar niks; haar eerste gedachte was het beestje te verwarmen met haar liefde.

Ze nam het katje mee naar huis, droogde haar met een handdoek en schonk een schoteltje melk in. Marieke ploofte op de keukenvloer neer en keek toe hoe het katje innig aan het drinken was, zijn roze tongetje als een snel motortje.

Je had honger, kleintje, dacht ze vertederd.

Willem kwam met de krant binnen, Johanna daarachter. Ook zij keken naar het kleine dier zonder greintje vertedering of medelijden. Eerder waren ze verbouwereerd en een tikje kwaad: Wat nu? Wat moeten we met dat beest?

Het diertje was snel tevreden, geeuwde en ging op zoek naar een plekje om onervaren als ze was een plasje te doen. Marieke wilde al een doekje pakken, maar Johanna gilde: Ruim dat monster direct op! Die maakt het hele huis vies! Alles onder de krassen en het behang is straks aan flarden! Willem, zeg er wat van! Geen zwerfdieren bij ons!

Ja, straks ruikt heel het huis naar kat! En geen fatsoenlijk mens durft nog op bezoek te komen, mopperde Willem.

Mama, papa, ze is nog klein! We kopen een krabpaal, leren haar de kattenbak… Kijk nou hoe lief ze is! probeerde Marieke; ze snapte niet zo goed waarom zon klein diertje zoveel weerstand opriep. Niemand had een allergie en het huis was ruim, je kon er voetbal in spelen.

Nee, geen sprake van! Dat dier gaat weg! brieste haar moeder.

Breng haar naar het asiel, meisje. En als ze haar niet innemen, dreig maar met de krant! riep Willem, de krant zwaaiend.

Marieke pakte het katje aan haar borst en liep zwijgend het huis uit.

Het deed pijn. Hoe kon ze op haar veertigste niets voor zichzelf hebben? Geen man, geen kinderen, geen eigen plek onder de zon, zelfs geen katje mocht ze houden! In een opwelling liep ze naar het eerste makelaarskantoor dat ze zag.

Daar werd ze snel geholpen aan een eenkamerwoning, waar nadrukkelijk huisdieren waren toegestaan.

Voor het eerst voelde Marieke zich écht eigen baas. Ze kocht kattenspulletjes, nam haar nieuwe huisgenootje mee naar de dierenarts, die constateerde dat het een poesje van een maand of twee was. Ze noemde haar Lenthe.

En ineens voelde ze zich, al was het maar een beetje, gelukkiger. Lenthe deed haar vaak denken aan Bram en aan Jeroen.

Op een dag ging de telefoon. Ze verwachtte het niet, want Willem en Johanna hadden inmiddels zon rel geschopt met de buren, ze sprak Jeroen al tijden niet meer. Maar Jeroen belde! Gewoon, alsof er niets gebeurd was: Hoi, hoe is het? Bram heeft iets dat hij wil zeggen!

Marieke voelde haar hart warm worden, dacht aan Bram zijn sproetjes en nieuwsgierige ogen.

Marieke? We missen jou! Kom eens bij ons op bezoek! Papa en ik wachten op je, klonk het vrolijk.

Mag ik mijn katje meenemen? vroeg ze.

Aan de andere kant schaterde Jeroen: Kom maar met de hele dierentuin van Toon Tellegen! We komen je zo ophalen, zeg maar waar je woont!

Zo vond Marieke haar geluk. Tegen alle verwachtingen in is ze gelukkig met Jeroen, Bram en Lenthe. Bram krijgt zelfs binnenkort een broertje of een zusje, wat maakt het uit?

Haar ouders is ze niet vergeten, en haar liefde voor hen blijft. Ze belt vaak met Johanna en Willem, gewoon om te zeggen dat het goed gaat en dat ze haar geluk gevonden heeft.

Het is niet zoals haar ouders gewenst hadden, maar het is wel háár geluk.

Wie weet begrijpen Willem en Johanna het ooit en kunnen ze vrede sluiten met het geluk van hun dochter. En misschien, op een dag, houden ze hun handen om kleine kinderhandjes en horen ze het gestommel van kindervoetjes in huisLenthe kneedde zachtjes Mariekes schoot, het motortje in haar borst snorrend als een belofte voor de toekomst. Buiten viel het licht door de ramen, en in de vensterbank stonden naast het katje nu ook kleurige tekeningen, door Bram gemaakt: een huis, drie mensen, een kat, twee poppetjes die hand in hand liepen onder een zon. Misschien, dacht Marieke, lag het geluk nooit in het plaatje van iemand anders maar simpelweg in het lef om een deur te openen die altijd op een kier had gestaan.

Op een middag windstil, er hing lente in de lucht stonden Willem en Johanna ineens voor haar deur. Met hoogrode wangen, verlegen, onhandig en met een bos vergeet-mij-nietjes in hun handen. Bram stoof op hen af, trok hen naar binnen en liet zijn nieuwste tekening zien. Opa en oma! riep hij trots, terwijl Lenthe om hun benen zwierde.

Johanna probeerde haar zenuwen te verbergen. Wat een prachtig kind is het, Marieke. En wat een lief poesjezeg, heeft die altijd zulke grote oren gehad?

Ze lachten. Zelfs Willem, die verstomd even boven Bram zijn kruin aarzelde, liet zich door de zachte chaos meenemen. Er viel iets van jaren kou aan splinters van de muur. Het was misschien niet het geluk waar ze ooit van hadden gedroomd, maar het was echt, ongekunsteld en van nu.

En daar, midden in dat kleine, bonte gezin, voelde Marieke hoe het vlammetje in haar borst eindelijk uitgroeide tot een warm en troostend vuur. Haar geluk was nergens anders dan in het samen delen, zelfs al zag het er anders uit dan gedacht. Sommige dromen worden niet vervangen, maar groeien mee, als een klimop die zich aanpast aan elke muur.

Ze keek haar ouders aan, pakte Jeroens hand en glimlachte. Zullen we thee zetten? vroeg ze, op een toon alsof alles altijd zo had moeten zijn.

Onder het geluid van kinderstemmen en kattenge spin uit de keuken besefte ze: soms komt geluk niet zachtjes binnen, maar dwingt het de deur open, zet zich neer en zegt: Hier ben ik. Precies op tijd.

Please rate
Bagattia News
Veronique kon haar geluk maar niet vinden. Ze nadert de veertig, maar is nog steeds alleen. En toch heeft ze alles: intelligentie, schoonheid, een goede baan, een hoog salaris – maar het vrouwelijke geluk blijft uit.