Semen reist naar een pittoresk Nederlands dorp om zijn tante te bezoeken, de oudste zus van zijn moeder, aan wie zijn moeder hem voor haar overlijden had toevertrouwd.

Simon reist naar een klein dorpje in Friesland om zijn tante te bezoeken, de oudere zus van zijn moeder. Vlak voor haar overlijden had Simons moeder hem gevraagd om een oogje in het zeil te houden bij tante Loesje. Tante Loesje is klein van stuk en behoorlijk op leeftijd. Al vaker heeft Simon haar aangeboden naar hen in Amsterdam te verhuizen. Daar zou ze haar eigen kamer hebben, regelmatig kunnen wandelen in de binnentuin en andere oudere dames ontmoeten om gezellig mee te kletsen. Maar tante Loesje wil absoluut haar eigen huisje niet verlaten.

Dus pakt Simon om de drie maanden vijf dagen onbetaald verlof op zijn werk om bij haar langs te gaan. Twee dagen reistijd, drie dagen helpt hij haar met klusjes in en om het huis. Gelukkig is hij zelf afdelingshoofd en kan hij zich deze korte vakantie veroorloven. Bovendien is de directeur van het bedrijf een goede vriend. Dit voorjaar lukt het pas eind april om te gaan vanwege drukte op het werk, terwijl hij normaal al in maart komt.

Na de winter is tante Loesje achteruitgegaan. De buurvrouw, tante Marijke, vertelt dat er wel twee keer een ambulance is geweest.
Waarom heb je me daar niet over gebeld? vraagt Simon verontwaardigd.
Ze heeft me laten beloven je niet lastig te vallen, zegt tante Marijke. Ze zei: Als ik dood ben, dan mag je het doorgeven.

Simon loopt naar de buurtsuper voor suiker en zout, zoals zijn tante vroeg, en koopt meteen wat rijst, ingeblikte groenten en gecondenseerde melk. Als hij terugkomt, zit er een jonge herderspup van een maand of vijf bij het tuinhek. Het beestje is apart, met een forse kop en smalle snuit.

Tante Loesje, waar komt die pup vandaan?
Die is een maand geleden aan komen lopen. De poort stond open, en hij zat daar rillend van de kou, broodmager. Ik heb hem wat eten gegeven, nu knapt hij op, vertelt ze. Het voelt gezelliger zo.

Simon aait de pup, die al snel zijn kop op Simon zijn schoot legt. Simon heeft altijd al van honden gehouden; als kind droomde hij van een trouwe viervoeter, maar zijn ouders vonden dat niet goed. Nu komt het er eigenlijk nog steeds niet van: zijn vrouw heeft ooit een kat gehad, die zomaar verdween na drie jaar. Kinderen zijn er bij Simon en Petra niet, het is een stille acceptatie geweest. Ze genieten samen van reizen.

Hoe heet hij eigenlijk? vraagt Simon.
Tieme. Zo heette vroeger mijn kat.

Simon moet lachen. Je noemt je hond naar een kat?
Wat maakt het uit, als hij maar luistert.

Tijdens Simons bezoek wijkt Tieme geen moment van zijn zijde. Bij het afscheid smeekt hij zijn tante het voortaan te laten weten als het niet goed met haar gaat of als ze medicijnen nodig heeft.
Jongen, ik heb je zo al genoeg tot last gehad. Het hoeft niet meer zo lang hoor.
Doe nou niet zo, tante Loesje. U bent mij nooit tot last, zegt hij ernstig.

Dan vraagt ze: Simon, mag ik je iets vragen? Als ik er straks niet meer ben, laat je Tieme dan niet zomaar achter? Het is ook een levend wezen.
Natuurlijk niet, ik zoek wel iemand voor hem.
Wil jij hem zelf nemen? Hij is niet voor niets bij mij beland, daar geloof ik in.

Tieme drukt zijn neus tegen Simons knie en kijkt hem recht aan.
Goed, tante Loesje, ik neem hem als het zo moet.

Een maand later overlijdt tante Loesje. Simon regelt de begrafenis en samen met Tieme bezoekt hij haar graf. Dan moet hij terug naar huis. Simon koopt bij de dierenwinkel een muilkorf en een riem, en samen vertrekken ze naar het station. In de trein neemt Simon een plaats in de wagon waar huisdieren mogen reizen.

Als ze hun coupé binnenlopen, begint Tieme te grommen tegen een man bij het raam.
Wat krijgen we nou? moppert de man, mensen nemen tegenwoordig zelfs wolven mee.
Rustig nou, dat is mijn hond, zegt Simon.
Dat is geen hond, ik ben jager en ik weet wel beter. Dat is een wolf, zegt de man.
Weer gromt Tieme vervaarlijk.
Haal dat beest maar snel weg, anders grijp ik in.
Doe maar even normaal en laat ons met rust. Niemand zit je in de weg.
Dan ga ik wel in de gang zitten. Nog een uurtje tot mijn station.

Simon blijft alleen met Tieme. Hij kijkt de hond doordringend aan:
Tieme, ben jij echt een wolf?
De hond legt zijn kop weer op Simons schoot en kwispelt.
Ach, al ben je het wel: je bent geweldig.

Even later komt de conducteur langs.
Heeft u een wolf of een Duitse herder?
Who heeft dat nu weer wijs gemaakt? lacht Simon. Dit is een speciaal ras, een speurhond.
Heeft u de papieren?
Zeker, ik had ze bij het loket… maar ik ben ze vergeten bij de balie, zegt Simon gespeeld onhandig. U weet ook: zonder papieren verkochten ze me geen kaartje.
Dat is waar, knikt ze, en loopt door.

Niemand doet moeilijk, de dochter van tante Marijkes buurvrouw werkt immers bij het loket. In Amsterdam brengt Simon Tieme meteen naar de dierenkliniek om de hoek.
Bent u van het circus? vraagt de dierenarts verbaasd.
Nee hoor, waarom?
U heeft een wolf bij u.
Simon zucht: Het is inderdaad een wolf, maar geen circusbeest. Mijn tante is overleden en ik heb haar hond, pardon, wolf meegenomen.

De dierenarts onderzoekt Tieme en zegt dan:
Dit is geen echte wolf, maar een kruising. Eén ouder was een Duitse herder. Zulke wolfshonden zijn vaak vriendelijk en trouw, geen problemen mee te verwachten. Zullen we hem registreren en vaccineren volgens de regels?

Petra sluit Tieme gelijk in haar hart, verzorgt hem en wandelt met hem door het Vondelpark. Zo gaan er tien maanden voorbij. Tijdens de donkere dagen rond Oud en Nieuw besluit Petra op een namiddag om met Tieme in het Beatrixpark te wandelen. Plotseling schiet Tieme het duister in; Petra roept en zoekt, maar hij komt minutenlang niet terug. Juist als ze Simon wil bellen, keert Tieme terug, een pakketje in zijn bek.

Tot haar schrik is het een pasgeboren baby levend! Petra, zelf arts, belt direct een ambulance én de politie. Ze handelen snel. Omdat ze met de hond is, gaat ze later samen met Simon naar het ziekenhuis waar het kindje wordt onderzocht.

Een verpleegkundige meldt dat het een meisje is, ruim een maand oud en helemaal gezond. Er zit een briefje bij: haar naam is Lotte. Haar moeder vraagt haar aan goede mensen te geven. Petra vraagt of ze het kindje even mag zien en haar hart smelt direct. Simon ziet het en knikt. Petra vertelt dat ze arts is en vraagt om Lotte bij hen te plaatsen als pleegkind, zodat ze niet verder hoeft.

Twee maanden later woont Lotte, gevonden door zwerfhond Tieme, bij Simon en Petra thuis. Zoals tante Loesje zei: toevallig bestaat niet Tieme kwam écht met een reden aan hun deur.

Please rate
Bagattia News
Semen reist naar een pittoresk Nederlands dorp om zijn tante te bezoeken, de oudste zus van zijn moeder, aan wie zijn moeder hem voor haar overlijden had toevertrouwd.