12 maart
Als oudste zoon in een gezin met drie kinderen groeide ik op in een klein dorpje net buiten Groningen. Mijn vader, Henk van Dijk, had de gewoonte om geregeld een borrel te pakken en hield het daardoor nooit lang vol op zijn werk. Mijn moeder, Annemieke van Dijk, trok weken van honderd uur: overdag op het postkantoor, ‘s avonds en in het weekend thuis de boel draaiende houden om haar kinderen eten te kunnen geven.
Ik, Jeroen van Dijk, was de oudste. Dat betekende: water halen, hout hakken en zorgen voor mijn jongere zusjes, Marloes en Fenna. Toen de meiden eenmaal wat ouder werden, hielpen ze gelukkig goed mee, maar toen was pap er al niet meer. Giftige drank, één keer domme pech met zijn makkers aan de bar dat was het dan.
Voor ons werd het er niet makkelijker op.
Moeder mopperde vaak en dacht hardop aan vroeger:
– Hij dronk dan wel, maar was een rustige vent. Geen ruzie thuis. En hoe weinig het soms ook was, hij bracht geld binnen Och Henk, waarom heb je ons zo achtergelaten
Om niet altijd haar verdriet aan te horen, zorgde ik dat mijn klusjes snel klaarlagen, waarna ik s avonds het huis uit glipte. Dan zochten de jongens en meiden van het dorp elkaar op bij het oude, leegstaande boerderijtje aan de rand van het dorp. Al jaren woonde daar niemand; de grote trap fungeerde als onze bank.
We zaten er als spreeuwen bij elkaar, pelden zonnebloempitten en vertelden verhalen. Ik had nooit geld voor een zak pitten en moeder kocht ze ook nooit. Maar Anne-Fleur, buurmeisje en goede vriendin, deelde stiekem haar pitten met mij. Steeds als niemand keek, gooide ze er een handvol in mijn jaszak of palmde ze smoezelig, zoet en vettig in mijn handen. Dank je, fluisterde ik telkens, terwijl ik genoten at als ieder ander. Allicht dat ze altijd vlak naast mij kwam zitten ja, dat deed ze vast expres. Eerst vond ik het gek, maar het werd vanzelf gewoon.
Toch kon ik het niet maken om altijd maar te nemen. Als dank ging ik Anne-Fleur helpen met onkruid wieden, vooral s middags als haar ouders werkten. Praten over koetjes en kalfjes, zij blij met gezelschap, ik met het gevoel eindelijk iets terug te mogen doen. Achteraf dronken we thee in hun boomgaard, aten stroopwafels en spekkoek, terwijl zij mij vriendelijk op lekkers trakteerde. Thuis kende ik snoep eigenlijk alleen tijdens Sinterklaas of verjaardagen haar gulheid raakte me meer dan ik ooit liet merken.
Op school deed ik altijd flink mijn best, maar leren ging me niet vanzelf af. Sporten, daar was ik goed in. Daarom ben ik na de middelbare school naar de sportopleiding gegaan. Anne-Fleur werd verpleegkundige heel passend bij haar warme karakter.
Nu, volwassen, kwamen we elkaar nauwelijks nog tegen. Alleen als we met feestdagen uit Groningen weer het dorp invoeren. Ik was nauwelijks hetzelfde: van een magere jongen was ik een brede vent geworden, terwijl Anne-Fleur altijd dat vriendelijke gezicht, die blauwe ogen en haar tengere figuur had behouden.
Zij was jong getrouwd, nadat haar ouders waren omgekomen bij een auto-ongeluk. Ze zocht warmte, wilde het verdriet vergeten in de geborgenheid van een eigen gezin. Haar man Ties bleek het tegenovergestelde van de rustige partner die ze verdiende: luidruchtig, slordig, met een flinke slok op. Ze kregen een zoontje, Julian.
Zelf dreef ik niet bepaald naar een huwelijk. Tot moeders verbazing schopte ik het tot directeur van een sportcomplex in Leeuwarden; blijkbaar lag organiseren mij beter dan huiswerk maken.
Mijn zussen hadden eigen gezinnen opgebouwd en woonden in de stad. Voor Anne-Fleur liep het huwelijk ondertussen spaak. Moeder wist alles, ze kwam immers nog vaak bij Anne-Fleur over de vloer:
Het lijkt hier wel mijn eigen verhaal, jongen: haar man lust er eentje, is altijd op pad, het huishouden een bende. Alles begint van haar ouders te verdwijnen: radio, kleren, zelfs haar moeders servies en gordijnen alles door hem verpast. Wat moet dat toch…
Het maakte me woest. Waarom had ze niet gewacht op een betere man? Ons pap was precies hetzelfde… zei ik, en Anne-Fleur gaat nu hetzelfde doorstaan.
Ga je haar helpen, jongen? vroeg moeder benauwd. Ze moet zichzelf redden; bemoei je er niet mee. Andermans gezin blijft andermans zaak.
Maar ik vertelde haar over die zomeravonden, hoe Anne-Fleur mij als jongen pitten en koekjes gaf, hoe ik daarvan had mogen meegenieten. De gedachte dat zij nu honger en zorgen moest lijden, met een kind onder haar arm, dat kon ik niet hebben.
Doe maar niets overhaast, Jeroen, waarschuwde moeder. Straks beland jij nog in de gevangenis na ruzie met die vent van dr. Als je echt helpen wilt, doe het gewoon stilletjes.
En dus reed ik terug naar Leeuwarden. Twee dagen later stond ik bij moeders voor de deur met een auto vol eten: zakken zonnebloempitten, dozen vol boodschappen, pakken koffie, snoep en verse kleding.
Wat is dit nu weer? riep ze uit. Ga je bij mij intrekken, Jeroen? Dat zou wat wezen!
Nee joh, mam. Ik heb mijn werk en huis in de stad. Dit zijn boodschappen verdeel het zelf. En die pitten je weet voor wie die zijn. Geef het aan Anne-Fleur, maar niet te opvallend, oké? Stapje voor stapje, zonder dat iedereen het ziet.
En je zussen dan? vroeg ze. Moeten die niet…
Die krijgen van mij genoeg, mam. Gun Anne-Fleur en haar kind deze hulp maar. Hun vaders zijn tenminste goed, die van Anne-Fleur helaas niet.
Dus moeder regelde alles zoals ik vroeg. Wekelijks bracht ze iets naar Anne-Fleur, die in het begin bescheiden weigerde, tot ze op een avond de zak pitten aanpakte en tranen in de ogen kreeg. Ze wist meteen van wie het kwam.
Doe Jeroen de groeten en dank hem, zei ze moeder. Het is wat zoveel jaren voorbij, en hij denkt nog steeds aan mij. Maar vertel hem: hij hoeft zich geen zorgen te maken. Ik heb twee weken geleden de scheiding aangevraagd. Het is bijna voorbij.
De tijd verstreek. Anne-Fleur werd inderdaad een vrijer mens, haar huis werd gezelliger en haar zoontje lachte weer. Moeder paste soms op haar zoontje, die haar oma noemde. Iedere keer als ik langskwam, bracht ik een nieuwe bal of puzzel voor hem mee. We dronken thee, haalden herinneringen op, en verzwegen alles over die ellendige jaren.
Langzaam nestelde Anne-Fleur zich in mijn gedachten. Elke keer hoorde ik mezelf vragen:
Is Anne-Fleur nog langs geweest, mam? En was Julian vandaag bij je?
Jongen, je zou eerst eens naar mijn gezondheid mogen vragen! grapte moeder dan.
Tot ik op een dag een bos witte chrysanten uit mijn auto haalde, recht naar haar huis liep, het geklets van dorpsbewoners negeerde, en mijn moeder bedankte voor haar begrip. Jij ziet alles, mam. Dank je.
Toen ik bij haar huis aankwam, wist ik niet dat Anne-Fleur, in het schemerdonker, vanachter het gordijn naar mij en de bloemen stond te kijken.
Die dag begreep ik iets wat me altijd was ontgaan: ware vriendschap en kleine gebaren blijven iemand altijd bij. Soms, als het tij keert, blijkt precies dat het begin van een nieuw, gelukkiger hoofdstuk.






