Vanmorgen vertelde mijn vrouw dat we ons vierde kind verwachten. En ze voegde eraan toe:

s Ochtends vertelde mijn vrouw dat we ons vierde kind verwachten. Daarna zei ze:
– Een huis kopen? Daar hebben we geen geld voor. Dus moeten we een sociale huurwoning van de gemeente krijgen. Maar jij weet niet hoe je dat moet regelen, dus elk jaar krijg ik er gewoon een kind bij. Als je niet kunt scoren als vader, dan maar punten sprokkelen door veel kinderen!
Op weg naar mijn werk aan de Universiteit opende ik voorzichtig de deur met het bordje Directie erop. Het kantoor zat bomvol. Directeur Van Balen en zijn plaatsvervanger Karelse hielden een vergadering.
– Het gaat om onze reputatie! We moeten beter presteren op sportgebied dan al die andere universiteiten Kijk, daar is onze hoop! riep Van Balen toen hij mij zag binnenkomen.
Ik bloosde.
– Ik ben geen hoop Ik wilde het over een woning hebben
– Volgende week worden de nieuwe appartementen opgeleverd, – meldde Karelse triomfantelijk. – Jij staat bovenaan de lijst. Even een sprongetje maken en je mag meteen verhuizen.
– Een sprongetje? vroeg ik blij.
– Parachutespringen. Morgen zijn de wedstrijden.
Mijn glimlach verdween.
– Waar moeten we springen?
– Op de grond.
– En waarom?
– Kijk je nooit tv? fronste Van Balen. Nu is het hip: filmsterren schaatsen, zangeressen zingen in het circus Wetenschappers zetten de nieuwste records neer Professor Bosman stond vorige week nog in de boksschool, hij wees op de magere Bosman die op de bank zat met een dikke neus, drie pleisters op zijn gezicht. Docent Rijnders deed zaterdag worstelen die ligt nu op de intensive care Nu ben jij aan de beurt. We hebben geloot: jij mag parachutespringen.
Bij het woord geloot voelden mijn benen als pudding.
– Wanneer moet het? stamelde ik.
– Morgen, op de Nationale Vogeldag, zei Karelse.
Wanhopig keek ik Van Balen aan om hulp.
– Waarom willen vogels dat ik om het leven kom?
Van Balen legde een hand op mijn schouder.
– Als vader van een groot gezin krijg je sowieso een woning. Maar Er zijn appartementen mét balkon en zonder Uitzicht op het park of op de asfaltfabriek Bij de verdeling tellen we je betrokkenheid bij de universiteit zeker mee
Er viel een stilte. Ik sabbelde op een pepermuntje en vroeg:
– En als ik de grond niet haal? Of erlangs vlieg? Krijgt mijn gezin dan alsnog uitzicht op het park?
Karelse glimlachte vriendschappelijk:
– Je kent ons beleid toch: weduwen en wezen gaan direct voor! En maak je niet zo druk! Hij klopte me bemoedigend op de rug. Je springt niet alleen, hoor! Je hebt een uitstekende partner! Hij wees naar een bleke promovendus in de hoek met een bril.
– Dat is onze PhD-student, verklaarde Karelse, die zou toch al ontslagen worden wegens bezuinigingen.
Sinds mijn jeugd ben ik doodsbang voor hoogtes. Mijn hoofd duizelt al als ik op een stoel sta om een spijker in de muur te slaan. Het woord vliegtuig maakt me misselijk. Dus probeerde ik thuis te oefenen: meerdere keren sprong ik van de bank op het tapijt.
De volgende dag werden de promovendus en ik in een grote, zwarte bus naar het vliegveld gebracht je zou denken dat het een rouwstoet was. Van Balen volgde ons in een tweede auto. De volledige wetenschappelijke staf nam de tram en vormde de supportersclub: een man of dertig in totaal, allemaal docenten en professoren.
We werden op het vliegveld opgewacht door Karelse, en een fanfare speelde een mars. Helaas was het een begrafenismars het klonk erg afscheidnemend, zelf de piloot moest huilen. Drie muzikanten mochten zelfs met ons mee het vliegtuig in om, zodra we uit het toestel zouden vallen, iets vrolijks te spelen.
De parachute-instructeur, een stille, gevoelige man, keek ons aan met medelijden. Hij keek naar mijn buik en gaf me een extra reserveparachute. Met twee tassen op mijn rug leek ik eerder op een tweebultige kameel, terwijl de promovendus eruitzag als een eenbultige.
In de lucht somde de instructeur nog eens alle gevallen op waarbij je parachute niet werkt, daarna gaf hij iedereen drie zoenen. Vervolgens opende hij het luik, keek mij bedremmeld aan en fluisterde: “het is tijd”.
Zwijgend gaf ik hem een envelop.
– Geef die aan mijn vrouw. Als het een jongen wordt, naam hem dan naar mij.
Hij probeerde me gerust te stellen:
– Alleen in het begin ben je bang. Daarna voel je niks meer.
– Kom op, waaghals! moedigde de piloot me aan.
De muzikanten zetten “Wij zullen niet wijken!” in. Ik deed mijn ogen dicht en sprong. Maar toen ik ze opende, zat mijn bovenlijf nog in het vliegtuig, mijn benen hingen buiten: ik was blijven steken. De instructeur en promovendus duwden mijn hoofd, maar ik kwam niet los.
– Smeer hem in met zeep, suggereerde de promovendus.
De instructeur raakte gefrustreerd:
– Maak de doorgang vrij! riep hij. Je houdt de complete wedstrijd op!
– Hoe dan? riep ik terug.
– Adem uit!
Ik blies zo hard mogelijk, mijn longen liepen leeg, en ik viel in het luchtledige. Ik trok aan het koord terwijl ik nog half in het vliegtuig hing, waardoor de parachute bleef haken aan het onderstel. En ik bungelde onder het vliegtoestel.
De piloot probeerde me los te schudden met gevaarlijke capriolen, maar ik bleef hangen.
– Stop met die fratsen! schreeuwde de instructeur. Laat het vliegtuig los!
Dat deed ik niet.
De instructeur hing half uit het luik om me los te maken, terwijl de promovendus hem vasthield. Net toen de instructeur de gesp bijna loshad, maakte het vliegtuig een rare sprong en de instructeur vloog naar buiten. Samen met hem vloog de promovendus mee, want die hield zijn benen nog vast. Wonder boven wonder pakte de instructeur mij bij mijn jasje. De promovendus hing lager, had zich in de benen van de instructeur vastgebeten.
En zo hingen we samen: als een stel acrobaten aan een trapeze.
De muzikanten speelden Vlieg, vogeltjes, vlieg.
De instructeur schreeuwde dat de promovendus zijn slagaders afklemde en zijn benen zouden afsterven!
Om de instructeur te ontzien bood ik de promovendus mijn benen aan die deden toch niks. Maar hij hield de voorkeur voor de dunne beentjes van de instructeur.
Met deze raar bungelende totempaal kon het vliegtuig natuurlijk niet landen. Het cirkelde boven het veld en dook plotseling om ons op het gras te laten vallen. We moesten in volgorde loslaten, te beginnen met de promovendus. Zo laag vloog het toestel dat de promovendus al over het gras sleepte, maar hij liet de benen van de instructeur niet los, zodat we weer opsteigden.
De instructeur vervloekte zijn benen en wenste dat ze samen met de promovendus zouden afsterven.
De muzikanten speelden De lucht, onze goede, oude thuis!
De benzine raakte op. Met een stok en een lus hengelden ze de promovendus weer naar binnen, daarna de instructeur, daarna mezelf of eigenlijk de helft van mij, want ik zat weer klem: mijn hoofd in het vliegtuig, benen buiten. Maar ik was allang niet meer bang: het toestel ging landen, ik mocht een halve kilometer rennend naast het landingsgestel mee.
Niemand was overleden, iedereen blij.
De fanfare speelde het vrolijkste van alle treurmarsen.
Alleen de instructeur kon zich niet bewegen: de promovendus liet zijn benen nog altijd niet los. Zijn handen moesten losgewrikt worden met een waterpomptang.
Toen hij eindelijk los was, zetten we de instructeur overeind. Iedereen zag dat zijn broek tijdens de vlucht tot over zijn knieën was gesleten als een soort lange zwembroek maar dat kon niet kloppen. Het waren zijn benen die waren uitgerekt en hij leek nu sprekend op een struisvogel.
– Morgen zijn de vervolgwedstrijden! kondigde Karelse aan.
Bij die woorden werd de instructeur net zo wit als mijn niet-geopende reserveparachute, en op zijn nieuwe vogelpoten huppelde hij richting telefoon. Waar hij heen belde en wat hij zei, weet niemand. Maar ik kreeg de overwinning: in deze wedstrijd, in de volgende, en alle komend tien jaar. En mijn hardlooprecord werd ook erkend, want ik liep even snel als het vliegtuig. Omdat alleen mijn benen gerend hadden, en mijn bovenhelft vloog, deelden ze de tijd door twee.
Maar toch was het een record!

Please rate
Bagattia News
Vanmorgen vertelde mijn vrouw dat we ons vierde kind verwachten. En ze voegde eraan toe: