In mijn loopbaan als leerkracht deed zich een bijzonder voorval voor. Er was een jongen in mijn klas, hij heette Bart van der Woude. Bart werd geboren met allerlei aandoeningen: een ontwikkelingsachterstand, problemen met zijn hartje en, als klap op de vuurpijl, een hazenlip met gehemeltespleet.
Tot zijn vierde wist eigenlijk niemand precies wat hij probeerde te zeggen; pas met zes jaar, na talloze specialistische sessies, kon hij enigszins verstaanbaar praten. Zijn stem had altijd een beetje een neusstem, met een rasperige ondertoon, maar voor het eerst hoorde je duidelijk welke woorden hij sprak.
Opeens was het maart en het naderende Lentefeest zijn laatste jaar op de basisschool. We besloten een gedicht uit te kiezen dat Bart mocht voordragen, juist omdat hij zich schaamde voor zijn spraak en die littekens rond zijn mond. Natuurlijk wisten we dat dit een risico was en een spannende beproeving voor hem. Maar een kind groeit niet op in een glazen kas; hij moest leren zichzelf te overwinnen, om te geloven in zijn eigen kunnen, om zichzelf als alle anderen te ervaren.
En Bart zelf verlangde er ook naar: altijd als klasgenootjes een gedicht voordroegen, fluisterde hij de tekst na, zijn mond probeerde de woorden te vormen.
Het gedeelte van het gedicht dat Bart mocht leren, ging over moeders. Zijn moeder, Annemieke, was dolblij toen ze hoorde dat haar zoon het mocht voordragen ze had er nooit op durven hopen. Bart zelf dacht ook niet dat juist hij het vertrouwen zou krijgen, want hij verschilde van de rest.
Samen oefenden moeder en zoon elke dag het vers meerdere keren, voor de spiegel, tegenover elkaar, fluisterend, hardop, voor familie, zelfs in kleine wedstrijdjes wie het mooiste kon. Soms leken ze samen de tijd te vergeten.
En dan die dag: het feest. Barts beurt komt om het gedicht op te zeggen. Het jochie trilt van angst, maar weigert terug te deinzen. Ik ga het alleen voor mama doen, fluistert hij. Alleen voor haar heb ik het geleerd.
Daar staat Bart, gekleed in een klein pakje met een vlinderstrik. Zijn stem begint duidelijk en staand als een paaltje. Maar dan: of het nu van vermoeidheid kwam of dat er angst over hem heen trok, hij begint te haperen.
Hij komt bij de regels:
Vanaf het hoge trapje riep Teun:
Is jouw moeder een piloot? Wat gek is daar nou aan? Bij Bart, bijvoorbeeld, is zijn moeder…
(dit moeilijke woord komt moeilijk)
Mijn moeder is… airco-ni-seeerder!
Er gaat zacht gegiechel door de zaal. Bart wordt rood, zijn hoofd duikt, handen in zijn zakken, zijn wangen bollen; maar hij ploetert verder:
En bij Hanna en bij Suzan,
hun moeders zijn ook…
Airconditioners! roept plots een vrolijke stem uit het achterste van de zaal.
En het lachen zwelt op tot een merkwaardige golf van klaterende geluiden; droomachtig hol.
Bart draait zich om en rent weg van het podium.
Bij de trap tref ik hem; met zijn gezicht tegen de muur, wrijft hij boos met zijn mouw over zijn natte wangen.
Ik buig naar zijn oor en fluister dat degene achterin een misplaatste grap probeerde, stom bedoelt.
En of hij het nog één keer wil proberen, alleen voor zijn moeder, en een beetje voor mij? Deze keer dan met het woord “politie-agent”. En als het nodig is, help ik hem.
Hij snuift en schudt beslist zijn hoofd. Maar na een moment bedenkt hij zich: Voor mama dan, maar ik vind het eng.
Ik zal naast je staan en je hand vasthouden, beloof ik. Ik zeg het als het nodig is.
Hij knikt voorzichtig. De juf van de opvang dept zijn natte gezichtje, en ik keer terug naar de zaal.
Nadat een ander nummer is afgelopen, loop ik zelf het podium op.
Als ik eerlijk ben, trillen mijn benen haast, maar ik neem het woord.
De zaal kijkt gespannen toe; de hele ruimte lijkt een zucht in te houden.
Bart is zes jaar, begin ik. En het grootste deel van zijn jonge leven bracht hij door in ziekenhuizen en revalidatiecentra in Utrecht en Rotterdam. Meer operaties dan verjaardagen. Pas sinds dit jaar lukt het hem echt te spreken, en nu, voor het eerst, staat hij op het punt iets voor te dragen. Dat doet hij alleen voor zijn moeder. Begrijpt u hoe groot dat is? Help hem alsjeblieft een beetje, door te luisteren.
Het wordt weer stil. Ik neem Bart bij de arm en leid hem van achter het doek naar voren. Zijn kleine lijf stribbelt even tegen, seine blik gericht op de grond. Zon stoer mannetje: krom, stevig, lip iets vooruit, nat gezicht, maar vastbesloten.
Kom op, Bart! roept Annemieke.
Ja, Bart! klinkt het opgewekt uit de zaal.
Ik hurk naast hem, houd zijn hand vast.
Doe maar, Bart, speciaal voor mama.
Diepe zucht, dan begint hij opnieuw.
En bij de zin: “Vanaf het trapje riep Teun: Is jouw moeder piloot? Wat gek is daar nou aan!” aarzelt hij, wordt wat roder, maar vervolgt dan:
“Bij Bart, bijvoorbeeld, is zijn moeder… po-li-tie-agent!
En bij Hanna en bij Suzan, beide moeders zijn… en-gi-neurs!”
Hij kijkt de zaal even fel aan, als een klein schipperkje dat het IJ wil overvaren.
Zon daverend applaus had onze bescheiden Utrechtse aula nog nooit meegemaakt. Iedereen klapte: ouders, kinderen, begeleiders, zelfs de schoonmaakster. Sommigen zelfs staand. Bart kwam niet meer aan de rest van het gedicht toe zoveel geluid was er maar dat hoefde ook niet. Het was volbracht.
Na het feest trok de muzieklerares me zachtjes opzij.
Jij verdient eigenlijk een draai om je oren, fluisterde ze.
En ineens begon ik te huilen, zo kwam alles eruit.
Ze sloot de deur, liet me op een stoel zakken en zei:
Je had het bijna verpest, maar… Winnaars worden nooit veroordeeld. En vandaag heb je met Bart gewonnen. Dus, neus ophalen en weer naar de kinderen.
Waarom denk ik, dertien jaar later nog, aan dit vreemde moment? Misschien omdat ik laatst Annemieke tegenkwam, op de markt in Amersfoort. Blij herkende ze me, vertelde dat Bart inmiddels is toegelaten aan de universiteit zonder studiekosten, direct geslaagd voor alle examens.
Op welk vakgebied? Nederlands!
En ze moest me dat van Bart overbrengen: Als dat moment er niet was geweest, dan was ik een buitenstaander gebleven.
Het belangrijkste? Volharding. Ruggengraat.
Uiteindelijk werd hij van een kind met een beperking toch een volwassen man dankzij alle mensen om hem heen!
Zullen we allemaal een beetje verdraagzamer en vriendelijker proberen te zijn?







