Vasco

Brammetje

Anneke, ben je van plan de woede van de huisbaas over je heen te halen? Die wordt gek als hij erachter komt!

Marian, wat moet ik dan? Hem buiten zetten? Zielig joh, het is een levend wezentje!

Die leefde inderdaad, maar bij jou weet ik het zo net nog niet, als je m hier houdt.

Kom op, Marietje, het is toch geen leeuw, maar gewoon een zielig katje! Laat hem een beetje hier wonen, ja?

Je hoeft mij niet te overtuigen, Marian lachte en aaide het magere rode bolletje dat ineens zo in hun kamer was opgedoken. Denk je dat ik geen gevoel heb? Waar heb je dat pannenkoekje gevonden? Hij is zo mager, net een panty na de was die je niet uit elkaar krijgt! En vast hartstikke ziek ook, zn kopje hangt erbij als een gesmolten kaas. Schatje!

Luister, Anneke wikkelde de vondeling in de veel te lange sjaal die Marian ooit breide, ik kwam net van mn nachtdienst door het Vondelpark, zag wat oranjes in de sneeuw. Of hij nou uit de bosjes kroop of gewoon daar was gedropt, weet ik niet. Helemaal ondergesneeuwd. Alleen omdat hij zo felrood was, zag ik m nog. Dacht eventjes: hij ademt niet, zo koud was ie! Maar toen bleek-ie toch nog te leven. Dus ik meteen rennen naar de flat. Anneke pruttelde terwijl ze melk warm maakte in een email­le mok. De huisbazin, mevrouw de Wit, keek me na en viel bijna steil achterover.

Nou, zet je schrap voor een huisbezoek. Anneke, je krijgt probleem! Weet je nog hoe ze Gina bijna het pand uitschopte omdat die met een hamster aankwam? Hygiëne! gilde ze.

Je verklikt mij toch niet hè, Marian? Anneke draaide zich met opgetrokken wenkbrauwen om. Als ze komt als ik er niet ben, verstop je hem dan even? Ik warm alleen wat melk en dan ga ik weer.

Ga nu maar, Marian pakte de sjaal met katje van tafel, gooide haar breiwerk in de mand en zei, terwijl ze de mand afsloot en Anneke een knipoog gaf: Niets gezien, niets gehoord, niets gezegd! Komt goed!

Anneke ging weg, Marian keek naar het katertje in de mand en schudde haar hoofd.

Ja hoor, geluk bij een ongeluk, zo’n brutale rooie Blijf ademen, kleintje! Anneke is een goed mens, maar als er iets met je gebeurt, huilt ze de Amstel vol en moet ík het weer opruimen.

Het beestje zweeg en ademde hees, z’n ogen dicht, nauwelijks reageerend.

Langzaam viel de kamer in het schemerdonker. Marian vond deze tijd van de dag fijn. De avond, helemaal voor haar alleen. Wanneer je nachtdienst doet, kom je thuis en kun je enkel door naar bed nu had ze tijd om te lezen, te kletsen, Anneke uit te horen over haar romance met Michiel. Marian zuchtte. Anneke boft maar een vent en eentje die haar zelfs ten huwelijk vroeg! Zijzelf? Niemand. Wie zit op haar te wachten met haar lengte en kracht? Anneke leek net een popje blauwe ogen, vlechten tot op haar billen. Een plaatje! Terwijl Marian meer een vrouwelijke Jaap Eden was, zoals oma altijd zei; rechtvaardigen onder haar broers. Die waren nu allemaal volwassen, oudste zelfs getrouwd met een leuke meid. Zelf was Marian nog altijd alleen. In het dorp waren nauwelijks mannen over en werken kon je daar ook amper. Hier bij de koekjesfabriek kende men haar. Ze kreeg er zelfs een bonus voor haar vakantie! Ze schudde haar trieste gedachten van zich af. Trouwen, dat kon altijd nog. Vroeg of laat zou er iemand komen, vast en zeker.

Anneke kwam terug, op zoek naar een pipet om een poging te doen het katje eten te geven uit een schoteltje lukte niet. Marian legde haar boek weg en pakte het hulpeloze hoopje op.

Laat mij eens!

Ze nam wat melk in de pipet, hield het kopje stevig vast en dwong de bek open:

Kom op, werk mee! Je woont hier nu niet voor spek en bonen!

De kleine slokte wat melk, proestte, maar slikte toch.

Het katje kreeg uiteindelijk de naam Brammetje. Mevrouw de Wit had meer dan een jaar niks door, tot ze op een druilerige dinsdag zag hoe een oranje flits door het open raam sprong.

Wat is dát?!

Heel het studentenhuis was meteen wakker.

Mevrouw de Wit, alstublieft! U had het niet eens gemerkt als wij niks zeiden! Hij vangt muizen als een malle!

MUIZEN? Er zijn hier géén muizen! Dit is een keurige studentenflat!

Nou Marian sloeg de onderarmen over haar breedgeschouderde bast, keek de huisbazin van onder haar wenkbrauwen aan en duwde Bram met haar voet achter zich. Maar onze muizen houden zich óók keurig! Dik, rond, Bram legt er elke ochtend eentje netjes naast mijn bed. Volgende keer laat ik het zien, dan kunt u zelf trots zijn op zijn jachtcapaciteiten! We kunnen de directeur van de koekjesfabriek ook uitnodigen, dan kan die meegenieten.

Marie! de huisbazin siste, keek streng naar Anneke. Is dit jouw schuld? En als je straks trouwt, wat dan met dat beest? Neem je hem mee?

Geen idee. Anneke nam Bram op haar arm. Hij is dol op me, maar Marian is zn grote baas hoor. Zal me wat gaan missen, vrees ik

Ach gos! Mevrouw de Wit schoot ineens in de lach. Je praat over hem alsof het een vent is. Meid, het is een kat! Eten en hij blijft. Zo simpel is het.

Echt niet! Anneke schudde haar hoofd. Ik doe alles, maar hij loopt altijd weer naar Marian. Ze sloeg een arm om de huisbazin. Toch? Mogen we hem houden?

Ach, boefjes! De Wit zuchtte, schudde een waarschuwende vinger. Maar alleen als ik m niet zie en niet hoor. Anders vliegen we allemaal eruit, snap je?

Anneke was al gauw getrouwd en Marian bleef alleen achter met Bram. De dagen werden langer, stiller en mevrouw de Wit had geen haast om iemand bij Marian in te laten trekken. Het oude studentenhuis ging zn laatste ronde in. De meiden hoopten stiekem op een kamer in de nieuwbouw, maar die bouw sleepte zich voort. Marian ging elke zaterdag met de anderen sjouwen en schoonmaken in het nieuwe pand, liep door lege gangen en probeerde zich haar toekomst voor te stellen. En daar, tussen het cement en de puin, kwam haar vermoedde lot om de hoek.

Pieter was net als zij nieuw in Amsterdam, het laatste kind thuis, ouders net recent verloren, dus nu ineens zelfstandig. Geen rooie cent, geen dak maar het leven werd in de grote stad wél gezelliger, ondanks een overvloed aan keus aan meisjes. Maar Pieter zocht niet zomaar een vriendin, hij zocht een degelijke dame mét woning, liefst eentje die wat kon regelen, want hij wilde vooruitkomen. Marian viel niet in die categorie maar haar verschijning, de brede schouders, het recht-door-zee-gedrag, maakte hem alsnog nieuwsgierig.

Zn slungelige avances deden Marian eerst vooral grinniken.

Help! Moet ik zon kleintje? Ik klop Pieter zo op zn kruin! Ik ben zo een kop groter! giechelde ze tegen Anneke als die langskwam.

Marian! Wat boeit lengte nou? Wat voor vent is het?

Geen idee, Marian keek serieus, weet ik echt niet.

Ze keek naar Anneke, steeds meer hoogzwanger, die Bram aaide op het bed.

Zwaar?

Nee, alleen raar gevoel, alsof je op een station staat en wacht op de trein naar ergens waar alles beter is. Je wilt alleen maar snel die trein pakken, Anneke glimlachte, nam een lik honing die Marian uit Drenthe had gekregen. Dag Bram, wees lief voor haar!

Misschien was het Annekes buik, misschien Marians eenzame avonden. Pieter werd vanzelf vaste bezoeker. Bram moest niks van hem weten. Zodra Pieter binnenkwam, blies en boog Bram zn rug, vluchtte naar de vensterbank en mepte met zijn staart, klaar om te springen. Marian zette het raam open, stuurde hem naar buiten. s Nachts kwam hij dan zwijgend terug, liet zich amper aaien, weigerde soms eten. Wat was er toch?

Is hij jaloers? vroeg ze aan de huisbazin, bij wie Bram tegenwoordig ook graag langs kwam voor wat lekkers als Pieter er was.

Misschien, Marian, of hij voelt iets aan wat jij niet ziet! Wees voorzichtig met die Pieter. Straks laat hij je zitten en wat dan?

Nergens voor nodig, mevrouw de Wit, dat doet hij niet.

Ach, meisje De Wit zuchtte, liet het gesprek dan rusten. Kijk uit! Het is jouw leven.

En zowel Bram als de huisbazin bleken gelijk te hebben.

Aan het misselijke gevoel s ochtends besteedde Marian eerst geen aandacht waarschijnlijk zure karnemelk, dacht ze, of paddenstoelen die haar schoonzus gestuurd had, bedorven. Maar weken gingen voorbij, het gevoel bleef. Op een dag, toen ze Anneke met de kinderwagen trof, werd het haar ineens duidelijk.

Marian! Hoe krijg je dat nou voor elkaar?! Anneke wilde het hele verhaal. En Pieter, weet hij het?

Marian stond overrompeld. Haar hoofd tolde. En diep, heel diep, hoorde ze ineens de stem van mevrouw de Wit: Kijk uit, meisje En raar genoeg juist daardoor kreeg Marian zichzelf weer bij elkaar, mompelde dat ze het Pieter moest vertellen, het leven met verantwoordelijkheid zou nu toch echt beginnen.

Maar het bleek dat ze die verantwoordelijkheid alleen zou moeten dragen.

Sorry Marian, maar zo kan dat niet. Hoe weet ik nou zeker of die van mij is? Sorry, maar ik wil dit niet. Pieter negeerde Bram, die zich meteen op zijn been stortte, en trapte hem ruw weg. Uit de weg jij!

Bram greep alsnog met zijn klauw in Pieters been en het gegil dat eruit kwam deed Marian hardop lachen.

Bah, Bram! Kom, laat die man maar, straks krijg je nog buikpijn van hem. Weg ermee.

Lang bleef Marian daarna achter, kaarsrecht op haar stoel, starend naar de dichtslaande deur. Bram cirkelde rond haar benen, sprong uiteindelijk op haar schoot, waar hij lang bleef spinnen tot Marian hem wegschoof.

Genoeg. Kom, thee zetten. Iets warms.

Haar zoontje schreef Marian in op haar eigen naam. Zonder blikken of blozen vulde ze het formulier van de gemeenteambtenaar in:

Geen vader. Die is er nooit geweest. Moeder is er, dat is genoeg, toch?

Anneke zorgde voor een babyuitzet en mevrouw de Wit regelde via haar netwerk een knappe kinderwagen. Ze sleepte Marian zelfs naar de directeur van de koekjesfabriek om haar een betere kamer te bezorgen. Maar de bouw lag weer stil, en de directeur kon alleen maar meewarig zijn schouders ophalen:

Ik zou willen, maar het lukt gewoon niet. Nog even volhouden, dan komt het vanzelf.

De kamer was tochtig en koud, hoe Marian alle kieren ook probeerde te dichten. Bram mocht nu gerust bij de baby slapen hij besloot vanaf dag één dat de kleine, die constant huilde, zijn verantwoordelijkheid was. Marian kon erom lachen, de oranje oppas kreeg dan wat lekkers, al was het krap bij kas. Zonder de hulp van haar broers was ze reddeloos geweest. Pieter verdween spoorloos, verhuisde uit Amsterdam Marian hoopte hem nooit meer te zien. Hij had haar niets meer te bieden. Ze wiste hem uit haar leven, hield alleen haar mooiste herinnering over: haar zoon.

Toen Marian uit het ziekenhuis kwam, kwam de hele familie langs.

Kijk dan, net een kleine reus! Helemaal op jou!

Marian kon haar tranen nauwelijks binnenhouden, wat ze normaal nooit deed. Niemand veroordeelde haar, integendeel. De vrouw van haar oudste broer omhelsde haar zachtjes in de keuken:

Terecht dat je hem hebt gekregen, Marian. Nu ben je nooit meer alleen. Er komt heus nog een goeie man. Niet iedereen is een schoft. Wij helpen je met die jongen, hoor. Samen krijgen we hem groot.

En familie hield inderdaad woord. Tweewekelijks kwam er iemand uit Drenthe met tassen vol eten en knuffels voor de kleine. Marian droogde dan stiekem haar tranen wat heeft een mens toch weinig nodig, dacht ze, als je maar weet dat er iemand voor je is, om op terug te vallen. En als het moet, nemen ze ook jouw kind op als hun eigen.

De crèche was een heel gedoe haar zoontje, Jan, was vaak ziek en Marian had het gevoel dat ze tegelijk 24 uur per dag werkte en moederde. Zonder Anneke en mevrouw de Wit had ze het opgegeven en teruggegaan naar Drenthe, het huis van haar broer in. Maar dat wilde ze vermijden, ze wilde niemand tot last zijn.

s Avonds bij het wiegje van haar slapende, koortsige zoontje dacht ze terug aan haar eigen liefde en bedacht dat niet iedereen een levenspartner vindt die er echt voor je is. Nu wist ze precies wat ze uit het leven wilde: geen gezweef, geen mooie praatjes meer. Gewoon iemand die stilletjes thee voor haar zet, haar naar bed stuurt en zegt:

Ga jij maar slapen, ik pas op Jan.

En iemand die haar op zondag met de kinderen naar Artis neemt, een ballon koopt, haar stamppot prijst en eindelijk die geplande boekenplank ophangt. Iemand die er gewoon is. Altijd.

Meer hoeft het niet te zijn. Dát is familie.

Slaap overviel Marian op de vreemdste momenten; dan dutte ze in, hoofd op tafel bij het wiegje.

En toen, in zon nacht, gebeurde er iets wat alles voorgoed veranderde.

Jan was al drie dagen ziek. De temperatuur zakte niet en Marian stond op het punt de moed te verliezen. De buurvrouw, dokter van de kinderopvang, kwam dagelijks langs zonder dat Marian daar om vroeg, schudde na elk onderzoekje bedenkelijk haar hoofd:

U doet het goed, mevrouw, we kunnen alleen afwachten. Zijn lijfje redt zich wel.

Marian hield haar kind vast, uren achtereen. Mevrouw de Wit bracht een pan verse kippensoep en drukte haar wang op het zweterige voorhoofd van Jan:

Wat brandt hij!

Zakt niet.

Misschien maar goed ook, dan vecht zijn lijf. Dat zegt de dokter.

Ja, weet ik wel, Marian zuchtte, maar het doet zon pijn om hem zo te zien.

Het gaat over! Maar als jij van ellende niet slaapt, heeft hij ook niks aan je. Eet wat en probeer wat rust te pakken.

Na een aai over Jans handjes vertrok De Wit. Bram lag naast de kleine in het wiegje, meppend met de staart, Jan probeerde m te grijpen, viel daarna in slaap. Marian besloot zijn slaap niet te verstoren, maakte een kompres klaar en liep met de pan soep naar de keuken om op te warmen. Terwijl ze op het gas stond te wachten, hoorde ze iets breken en Jan begon te huilen.

Ze stormde terug, bonkte de deur openen verstijfde.

Een joekel van een rat vocht voor zijn leven met Bram, die al gehavend was: een oor aan flarden, een lange snee over zijn buik. Marian wilde ingrijpen, maar op dat moment stortte Bram zich op de keel van de rat. Zelfs toen de rat dood was, hield hij nog niet los.

Brammetje, jongen, laat los! Je hebt het gered, goed gedaan!

Bram liet los, strompelde direct naar het wiegje, waar Jan weer begon te huilen. Marian schrok zich rot er lag nóg een rat, kleiner maar groot genoeg, in het bedje van haar zoon. Ze grabbelde Jan en rende de gang op.

Help! Help!

Een uur later zat ze bij mevrouw de Wit, zoon warm toegedekt, Bram in de doucheruimte.

Wat een ellende! Ratten, hier! Vorige maand hebben we nog laten bestrijden. Niets helpt meer in zon oud pand! De huisbazin kon zich wel voor haar kop slaan.

Ze poetste Marians kamer, nam Bram mee naar haar hok en hield hem in de gaten.

Wat een held ben je toch, Bram. Goed dat ik nooit naar Anneke heb geluisterd. Katten zoals jij zijn onmisbaar.

Bram lag erbij als een gevloerde zak aardappels, at niks, bewoog nauwelijks. De Wit fronste, dat was niet pluis. De volgende ochtend, na haar nachtdienst, bracht ze Marian op de hoogte.

Kan jij op Jan letten? Marian was al haar spulletjes aan het graaien. Waar zijn kattendokters te vinden?

Ongeveer een kwartier verderop zit er één, bij het Mercatorplein. Vraag het daar, en ren!

En ja hoor, Marian rende met Bram onder de arm naar de dierenarts. Bram lag slapjes in haar armen. Ze stormde naar binnen, negeerde de verbaasde assistente:

NU een arts! De beste!

De assistente wilde protesteren, maar toen ze Marians blik zag, knikte ze zwijgend. Marian ging zitten, speelde met Brams oren en vreesde het ergste. Plotseling ging de deur open en stapte een boom van een vent binnen, moest zelfs bukken voor het kozijn.

Waar is het leed? bromde hij. Marian stond perplex.

Ze overhandigde Bram.

Wie heeft dit arme dier zo toegetakeld?

De man nam Bram secuur van haar over en inspecteerde hem voorzichtig.

Ratten.

Lijkt niet op een zwerfkat. Kijk s aan, glanzende vacht.

Hij is van mij.

Hoe kwam hij aan ratten? Komt hij buiten?

Nee, in onze kamer.

Nou zeg.

Kunt u niet ophouden met die vragen? Hij moet geholpen worden! Hij heeft mijn zoon gered!

Rustig maar. Mijn naam is Sjoerd. En jij bent?

Marian!

Prima, we kennen elkaar. En niet meer schreeuwen. Komt goed. We gaan zn heldenleven redden.

Enkele jaren later sluipt een forse, oranje kater stilletjes naar de kinderkamer, inspecteert alles, springt op het kinderbedje. Kleine Lotte draait zich slaperig om, grijpt zich vast in zijn dikke vacht. Bram begint zachtjes te spinnen, een liedje voor kattenkinderen, en het meisje slaapt weer in. Dan komen Marian en Sjoerd naar binnen. Marian stopt zoon Jan in, trekt Lottes sokje recht, en leunt tegen haar man aan.

Fantastische oppas, hè, Sjoerd?

Kan niet beter, Sjoerd kriebelt het ooit door hem geopereerde oor van Bram. Goed dat jij toen zo boos tegen me werd, anders had ik nooit uren aan dat beest gesleuteld. Katten als deze zijn van onschatbare waarde.

Goud waard, die kat van ons. Kijk maar, ie straalt!

Bram duwt zijn kop in Marians hand, krult zich naast Lotte, pootje beschermend om haar heen. Marian knipt het nachtlampje uit, wenkt haar man, en trekt de deur zachtjes achter zich dicht. Hun kinderen zijn nooit bang in het donker zolang Bram bij ze is, komt alles goed.

Please rate
Bagattia News
Vasco