Toen Linde twee jaar oud was, woonde ze in een kindertehuis in Rotterdam. Ik kwam daar fotos maken van de kinderen. Ze gaven me de moeilijkste gevallen, de kinderen die bijna niet geplaatst werden. Ik liep haar groep binnen en mijn oog viel op een meisje met een grauw, verwrongen, bijna oud gezichtje. Wat een onaantrekkelijk kind, dacht ik bij mezelf. Maar zodra ik haar begon te fotograferen, zag ik haar écht. Dwars door dat masker van apathie heen. Ze kwam tot leven.
Het is lastig om oogcontact te krijgen met een kind dat zo weinig aandacht heeft gehad. Maar dit bijzondere meisje keek me recht aan, zonder weg te kijken. Toen zag ik plots haar ziel. Alleen, universeel alleen en vol verdriet. En zelfs niet eens hoopmaar het allereerste moment in haar leven dat iemand haar zag. Haar zíel zag, die verlaten en alles begrijpend was. Net als die van mij. Toen wendde ze haar blik af en doken haar ogen vol tranen.
Ik vroeg aan de begeleidster: Kun je me meer vertellen over Linde? Ik moet nog een stukje schrijven. Wat moet ik vertellen? antwoordde de begeleidster. Nou, wat kan ze, wat zegt ze? Ze kan niks. Ze zegt niks. Ze zit alleen op de grond in een spagaat en wiegt zichzelf tot haar hoofd bijna de vloer raakt. En als ze dat doet, jammert ze. Verder valt er weinig over haar te zeggen. Ze is niks bijzonders.
Twee maanden daarvoor verloren wij ons jongste dochtertje. Onze ooit zo mooie leven crashte keihard tegen een muur en hield op te bestaan. Maar wij wij leefden op de automatische piloot verder. In het leven na. We liepen, spraken, aten, en probeerden met alle macht onze wanhoop voor de andere kinderen te verbergen, om ze niet bang te maken. Om ze nog een sprankje hoop te geven, dat wijzelf nauwelijks voelden. Ik vroeg me af: Zal ooit nog íets mij blij maken? Op weg naar de shoots huilde ik in de auto, maakte mijn gezicht schoon met wat sneeuw, en deed mijn best om een normaal mens te lijken, normáál te klinken, te glimlachen. Maar het voelde allemaal niet echt.
Ik wilde geen ander kind voor in de plaats. Ik wilde alleen maar overleven. En daar was Linde, met haar eenzaamheid en haar wanhoop, alsof haar eenzaamheid precies het slot in mijn hart gevonden had.
Thuis zei ik tegen mijn lieve man: Ik weet niet hoe ik dit moet aankaarten, of wat het precies is Ik fotografeerde een meisje, en ik kan haar niet uit mijn hoofd zetten kijk nou eens naar haar, moeten we het toch niet overwegen? En Arthur zei: Snap je wel dat je niet jezelf bent? Welke meisjes? We staan zelf amper nog overeind.
Ja, ik ben mezelf niet. En misschien word ik dat ook nooit meer. We moeten gewoon leren leven met wat is.
We gingen naar het kindertehuis om Linde te zien. Ze werd naar ons toegebracht door een begeleidster: piepklein, dat verwrongen gezichtje, waggelde alsof ze een dronken krab was. Haar neus zat onder het snot, met een groen-gele sliert. Mijn god, wat was ze lelijk, dacht ik. Een soort mislukte klodder mens. Waarom had ik dan iets in haar gezien?
Linde pakte het speeltje dat we hadden meegenomen, viel op haar kont, spreidde haar beentjes en begon zich snel en fanatiek te wiegen, tot ze met haar voorhoofd de vloer raakte.
En terwijl de hoofdverpleegkundige op de achtergrond haar verhaal deed, hoorde ik: Mevrouw van Dalen, dit kind heeft niet eens een lichte verstandelijke beperking! Ze is diep zwakbegaafd! Er is echt géén enkele verwachting. We gaan haar overdragen aan de Jeugdzorg. Zeven gezinnen hebben Linde al geweigerd. Ze kan niks van wat bij haar leeftijd hoort. Ze zit alleen in spagaat en wiegt heen en weer. We noemen haar stiekem onze kleine turnster
En toen zei mijn man, op wie ik niet durfde te kijken: Weet u, maar wij vinden haar wél leuk. Wij nemen haar mee.
Later vroeg ik hem: Waarom heb je dat gezegd? Je wilde toch niet? En Arthur antwoordde: Omdat ik besefte dat ze gered moest worden. En dat niemand dat ging doen, behalve wij.
We adopteerden Linde en lieten het kindertehuis in lichte verbijstering achter.
Linde was ontzettend depressief. Ze vertrouwde niemand, het leven was gevaarlijk en verraderlijk. Niemand had haar ooit aandacht of liefde gegeven. Twee jaar lang had ze géén enkele invloed op haar eigen leven gehad. Ze kon niet om iets vragen, niet spelen, maakte alles kapot, was overal bang voor, wiegde zichzelf eindeloos en raakte in paniek tot ze amper nog ademde. Ze at alleen puree. Ze liep moeizaam, was bang voor water, het potje, papas, liften, wind, de auto
Van binnen huilde mijn verdriet. Van buiten huilde Linde. Ik weet waarom iedereen afraadt om juist na verlies van je kind een ander kind in huis te nemen. Je hebt geen reserves meer, al je kracht is nodig om zelf nog een beetje heel te blijven. Maar een kind heeft nog véél meer kracht nodig. Die kracht moest ik ergens vandaan halen. Ik putte uit ons ongeluk.
Tegen mezelf zei ik: Jouw verdriet is eigenlijk klein, vergeleken met dat van dit kind. Jij bent je dochter verloren. Maar je hebt nog een zoon, een dochter, een man, moeder, vrienden, werk, een huis. Linde had nooit iets. Nooit. Zij heeft het echt veel zwaarder.
Weet je wel, wie dat magere, knorrige, eindeloos jengelende, depressieve wezentje uitgroeide tot? Tot onze lieve dochter Lindeke. Sprookjes zijn snel verteld, maar het echte werk duurt lang Inmiddels zijn we negen jaar verder thuis.
Linde is precies geworden wie ze altijd had moeten zijn licht, vrolijk, ondeugend, lief, zorgzaam, aanhankelijk en zachtaardig, en ze is best knap. Ze zit op een gewone school in een logopedie-klas. Ze doet aan duiken. Ja, duiken!
Ze zegt: Mam, het lukte me deze keer gewoon om onder water goed door te ademen en mijn mondstuk te wisselen En ja, op zon moment schiet ik vol.
Nu zit Linde in een duikkamp op Texel. Ze is daarheen gevlogen. Ze is elf. Ze belt me enthousiast: Mam, het is hier zo mooi, we zijn wezen zwemmenmaar het was storm, ineens was het water ijskoud! Maar het warmt alweer op, ze hebben onze wetsuits gebracht en morgen gaan we weer duiken! We aten vis vanavond, maar die heb ik aan de katten gevoerd (want ja, hier lopen zóveel katten, je weet dat ik geen vis lust!). Maar ik heb wél puree gegeten. We hebben dertien kilometer gewandeld naar een uitkijktoren, mam, mijn benen waren er bijna af! Het is hier zó prachtig, en er groeien bomen die je alleen vindt in beschermde natuurgebieden! Ik heb vriendinnen gemaakt, echt hele leuke meiden! En ik heb van het zakgeld dat je gaf, crackers gehaald en uitgedeeld. En we liggen samen in de hangmat Ik mis je!
Omdat wij haar gered hebben. En onszelf. Samen, op deze Hollandse reddingsboeiAls ik haar telefoontje beëindig, kijk ik om me heen in onze woonkamer. Aan de muur hangt die eerste foto, die van het verloren meisje dat niemand zag. Naast haar duikbrevet en een slordig zelfportret dat ze laatst met stift maakte. Het oude en het nieuwe, alles verenigd in dit huis waar ze thuishoort.
Soms denk ik aan vroeger, aan dat moment in het kindertehuis, aan sneeuw op mijn wangen en tranen in mijn haar. Ik voel hoe de leegte in mij steeds minder schrikt van de stilte, hoe het verdriet langzaam ruimte maakt voor iets anderseen zacht geloof dat liefde wint van alles, zelfs van de diepste gebrokenheid.
En als de avond valt, telefoneert Linde nog één keer: Mam, weet je wat ik morgen ga doen? In het diepe springen. Helemaal zelf. Ze lacht haar vrije, opgeschoten meidenlach, die de kamer vult met licht. Niet bang zijn, hè! Ik kan het echt.
Ik glimlach door mijn tranen heen. Ik weet het, lieverd, zeg ik. Jij kan alles.
Want soms red je een kind, en blijkt dat kind ook jou te redden.







