Plaatjes en Wikkels: Een Nederlandse Nostalgie

Fanatiek

– Wat ben jij een papieren vent, Egbertje! Je verdient een draai om je oren, maar het is er niet meer de tijd voor, en wie doet dat tegenwoordig nog?! Zoveel jaren geleefd, maar nog steeds niet wijzer geworden!

Oma Sien spuugde op de stoep voor haar buurman en hinkte met haar pijnlijke been terug naar huis. Haar mening had ze gegeven; wat hij er verder mee deed, was aan zijn geweten. Mensen konden hem blijkbaar niet opvoeden, dus wie weet grijpt het lot nog in.

Moet je hem horen?! Zijn eigen moeder naar het verpleeghuis brengen! Waar zie je dat nou? Ja, Klaartje ligt nu, het gaat niet meer, maar ben je haar zoon of een wildvreemde? Dat gaat er bij mij niet in hoor! Als ik nog gezond was geweest, had ik haar zo in huis gehaald, niet eens bij nagedacht. Maar ja

En dan Tineke, ach meisje toch. Zon goed kind, maar geen paard, hè? Ze trok ook alles zelf. Ze was in het dorp gebleven toen haar moeder ziek werd ondanks haar plannen om te gaan studeren in Amsterdam. Eerst was ze gegaan, maar ze kwam terug, kon haar moeder en oma niet achterlaten. En eerlijk is eerlijk, ik kon het zelf ook niet meer sinds ik twee jaar geleden mijn been brak ging het alleen maar slechter. Als ik mezelf al uit bed kreeg s ochtends, was het wonderlijk.

Gelukkig dartelt Tineke, mijn kleindochter, door het huis als een jonge hinde. Terwijl ik mezelf nog verzamel, heeft zij het hele huis al aan kant, zorgt voor haar moeder en is alweer onderweg naar haar werk. Altijd zo snel!

Mijn oudste dochter kreeg ik laat, haar moeder de moeder van Tineke dachten we eigenlijk nooit meer mee te maken. Mijn eerste man vergaf me nooit dat er geen kinderen kwamen. Hij vertrok, maar ik miste hem niet erg. Liefde was er nauwelijks. Ik brandde, hij niet.

Vroeger was ik, Sien, om te zien de mooiste van het dorp. Jongens renden achter me aan, sinds de lagere school al, maar ik wachtte op de ware eentje die mn hart zou raken. Ondertussen werd ik grijzer van de opmerkingen van mijn moeder.

– Waarom zoek je zo ver? Straks blijf je over!

En als je zei dat je een man niet liefhebt

Toen kwam er plots een jongen uit militaire dienst in het nabijgelegen dorp. Ik kende hem niet eens. Hij woonde met zijn ouders elders, kwam na zijn dienst naar opa en oma. Waarom, wist niemand. Maar ik viel als een blok vanaf die dag was ik verloren. Alex keek niet lang de kat uit de boom; hij stuurde snel de familie langs om het officieel te maken. Mijn moeder in haar nopjes: eindelijk, dacht ze, ze was dik over de datum.

We vierden feest, drank, muziek, iedereen gelukkig. Ik was verblind van liefde en, eerlijk, zag de signalen niet. Tot de schoonmoeder me met een arm lichtjes naar voren duwde, richting een vrouw in donkere kledij bij een kinderwagen. Het klopte niet.

Alex vertelde later dat hij vertrok bij een meisje toen hij het leger in ging, maar geloofde niet dat haar zoon van hem was; familie zei dat de tijd niet klopte. Achteraf bleek het wel zijn kind, zijn moeder had zich laten overhalen door de buren om het kind te zien. Maar de moeder van die jongen wilde niet meer, vergeef het maar eens ze had nog niet eens geweten dat haar moeder naar het huwelijk van haar ex-verloofde ging.

– Waarom kom je?, vroeg ik haar, terwijl ik haar de hand van het kind vasthield.

– Zodat je weet met wie je trouwt.

Wat moest ik ermee? Wat geweest was, was geweest. Ik hield van hem, wie is er nu zonder fouten op aarde?

Alex mocht zijn zoon zien van mij, maar wilde het niet. Al snel leerde ik dat Alex vooral van zichzelf hield. Wij waren decoratie, een frame om zijn schilderij.

Voor het oog van het dorp was alles goed: we leefden netjes, het huis op orde, het ontbrak ons aan niets maar mijn hart was leeg.

Toen ik hoopte op een kind, hield ik moed. Misschien kwam het nog. Maar toen hij terloops zei dat ik geen echte vrouw was omdat ik geen kind baarde, wist ik: deze weg is doodlopend, geen zin meer om te lopen. We gingen snel uit elkaar, niemand begreep meteen dat het gezin Krul niet meer bestond. Alex vertrok naar het westen, liet het huis aan mij, sorry zei hij nog.

– Draag geen wrok. We zijn allebei schuldig, maar ik had het moeten dragen.

Vergeven deed ik hem nooit volledig, maar het luchtte toch op. Ik had schoonheid genoeg van de Heer gekregen, maar geluk was schaars.

Twee jaar leefde ik alleen. Werken, hoofd omhoog, roddels negeren. De tijden waren anders; tegenwoordig was het bijna gewoon als een man je verliet. Maar ik miste levendigheid in huis.

Met Nico had ik het rustig opgebouwd, hij was een stille, onbekende man in het dorp, niemand wist wat hij in zijn mars had. Maar hij was beleefd, behulpzaam, kwam nooit met lege handen, knapte altijd wel wat op. Ik dacht: slechter dan het was, kan het niet. Beter samen oud worden dan alleen.

Van dit huwelijk verwachtte ik niets, maar het leven besloot me ineens rijk te belonen. Van mijn eerste zwangerschap merkte ik maandenlang niets; ik was onregelmatig, had nergens last van. Het was Klaartje die het doorhad.

– Zeg, Sien, ben jij niet zwanger? riep ze op een dag.

– Nee joh, ik ben leeg van binnen

– Mijn oma zei altijd, het ligt niet altijd aan de vrouw. Soms is de man niet toereikend. Wie weet moest je met Alex gewoon geen kinderen krijgen. Laat je eens onderzoeken.

Terug uit het ziekenhuis liep ik over het dorpsplein, stralend als de zon: alles kwam goed. Een dochter, kort erna nog een, en ik stond weer rechtop. Niets meer om me voor te schamen; moeder geworden!

Mijn meisjes liepen er altijd keurig bij in jurkjes, strikken, altijd schoon, netjes, maar klimmen en spetteren in de sloot? Jazeker! Ik werd nooit boos, leerde ze hun kousen wassen, scheurtjes naaien. Wat je niet kunt, leer ik je.

Nico stierf toen de jongste trouwde. Hij wilde haar bezoeken in Utrecht, kwam niet meer terug: verkeersongeluk. Alles werd zwart. Zonder kinderen had ik niet gewild, maar de oudste schonk me vrij snel Tineke, en het leven kwam terug. Tineke groeide op naast mij, haar moeder ver weg voor werk, kwam alleen in de vakanties.

Tineke leek sprekend op mij: mooie verschijning, sterke wil. Wat ze wil, gebeurt; koppig als een Fries paard. Zolang het om school ging, was ik gelukkig. Maar toen de liefde kwam, was ze verloren.

Ze werd hals over kop verliefd, niet zomaar op iemand, maar op buurjongen Egbert. Vijf jaar ouder, een volwassen vent al, en zij net zestien geworden. Wat weet je dan van liefde? Maar ze hield vol, hij was alles voor haar.

Egbert zag haar niet staan. Gewoon het buurmeisje, veel te jong. Hij had zijn hart ergens anders verloren, namelijk aan Loesje, de mooiste meid van het dorp. Ze kleedde zich modieus, altijd het nieuwste van het nieuwste, haar vader legde haar in de watten. Maar Loesje bleek verwend en veeleisend; als ze niet het middelpunt was, was haar dag verpest.

Egbert hield eerst afstand, later kreeg ze interesse. Maar toen gebeurde er iets raars: Loesje had een vriend van het volgende dorp, ook verwend, voor de lol aanpappen, samen uit. Op een avond vertrokken ze samen op de brommer, maar kwamen nooit aan. In de vroege ochtend kwam ze thuis, in tranen, gescheurde jurk.

Niemand wist ervan, behalve ik. Ik kon niet slapen die nacht en was vroeg in de moestuin. Ik zag Loesje stiekem thuissluipen. Ze keek niet om, trok langs me heen.

Een week later kondigde haar familie ineens snel een bruiloft aan. Egbert was zielsgelukkig, zijn moeder Klaartje niet.

– Sientje, er klopt iets niet. Hoe vertel ik Egbert dat? Hij luistert toch niet. Maar het is zijn leven. Als Loesje met een andere vent iets had, zal het niet uit luxe zijn. Maar wie ben ik om te oordelen? Het doet alleen zon pijn voor Egbert. Hij houdt echt van haar. Slaapt er niet van.

Ik knikte, zweeg. Van die nacht had ik niemand iets verteld. Thuis was het ook drama: Tineke huilde hele dagen, starend naar het huis van Egbert waar nu trouwdrukte was. Dan lag ze opnieuw met haar gezicht naar de muur te jammeren, stil als bij een begrafenis.

Ik heb van alles geprobeerd, haar zelfs bijna gesmeekt om naar haar tante in Rotterdam te gaan, te studeren, zorgen voor een andere wending in haar leven, ver weg van Egbert. Maar ze wilde niet luisteren, niet naar mij of haar moeder. Haar vader was overleden, niemand had ooit vat op haar.

Waar hoopte ze op? Dat alles nog zou keren? Niemand wist het.

Ze bleef tot de bruiloft, stond tussen de mensen zonder een traan, sprak met niemand. Toen draaide ze zich om en liep weg.

Haar moeder merkte het en ging haar zoeken, doodsbenauwd. Maar Tineke was bezig haar koffer te pakken. Ze omhelsde ons, haar moeder en mij, stapte op de trein naar Den Haag. We huilden haar uit, maar gaven haar onze zegen. Tijd heelt alle wonden.

Nou ja, tijd zou misschien helpen, maar niet voor Tineke. Nauwelijks zat ze in haar nieuwe kamer, of haar moeder werd plots ernstig ziek. Dat betekende: snel terug naar het dorp.

Weer een koffer gepakt. Oma Sien alleen thuis, alles op haar schouders. Tineke vreesde vooral weer Egbert te zien, maar die was weg, verhuisd direct na de bruiloft.

Tineke ruimde haar spullen op, richtte het huis in, maakte het zo comfortabel mogelijk voor haar moeder en besloot op de boerderij te werken: andere banen waren er niet. Met een diploma had ze niet veel kansen, maar werken schrok haar niet af. Ze hield altijd al van dieren; ze begon een klein eigen bedrijfje erbij moest wel.

Zo leefden ze. Tineke hielp Klaartje waar ze kon. Sinds haar man overleed, was die vrouw ook nooit meer de oude. Haar zoon ver weg, stuurde af en toe geld over, schreef bijna niets over zijn leven. Wat er daar speelde in Zeeland wist Klaartje niet, alleen dat Loesje hem twee kinderen had gegeven, een jongen en een meisje maar haar kleinkinderen had ze nooit gezien. Loesje kwam nooit terug naar het dorp, Egbert was altijd op de weg vrachtwagenchauffeur, probeerde rond te komen.

Of het die zorgen waren waardoor Klaartje instortte, weet niemand. Ze moest naar het ziekenhuis, Tineke regelde alles, kwam vaak op bezoek, maar huilde op de terugweg. De dokters gaven geen hoop.

Oma Sien stuurde meteen een brief naar Egbert zodra Klaartje was opgenomen maar hij kwam niet. Niet eens een brief terug. Ze schreef nog een keer, zei tegen Tineke:

– Hij heeft zich afgekeerd van zijn moeder. Sommige vogels zingen nu eenmaal luider dan anderen Och, wat een slappe zak, ik dacht dat ie anders was!

– Oma, niet te snel oordelen! Je hebt me zelf geleerd niemand zwart te maken zonder bewijs. Iedereen moet zijn eigen keuzes verantwoorden. Dat geeft een schoon geweten.

– Ik weet het meisje, geen idee meer wat ik moet denken. Had nooit gedacht dat hij zo koud zou doen. Zon lieve jongen vroeger. Waar is dat gebleven?

– Waarom noem je hem altijd papiertje?

– Dat is een oud verhaal. Juist daarom dacht ik altijd dat Egbert er wel was als het moest

– Vertel!

– Het was toen hij kleuter was. Iedereen spaarde toen papiertjes van snoep. Zon beetje de enige schat die kinderen hadden. Snoep kreeg je alleen op feestdagen, als er geld over was. Die papiertjes verzamelden de kinderen, je ruilde er spreekwoordelijk alles voor! En wat deed Egbert op een dag? Klaartje had kippen, niet zomaar, maar schitterende witte Hollandse krielen met een kroontje heel zeldzaam! Klaartje was er gek op en droomde van meer. Maar op een middag liet Egbert een vriendje logeren, diens hond erbij niet aangelijnd, n jachthond. Die hond zag de kippen en rende eropaf allebei dood. Klaartje was ontroostbaar, dagenlang sprak ze met niemand En wat deed Egbert? Hij gaf al zijn papiertjes aan een ander jongetje, diens vader ging vaak naar de stad. Voor wat muntgeld mocht hij een keer mee, kocht van zijn spaarpot een nieuwe kip voor zijn moeder. Zo was dat.

– Geweldig!

– Het ging haar er niet om dat de kip terug was, maar om het gebaar. Haar zoon was niet alleen een kind van haar, maar ook van karakter.

Maar waar was dat nu? Een zoon die zijn zieke moeder in de steek laat Want zo voelde het.

Tot ik stom van verbazing hoorde dat Egbert ineens tóch gekomen was, juist op het moment dat ik dacht dat alles verloren was. Tineke, inmiddels geroutineerd in het verzorgen van twee zieke vrouwen, trof hem aan terwijl ze net de vloer aan het dweilen was bij Klaartje. Plots kwam een klein jongetje binnenrennen, blote voeten vieze afdrukken op de schone vloer bleef voor haar staan, keek haar recht aan:

– Ben jij mijn mama?

Zo ontwapenend, dat Tineke even geen woorden had, de dweil nog in haar handen.

– De buurvrouw, zei Egbert, hand op de schouder van zijn dochter, begroette Tineke. Sorry dat ik zo laat ben. Max lag in het ziekenhuis en Milou kan ik niet overal mee naar toe nemen.

– En Loesje? floepte Tineke eruit.

Wat maakte het eigenlijk uit. Maar Egbert antwoorde: Loesje is weg. Nieuwe vriend, andere stad. Ik sta er alleen voor.

– Maar je hebt toch kinderen? vroeg Tineke beduusd, kijkend naar het nieuwsgierige meisje aan zijn hand.

– Je hebt gelijk. Weet ook niet wat ik zeg. Het is veel, met de ziekte van mijn moeder. Maar ik blijf. Hier.

Tineke voelde zich plots niet meer verlegen bij deze man. Hij was veranderd, zijn kinderen zaten aan haar voeten. Klaartje lag rustig in haar bed.

Nog geen dag later kwam Klaartje met het plan: Egbert moest haar naar het verzorgingshuis brengen. Sien was furieus, greep haar stok, riep Egbert en spuugde voor zijn voeten geen woord wilde ze nog met hem wisselen. Tineke sprong in haar oude jas, stormde de tuin over:

– Egbert! Wat doe je nou? Je brengt je moeder toch niet naar zon plek! Ga maar terug naar de stad, wij redden het hier wel! Nog een bed naast mn moeder is zo neergezet, kom nou!

Iedereen lachte, zelfs Klaartje veegde haar ogen af, Egbert glimlachte.

– Rustig, Tineke, zei Klaartje, ik wilde het. Heb het tegen Sien gezegd, omdat ik Egbert niet tot last wil zijn. Maar zij luisterde niet eens.

– Ik ga niet weg, Tineke, zei Egbert, ik blijf bij mijn moeder.

– En die tas dan daar? vroeg Tineke fel.

– Ja, die Ik moet even naar huis, ziet je, dingen regelen, spullen halen. De wijkverpleger houdt even een oogje in het zeil.

En toen toonde Tineke haar ware aard. Ze keek hem recht aan:

– Je sjouwt die kinderen niet weer mee. Laat ze hier. Ik pas op. En ik wacht op je. Helder?

– Helder, Egbert keek haar aan of hij haar voor het eerst werkelijk zag. Hoe heb ik jou ooit kunnen missen?

– Misschien moet je in de stad even een bril kopen, lachte Tineke, bukte om het meisje op te tillen, we gaan naar oma Sien, die maakt appelflappen. Lusten jullie die? Mooi zo!

En een paar jaar later zaten eerst Klaartje en dan ook haar schoonmoeder op het zonnige terras, allebei liefdevol geïnstalleerd door Egbert.

– “Zo, dames! Lekker zitten, kijk eens wat voor lekker stoeltje ik uit de stad heb gehaald!”

“Zo, ik ga even kijken bij de jongens, die maken lawaai.”

“Komt Tineke zo?”

“Ja, die is vandaag klaar met haar studie. Ze wilde een neusje halen, betekent dat ze snel naar huis komt.”

Een auto stopt, de kinderen die in de kersenboom zitten bessen plukken voor de jam van oma Sien, springen naar beneden:

– “Mama! Mama is thuis!”

Tineke stapt uit, geen schuchter meisje meer, ze omhelst haar kinderen terwijl Egbert haar grijnzend aankijkt:

– “Een tien!”

– “Wie had wat anders gedacht,” lacht Egbert, en loopt naar binnen.

De tweeling net zulke deugnieten als hun vader vroeger wachten nooit lang. Wat dat betreft, zijn het stuk voor stuk nog altijd kleine papiertjesDan klinkt vanuit de keuken het vertrouwde gejoel van oma Sien: “Jullie hebben toch wel eerst je handen gewassen, hè!” en onmiddellijk stormen de kinderen gillend over de drempel, gevolgd door Egbert, die achterblijft in het zonlicht met de warmgerode geur van zomerfruit en verse jam in de lucht.

Klaartje glimlacht bijna onzichtbaar, haar smalle hand op de leuning, terwijl Sien zich over haar heen buigt en half fluistert: “Weet je, het is goed zo. Ze redden zich.” Haar ogen glimmen ondeugend, en ze knijpt even in Klaartjes vingers. “We hebben het einde niet gemaakt, maar het begin wel,” zegt ze.

Buiten trekt Tineke haar schoenen uit, zet haar tas neer en ademt diep het dorpsleven in. Hier, denkt ze, is niemand papieren vent: iedereen heeft zijn eigen last gedragen, zijn eigen offers gebracht en wat gesneuveld was, is op een andere manier geheeld. Ze kijkt naar Egbert, die haar aankijkt zoals alleen geliefden doen die elkaar soms jaren uit het oog verloren zijn zonder dat hun hart is gaan dwalen.

“Zeg Tien, wil je straks koffie met me drinken achter het huis?” vraagt hij zacht, haast verlegen. Ze knikt, glimlacht grootser dan ooit, haar haren vol zon. Binnen klinken de stemmen door tot op het erf, de geur van appelflappen mengt zich met het geluid van zomer en kinderlach.

En zo leeft het huis weer met oude vrouwen, jonge kinderen, en een nieuwe liefde die niet van papier is, maar van vlees, bloed en eindeloos geduld. De ochtend schuift over het erf, strooiend met gouden licht. Alles is zoals het hoort en, heel misschien, zelfs een beetje beter.

Please rate
Bagattia News
Plaatjes en Wikkels: Een Nederlandse Nostalgie