Pieter groeide op in een groot gezin. Zijn vader, een man die niet vies was van een borrel, zwierf van baan naar baan, terwijl zijn moeder zich uitputte op het postkantoor en thuis in de huishouding om drie kinderen te voeden.
Pieter was de oudste, dus hielp hij zijn moeder waar hij kon: hij zorgde voor zijn jongere zusjes, haalde water, droeg hout, en later, toen de meisjes groter werden, hielpen ook zij mee in het huishouden. Tegen die tijd was hun vader al overleden; vergiftigd door een of ander spul dat hij met vrienden had gedronken. Het leven werd er niet makkelijker op.
Hun moeder huilde vaak en sprak haar verdriet uit over haar man:
“Wat een dronkaard was het, maar hij was wel rustig, maakte nooit ruzie. En hij bracht tenminste toch nog een beetje geld mee… Ach, Wouter, wat heb je met je domme hoofd gedaan… Waarom liet je ons achter…”
Pieter wilde haar jammerklachten niet horen. Snel deed hij zijn klusjes en glipte dan het huis uit, richting zijn vrienden, met wie hij ‘s avonds samenkwam. De kinderen verzamelden zich bij een oud huis aan het einde van het dorp.
Het huis stond al jaren leeg, maar de ruime, stevige stenen stoep fungeerde als hun bankje. Daar zaten ze op een rijtje als mussen, kraakten zonnebloempitten en vertelden om de beurt stoere verhalen verzinsels en echt gebeurde dingen.
Pieter had geen geld voor zonnebloempitten; zijn moeder kocht ze nooit, ze moest immers op alles besparen. Maar zijn vriendin en buurmeisje Fenna deelde altijd haar pitten met Pieter. Ze deed dat zonder ophef, stiekem bijna; ze stopte hem steeds weer wat in zijn broekzak of handen, warme, geurige pitten…
Zachtjes fluisterde Pieter dank je wel, en genoot volop van het lekkers, net als de rest. Hij had het gevoel dat Fenna speciaal naast hem kwam zitten om hem te traktereneerst was hij wat verlegen, maar later raakte hij eraan gewend en zocht hij zelf haar gezelschap op.
Toch stond het Pieter tegen om zomaar iets aan te nemen. Dus ging hij, als Fenna na het eten in de moestuin werkte, even langs. Na het begroeten vroeg hij steeds hetzelfde:
“Zijn jouw ouders werken?”
“Ja, natuurlijk. Ze werken altijd op dit tijdstip.”
Dan kwam Pieter op zijn hurken tussen de groenterijen zitten en wiette vlug doodleuk onkruid, terwijl ze een beetje kletsten. Fenna sloeg zijn hulp niet afze was gek op praten en in het gezelschap van Pieter ging het werk haar lichter af. Na het werk bracht ze een potje thee en een schaal stroopwafels en dropjes naar de tuin. Pieter protesteerde voor de vorm, maar Fenna liet hem niet gaan voor hij een plakje cake en een kop thee had gehad.
Snoep was thuis bij Pieter een zeldzaamheid, hoogstens op Sinterklaas of op Koningsdag. Dus van binnen was hij Fenna dankbaar voor haar gulheid.
Pieter deed zijn best op school, wilde niet onderdoen voor de rest. Maar leren ging moeizaam, alleen in sport stak hij iedereen naar de kroon. Niet vreemd dat hij na de middelbare school koos voor de opleiding Lichamelijke Opvoeding. Fenna werd verpleegster.
Als volwassenen zagen ze elkaar zelden, meestal alleen als ze met feestdagen naar hun geboortedorp terugkwamen. Pieter was onherkenbaar veranderd: het magere jochie was een gespierde man geworden. En Fennanog steeds die blauwogige, lieve, tengere, altijd glimlachende meid.
Ze trouwde jong, kort nadat haar ouders om het leven kwamen bij een verkeersongeluk. Fenna zocht troost in de liefde, ze hoopte met een eigen gezin iets van de pijn te vergeten.
Toen Pieter hoorde dat Fenna ineens met een jongen uit het dorp, Sjoerd, was getrouwdeen losbol en kletskouswas hij verbaasd. Zon stelletje, dat had hij nooit zien aankomen. Maar ze begonnen hun leven samen, en binnen een jaar kregen ze een zoontje.
Pieter had geen haast met relaties. Tot verrassing van zijn moeder bleek hij op de sportacademie goed te kunnen organiseren; kort daarna werd hij aangesteld als directeur van het sportcentrum in Haarlem.
Zijn zusjes waren inmiddels ook settled in de stad. Maar met Fenna en haar man wilde het niet boteren…
“Moet je horen wat ik heb gehoord,” vertelde zijn moeder hem. “Fenna’s man lijkt sprekend op onze oude vaderzuipt, zwerft, nergens te vinden. Om kind of vrouw geeft hij niks. Vreselijk. Ik voel zo met haar mee!”
Pieter sloeg met zijn vuist op tafel.
“Wat een eikel, waarom is ze met zo’n vent getrouwd? Ze had het eerst goed… Nu wacht haar alleen maar ellende. Ik herinner me onze vader nog maar al te goed…”
“Precies,” knikte zijn moeder, “die man sleept alles het huis uit voor de drank. De oude radio, zijn kleren, zelfs de kristallen vaas van Fenna’s ouders, alles wordt verkocht. En er zijn altijd wel van die types die het kopen… Iedereen weet dat het naar de jenever gaat, maar toch kopen ze het.”
“Komt ze soms geld lenen?” vroeg Pieter recht op de man af.
“Nee, ze leent niet. Maar financieel heeft ze het héél zwaar. Haar salaris is een schijntje en van haar man krijgt ze niks. Zielig…”
Pieter stond op, ijsbeerde door de kamer, dacht na. Zijn moeder begreep dat ze te veel gezegd had.
“Bemoei je er niet mee, Pieter, alsjeblieft. Het is niet aan ons. Andermans gezin: duister terrein. Ze blijft bij hem; blijkbaar houdt ze toch van hem…”
Toen ging Pieter naast zijn moeder zitten en vertelde hoe Fenna hem als kind altijd pitten, koekjes en thee gaf, en dat hij er niet van kon slapen, nu zijn oude vriendin zoveel verdriet kendeen dan nog met een kleintje erbij…
“Wat ga je doen, Pieter?” vroeg zijn moeder geschrokken. “Maar hou je alsjeblieft rustig… pak die vent niet aan, laat hem niet je leven ruïneren. Wij kunnen alleen op een andere manier helpen…”
Pieter knikte, vertrok naar Haarlem en kwam een paar dagen later terug met zijn auto vol tassen, dozen en pakken vol boodschappen en kleren.
“Wat is dit, ben je hier komen wonen, Pieter? Wat heerlijk, eindelijk weer een kind thuis”
“Nee joh, mam. Ik moet werken in Haarlem, daar heb ik mijn huis. Dit is voor jou, kijk maar eens. Schrik niet van al die zonnebloempitten. Fenna snapt het wel. Zelf geef ik haar niks, dat staat zo gek. Jij mag het uitdelen, wanneer je wilt. Zelf eten mag, maar help haar ook.”
“Wat, en je zussen dan? Die hebben ook toch wat nodig?”
“Je weet dat ik iedere feestdag geld naar ze overmaak. Die hebben het prima getroffen, met goeie mannen allebei. God zij dank.”
“Ja, God zij dank,” herhaalde zijn moeder.
“Ik ga nu terug, mam. Wees niet zuinig, help Fenna gewoon, maar doe het rustig aan, zonder dat de hele buurt het ziet. Als het opraakt, breng ik weer nieuw. Eén ding is zeker, honger hoeven jullie nooit te hebben.”
Pieter gaf zijn moeder een knuffel en een kus en vertrok. Zijn moeder liep naar de voorraadkamer. De zakken zaten vol met de mooiste zonnebloempitten.
“Zo, straks lekker roosteren dat wordt smullen,” juichte Nienke van Vliet als een klein kind.
Er stonden dozen met gecondenseerde melk, bonen in blik, rijst, pasta en pakken bloem. In een aparte tas zaten zakken snoep. Die legde ze in de buffetkast. Ze zuchtte om de gulheid van haar zoon.
Pieter had haar altijd verwend met lekkernijen uit de stad: chocolade, verse haring (waar zijn moeder dol op was), maar vandaag was het wel heel veel.
“Ach, Pieter, je bent mijn schat, jongen. Maar waar is jouw geluk gebleven?”
Nienke deed alles zoals haar zoon gevraagd had. Ze ging elke week bij Fenna langs, ‘s avonds, en bracht dan een pakje dat ze onder haar jas verborgen hield.
Fenna weigerde aanvankelijk, maar toen Nienke op een dag een hele emmer pitten bracht, begreep Fenna meteen van wie alles afkomstig was.
Ze barstte in tranen uit boven de pitten, liet ze door haar vingers glijden. Toen zei ze tegen Nienke:
“Zeg Pieter maar bedankt… Dat hij dit nog weet na zoveel jaren. Ik ben hem zo dankbaar. Maar hij hoeft zich geen zorgen meer te maken om ons. Ik heb twee weken geleden de scheiding aangevraagd. Binnenkort zijn we van dat ongeluk af. Hoop ik.”
Nienke knikte en vertrok. Ze wist niet goed wat ze moest denken. Fenna zou straks vrij zijn. En haar Pieter was niet getrouwd…
“Dat zijn nog eens dingen,” mompelde ze. “Zou Pieter toch met haar willen trouwen?”
Maar de tijd verstreek. Nienke bleef trouw pakketten bij Fenna brengen, ze dronken samen thee en Fenna nam met verontschuldigingen steeds wat in ontvangst; ooit zou ze het terugbetalen, zei ze. Nienke snoerde haar de mond:
“Niet voor jou, voor je zoontje. Als jij tegen kleine geschenken bent, laat het jochie dan niet tekortkomen. God helpt soms via andere mensen, snap je?”
Fenna was inmiddels gescheiden en woonde al een jaar op zichzelf. Ze was vrolijker geworden, had nieuwe gordijnen opgehangen; haar zoontje Woutje leek als twee druppels water op haar.
Nienke paste soms op, Woutje noemde haar oma. Pieter kwam vaak en bracht Woutje altijd een cadeautje. Ze kwamen elkaar vaak bij moeder tegen, dronken thee, haalden jeugdherinneringen op, maar spraken nooit over Fennas mislukte huwelijk. Alsof die vier jaar gewoon niet hadden bestaan.
Nu kwam Pieter steeds vaker langs bij zijn moeder. Hij stelde zelfs haast standaard dezelfde vraag:
“Is Fenna nog geweest? Is Woutje vandaag bij jou?”
“Zoon, je kan toch ook eens naar mijn gezondheid informeren, hè?” lachte zijn moeder.
“Sorry mam Hoe gaat het met je?” glimlachte Pieter, terwijl hij al door het raam naar de overkant tuurde.
“Al goed, ga jij maar. Ze is thuis vandaag, wacht waarschijnlijk ook. Jullie hoeven het toneelstukje niet langer te spelen; het hele dorp praat er al over. Ga nou maar…”
“Typisch ons hè,” lachte Pieter, “voordat je het zelf beseft, heeft het dorp je allang aan elkaar gekoppeld.”
Ineens omhelsde hij zijn moeder.
“Wat is er jongen?” vroeg Nienke verbaasd.
“Dankjewel mam dat je alles snapt. En dat je het gewoon aanneemt zoals het is. Dankjewel.”
Nienke sloeg een kruisje, ging naar het kleine altaartje. Pieter griste uit de hal een bos witte chrysanten.
Niet bang voor blikken liep hij naar Fennas huis. “Laat ze maar fluisteren, die vrouwen Ze zouden eens moeten weten!”
Hij liep naar het huisje dat hij als kind al kende, niet wetend dat Fenna met ingehouden adem in de donkere kamer achter het gordijn stonden hem met bloemen aan zag bellen.






