Pietje. Een Vertelling

Pietertje. Een verhaal

Het raam van de ziekenhuiskamer stond open. s Ochtends had de verpleegkundige het wijd opengezet, typisch Nederlands: frisse lucht is immers heilig. De lucht rook zo schoon als een pasgewassen dekbed, de vitrage wapperde gemoedelijk, het groen van de bomen buiten was een lust voor het oog. Gelukkig, het was nog niet zover dat het zonnetje je tot een vaatdoek reduceerde het was fris genoeg.

Pietertje was onlangs “gezegend” met de verwijdering van z’n blindedarm. Ze zeiden dat het op het nippertje was, best spannend allemaal, maar Pietertje, ach, die was nergens bang voor.

“Heb je geen schrik voor een prikje?” vroeg de verpleegkundige met een grijns terwijl ze wat lucht uit de spuit liet ontsnappen.

Pieter draaide zich zwijgzaam op zijn zij opstaan was nog even niet toegestaan.

Alsof ík nu nog schrik zou hebben

Ze hadden hem opgehaald van een steegje. Niet dat hij daar als een zwerver rondscharreldePietertje was opgegroeid in een kindertehuis. Hij was met een paar jongens van de markt teruggelopen, waar ze stiekem probeerden bij te verdienen, en toen kreeg hij opeens die bonkende pijn.

Het enige waar hij spijt van had? Dat hij Lennart en kleine Sietse ermee had opgezadeld. Nu was er dikke paniek in het kindertehuis. Gisteren na de operatie kwam mevrouw Van Kooten, de adjunct-directrice, half bezorgd doen. Pieter lag nog half onder narcosehij wist alleen nog dat ze kwam, zich kwispelend over hem boog, maar verder: het was een waas.

Waarom kreeg ik niet dáár die pijn, op het terrein van het internaat? Was zo dichtbij. Tja, gebeurt juist op zo’n rampzalig moment

Hij gaf de schuld aan de abrikozen. Op de markt hadden ze een kist met mindere kwaliteit abrikozen gekregen, maar ze waren zoet als stroop. Dus ja, als een echte Nederlander, alles opgegeten, geen kruimel verspild, en kijk.

“Hé, held! Hoe is het?” Een oudere arts met een bos haar op de armen kwam het litteken inspecteren. “Nou, het ergste heb je gehad. Nergens bang voor, hè?”

“Ben ik ook niet,” zei Pieter.

“O zo?” De arts fronste. “Eigenwijze knul! Tot vanavond alleen vla. Geen snoeperijen, geen bezoek. Even afzien, hoor!”

Pietertje knikte uit beleefdheid. Snoep? Wie zou dat brengen? In het tehuis waren ze allemaal boos omdat hij het personeel in de nesten had gewerkt. Stiekem met zn allen naar de markt, met een shortcut door een gat in het hek, en natuurlijk kreeg híj het voor elkaar om onderweg een galopperende buikpijn te krijgen.

Maar de dokter had gelijkPieter was stoer, niet uit principe, gewoon, de wereld dwingt het af. Zijn moeder had hem blijkbaar per ongeluk gehoudente gierig voor abortus, gokte hij. Hij was tien, maar zo dacht iedereen in het tehuis.

Raar genoeg was hij niet boos op zijn moeder. Eigenlijk was hij zelfs dankbaar. Had ze hem meteen afgestaan? Ja. Maar dank je wel, mamhij ademde tenminste.

De eerste jaren zat hij in een kindertehuis in Arnhem, daarna Utrecht, en nu, tja, ergens in Noord-Holland. Zo ver hij zich kon herinneren, ging het leven over overleven.

Hij dacht terug aan de vechtpartijtjes om voedsel in de eetzaal. Het was gewoon jaren zeventig, maar zelfs toen verdwenen de beste spullen ‘spontaan’ de autos van het personeel in. Ja, niet alleen ruzie om het eteneigenlijk over alles. Hij groeide sterk op. Soms braken er armen. Die kapster die hun hoofden strak kaal schoor, werd ooit bijna emotioneel bij het zien van zijn schedel: het ene litteken na het ander.

Waarom huilen? Pieter huilde nooit.

En nou zouden ze hem bang willen maken met een lullig litteken of een prik?

Tja, geinig hoor.

Volwassenen, die kon hij niet serieus nemen. Hij was geen schattig meisje, niet klein of aandoenlijk, eerder grofgebekt, een beetje brutaal, recht voor zn raap.

“Let op, Van Vliet!” riep mevrouw Van Kooten vaak boos. “Nog één streek en je zit in de isoleercel!”

Hij protesteerde niet, maar onderdanig? Ammehoela. Hij had z’n eigen regels.

Eén volwassene herinnerde hij zich soms met warmte. Het was geen moeder, want hoe denk je daaraan, als je haar nooit gehad hebt? Maar een vrouw die ooit hij was zes een tijdje kwam werken in het tehuis in Utrecht. Haar naam was hij kwijt, maar haar blauwe ogen, haar zachte handen en de geur van haar trui: die bleef. Ze nam hem op schoot en fluisterde:

“Jij moet sterk zijn, Pietertje. Goed eten, niet jezelf vergeten, luisteren. Het wordt soms zwaar, maar je kan het. Gewoon proberen, oké?”

Daarna zong ze liedjes. Vooral Poesje Mauw in een soort slaapliedje:

Poesje mauw, kom eens gauw,
k heb nog lekker melk voor jou,
Melk voor jou en voor mij,
En voor de hele familie erbij.

En hoewel Pieter zichzelf al heel groot vond, neuriede hij dat liedje weleens zachtjes als het allemaal te ingewikkeld werd. Dan deed hij z’n ogen dicht, dacht aan die warme armen, en het werd wat lichter.

Zij verdween op een dag; alleen het lied en de herinnering bleven. Hij noemde haar in zijn hoofd “mam”, hoewel zij natuurlijk gewoon een invaller was geweest. Maar dromen mag toch?

De verpleegkundige deed het raam dicht en begon het bed tegenover hem op te maken. Pieter vond het wel wat; eindelijk iemand erbij, want alleen zijn was saai.

Al gauw reed er een brancard naar binnen, gevolg door een zwerm volwassenen in witte jassen. Tja, typisch Hollands: altijd drukte als het niet hoeft. Pieter zag niet alles, maar genoeg om te weten dat er een dun, scherp neusjongen op het bed lag met een infuus in zijn arm. Na het vertrek van de dokters bleven alleen de verpleegkundige en een man in een witte jas over.

Er werd nauwelijks gepraat.

“Het beste is dat hij slaapt,” zei de verpleegkundige.

“Prima. Dank je.”

“Roep maar als het moet…”

“Komt goed.”

De verpleegkundige vertrok. De man zat doodstil, de handen gevouwen, hoofd gebogen, rug naar Pieter toe. Zijn zoon dutte.

Het was warm in de kamer, maar de man hield zijn jas aan. Pieter dacht: volgens mij dommelt hij.

Pieters rug werd moe van het liggen, hij draaide zich bed kraakte. De man keek om. Rimpel tussen de wenkbrauwen, wallen, maar een vriendelijke blik.

“Dag jongen,” fluisterde hij, alsof hij vergat dat Pieter er lag.

“Dag meneer,” mompelde Pieter.

De man rechtte zijn rug: “Ben jij geopereerd?”

“Ja, ze hebben m’n blindedarm eruit gehaald.”

“Dat is boffen. Opstaan nog niet?”

“Nee, mag nog niet.”

“Wil je iets hebben?”

“Mag niks tot vanavond, zeggen ze. En dat andere jongetje? Wat heeft hij?”

“Sam?” De man keek om, fronste. “Andere ziekte. Vind je goed dat ik blijf? Helpen als nodig. Als er iemand bij jou komt, dan ga ik wel.”

“Prima,” schudde Pieter. Alsof hij anders kon.

De man schoof rustig een stoel bij Pieters bed. “Hij heet Simon, elf. En jij?”

“Pieter. Ik ben tien.”

“Dank je, Pieter,” zei de man. Pieter snapte niet waarvoor, maar goed.

De volgende dag was het een gezellige boel in de kamer. Sjoerd eigenlijk Simon, maar iedereen noemde hem Sjoerd kreeg infusen, dokters kwamen langs, zijn vader sliep daar gewoon. Sjoerd lag stil, bewoog amper, leek te slapen.

Toen kwamen zijn ouders, een oudere vrouw en een wat jongere, krullend haar in een staart. Zijn moeder, bleek en met rode ogen. Ze werd steevast neergezet naast haar zoon, bleef maar aaien en praten. Zijn vader Diederik vroeg de arts: “Kunnen jullie Pieter niet op een andere kamer leggen, mijn vrouw trekt het slecht.”

“Doe ik,” zei de arts. Even later kwam hij bij Pieter.

“En, ouwe jongen, doet het zeer?”

“Klein beetje,” grijnsde Pieter bescheiden.

Die nacht was ellendig; Pieter kon amper slapen, het litteken trok, de katheter zat in de weg, en, typisch, vergeten te eten te geven.

“Vandaag mag je proberen te lopen,” zei de arts. “We verhuizen je. De zuster haalt zo de katheter weg.”

Pieter wilde dolgraag eruit, maar de zuster liet op zich wachten. Toen ze kwam, bleef die stille vrouw Lotte, geloofde Pieter achter bij Sjoerd. Ze keek Pieter amper aan, vocht met een dekentje, bracht af en toe wat water naar Sjoerds lippen. Pieter wou zn eigen kleren, maar durfde niet te vragen, want tieners zonder ouders is in Nederland ook gewoon een dingetje.

“Wie zit er nou op jou te wachten,” bromde de zuster, die nauwelijks keek. “Kom, ik doe het zo.”

Inderdaad, binnen een wip was dat gepiept. Pieter wilde opstaan, de kamer rondlopen, en huppakee: ziekenhuispyjama aan. Veel te groot natuurlijk; elastiek straktrekken, omslaan, dat was hij gewend.

“Even de broekspijpen omhoog,” zei Lotte zakelijk. Ze knielde naast hem om te helpen, bleef iets té lang prutsen Pieter werd draaierig.

“Ik ga omvallen, hoor…”

“Sss, rustig aan.” Lotte tilde hem op de stoel. “Jij bent me er eentje. Heb je gegeten vandaag? Hoe heet je eigenlijk?”

“Pieter.”

“Ik ben Lotte. Piet, moet je moeder niet bij je zijn? Of zal ik haar bellen?”

“Heb geen moeder.”

“En… een vader, een oom, buren?”

“Nee hoor, gaat wel weer, toilet roepen.”

In het toilet bekeek Pieter zichzelf goed in de spiegel. Paarse kringen, witte lippen, maar die zwarte Hollandse ogen blonken als het stuur van een Batavus. Toen, terug op de kamer, had iemand vla gebracht.

“En gij nu zelf je eten halen, als je opstaat,” sputterde de schoonmakeress. “Stoere jongen.”

“Laat maar hoor,” zuchtte Lotte, “ik haal het wel voor hem, dat trapje naar beneden is niet te doen.”

Pieter sjokte door de kamer. Sjoerd lag mooi te wezen een echte moederskind, knappe krullen, te dun voor zijn lengte.

“Gaat-ie dood?” vroeg Pieter onverzettelijke directheid, komt met jaren kindertehuis.

Lotte schrok.

“Dat weten ze niet. Maar ja, Sjoerd is heel ziek. Vier operaties, steeds weer terug. Zijn ouders zijn uitgeput. Ik ben zijn tante, de zus van zijn vader. Maar je weet nooit, soms gebeuren er wonderen, hè?”

“Geen idee,” zei Pieter, terug op bed.

Hij dacht na over Sjoerd. Wat een leven had dieouders, familie, alles geregeld. Maar toch, kijk hem dan, doodziek.

Tja, geluk is grillig…

Pieter werd uiteindelijk niet verhuisd. Elke avond kwam meneer Diederik bij Sjoerd. De kamer was druk en Pieter hoorde ze praten dat hij geen bezoek kreeg.

“Piet, dokter zegt dat je uit het kindertehuis komt?”

“Klopt.”

“Wil je niet liever naar een andere kamer? Sjoerd is erg ziek” Diederik zuchtte.

“Nee, ik blijf liever. Mag dat?”

Vier dagen kabbelen zo voort, tot Pieter koorts kreeg en terechtkwam in een bejaardenzaal. Sloom, zich rot vervelend, zwierf hij vaak terug naar Sjoerd. Niemand joeg hem weg.

De ontslagdatum werd uitgesteld. Diederik, zo bleek, wist inmiddels alles van Pieter. Via de omweg van praten en luisteren, had hij kleding voor Pieter meegenomen.

“Komt dit van Sjoerd?”

“Ja,” knikte Diederik.

“Maar wat als hij toch beter wordt?”

Diederik keek Pieter wat vreemd aan. In de familie werd het woord doodgaan niet in de mond genomen. Zelfs toen Sjoerd steeds zieker werd, had niemand het hardop gezegd.

“Het lijf geeft het op,” antwoordde Diederik op een dag. “We doen alles ervoor dat hij geen pijn heeft. Zo hoort dat.”

“Is doodgaan pijnlijk?” vroeg Pieter, intussen Sjoerds shirtje samenknijpend.

“Sneller dan slapen, en pijn doen we zo min mogelijk,” zei Diederik.

“Maar hij beweegt nog.”

“Klopt, daarom praten we met m. Misschien hoort hij het.”

s Avonds, toen Diederik even de kamer uit was, zat Pieter bij Sjoerd, hield zijn hand vast.

“… en ik weet niet waar mn moeder is. Misschien leeft ze niet meer. Ze heeft me achtergelaten, maar ik neem het haar niet kwalijk. Als ze zou komen, zou ik haar vergeven. Echt wel. Trouwens, niet doodgaan, oké? Jouw moeder huilt zich suf. En je vader zo eentje wil iedereen. Ik zal je kleren netjes houden, heb er genoeg. Je moet gewoon blijven leven, oké? Probeer het, echt proberen.”

Diederik stond in de gang, brok in zijn keel. Pieter viel hem op: die jongen praat, leeft mee, is voorzichtig, kan het goed verwoorden. Een onverwachte frisse wind.

Sjoerd stierf die nacht. Pieter had niks door. De volgende ochtend at hij zijn ontbijt, liep naar de kamer… De bedden waren opgemaakt. De nieuwe patiënt was al binnen.

“Waar is…?,” wees Pieter naar het lege bed.

“Weet ik niet ze hebben hier zoveel zieken,” kreeg hij als antwoord.

Halsoverkop spurtte Pieter naar de balie, verpleegkundige nergens. Dan de artsenkamer ook niet. Een jonge arts keek op, vragend.

“Sjoerd? Waar is Sjoerd?”

De arts keek Pieter ernstig aan. “Hij was heel ziek, jongen. Helaas, hij is overleden. Dat gebeurt.”

Pieter schudde kwaad. Hij was boos op alles, de hele onverschillige Nederlandse ziekenhuisbende kon de boom in.

Boos schopte hij een emmer water omver; schoonmaakster stampvoetend achter hem aan, artsen schoten de gang op, verpleegkundigen mopperden. Pieter rende weg, ging op zijn eigen bed zitten, handen tegen de oren gedrukt.

Een heel ziekenhuis, met al die dokters hadden ze echt niks kunnen doen?

Zijn vriendschap met Sjoerd was wat eigenaardig. Nog geen tien woorden met hem gewisseld, maar toch, een vriend. Pieter had hem alles toevertrouwd. Over zijn moeder, de vrouw-met-het-liedje, over straatruzies, de blauwe plekken.

En toen, die nacht, droomde hij dat Sjoerd uit bed kwam, flauw lachend. Pieter wilde hem overeind trekken, maar Sjoerd vroeg gewoon te mogen zitten. Met een stem hoog als een meisje vertelde hij over zijn leven. Waarover? Dat wist Pieter niet meer. Maar wel dat Sjoerd door het raam keek, opstond, op de vensterbank klauterdePieter schrok wakker.

De takken wiegden buiten, de maan scheen. Sjoerd kronkelde over zijn kussen, terwijl zijn vader sliep. Pieter ging bij hem zitten, pakte zijn magere handjes en zong zacht wat hij nog van Poesje Mauw wist.

Vanaf toen praatte Pieter in gedachten met Sjoerd. Sjoerd vertelde over familievakanties aan de Noordzee, zijn opa, een generaal (want dat hoort zo), over de basisschool, zijn kamer vol speelgoed, hoe zijn moeder hem iedere ochtend wekte.

Eigenlijk vertelde Sjoerd precies het leven dat Pieter zich altijd had voorgesteldpure televisie. Fantasieën, toegegeven, want hij had zelf nog nooit in een gezin geleefd, of een huis gezien met meer dan een kamer, en in de hal hadden ze natuurlijk allemaal hun eigen schoenenkastje. En op donderdag altijd vis.

***

Het was gek maar waar: toen Sjoerd gestorven was, haalde Diederik opgelucht adem. Niet uit gebrek aan liefde integendeel. Sjoerd had niet echt meer geleefd, het was wachten, niet leven. Nu moest Diederik het alleen zien te accepteren, zijn vrouw Sofia meekrijgen, en verder.

Steeds vaker dacht hij aan Pieter. Niet dat nu het moment voor adoptie wasSofia zou nog denken dat hij gek was. Alsof je een kind vervangt één-op-één. Wat een onzin. Sjoerds schilderij stond vol bloemen in de kamer, Sofia zat er dagelijks bij, kaarsen aan, kerkje hier, graf daar. Acht jaar geleden had ze een miskraam, kinderen zouden er niet meer komen.

En Pieter? Tja, een vader en moeder zou hij nooit in het echt hebben.

Hij was zo anders: ongepolijst, een binnenvetter, met gitzwarte ogen. Diederik hoorde hoe hij praatte en dacht: dit kind heeft een gouden ziel.

“Sof, ik was in het ziekenhuis, Pieter is ontslagen. Ze hielden hem nog even, maar nu is hij weg.”

Sofia keek hem verbaasd aan. “Waar was dat goed voor?”

“Tja, moest wat papieren oppikken. Ze hadden het erover dat Pieter uit z’n dak ging toen hij hoorde dat Sjoerd weg was. Alles bij elkaar schreeuwspel.”

Sofia zuchtte. “Och joh, dom ventje.”

“Dat kun je zeggen…”

“Maak je niet druk om mij. Ik kom wel weer op de been.”

“Goed.”

“Maar geen adoptiepraat, Diederik, hoor je?”

Diederik knikte. Maar in het weekend trok hij toch naar het kindertehuis. Gewoon om te zien wat de sfeer was. Onderzoekend als een Hollandse boer voor hij tulpen poot. Het personeel gaf zich niet zomaar gewonnen; Pieter mocht hij niet ontmoeten. De directrice vond het allemaal maar verdacht gedoe.

Hij dacht aan zijn oud-klasgenoot Tessa Brouwer, nu pleegzorgcoach. Die moest hij hebben. Korte tijd later zat hij aan haar keukentafel. Tessa begreep alles, ze wist dat alleen met Sofias toestemming én met die van Pieter er iets mogelijk was.

Diederik legde zich niet neer bij een nee. Hij ging langs bij de gemeentelijke jeugdzorg, regelde wat papieren voor het geval dat. Daar waren zejawel, het gebeurt in Nederlandheel behulpzaam.

Lotte en haar vader wisten het. Lotte vond Pieter “bijzonder”, en samen spraken ze met Sofia.

Sofia huilde steeds bij het woord Pieter. “Hij kan Sjoerd nooit vervangen!”

“Moet ook niet,” zei Diederik. “Hij is geen Sjoerd, hij is zichzelf. Je had hem moeten horen, hij bad dat Sjoerd wakker zou worden. Die jongen redt mij soms meer dan ik hem!”

“Niet op me inpraten nu…”

“Geen druk,” zei Diederik.

De eerste ontmoeting? In het kantoor van de directrice stond Pieter zo stijf als een plank. Knikte nauwelijks, zelfs geen hand van Diederik. Tessa zat erbij, zwijgend, observerend.

Diederik voelde de kramp. In het ziekenhuis was Pieter open, hier niet. t Lijkt net een totaal ander kind.

Hij wilde iets aardigs zeggen, wist alleen niet wat. Daarna stuurden ze Pieter zelfs eerder terug naar zn groep, hij was helemaal op.

Stoervoorbeeld, mijn neus.

“Volgens mij wil hij niet bij ons wonen,” mokte Diederik in de auto.

“Dat denk ik niet,” zei Tessa. “Hij hoopt vurig dat het lukt. Maar hij is zo bang om te falen.”

“Sofia, zijn we zo eng dan?”

“Jullie zijn echte ouders, dat kent hij niet. Nu denkt hij alleen maar aan jullie.”

Afgesproken werd: Pieter kwam een keertje langs.

De eerste keer aan hun keukentafel: Pieter zat met zwetende handen naar zn kopje te staren, durfde amper te ademen. Alles was te klein, te netjes, te dichtbij. Vooral Sofia was eng.

Toen Diederik zijn lepel liet vallen, sprong Pieter van de zenuwen op.

“Dat moet mij weer overkomen,” grapte Diederik. “Eet je niks? Hier, neem wat aardappels!”

Pieter propte een hap in zijn mond, zonder te kauwen.

“Lekker, toch? Geef maar toe.”

Toen vroeg Sofia: “Zal ik je Sjoerds kamer laten zien?”

Het leek alsof Pieter tot leven kwam.

Binnen rende hij op het portret van Sjoerd af. Ogen blonken, beetje anders dan in het ziekenhuis, glimlachend en open. Het voelde alsof Sjoerd zei: “Ga gerust, ik ben er wel bij.”

“He joh, hier zie je er dikker uit,” grapte Pieter, “Laat eens zien hoe hij hier woonde?”

Sofia haalde een fotoalbum tevoorschijn, maar schoof hem bij hem weg: “Zelf kijken hoor, ik kan het nog niet.”

Pieter bladerde rond, stelde vragen, lachtehet luchtte op.

Toen viel zijn oog op een foto van het strand. “Jullie zijn naar zee geweest!” lachte hij. “Dat vertelde hij aan mij!”

Sofia keek hem verbaasd aan. “Hij kon niet spreken, jongen.”

“Bij mij wel hoor,” zei Pieter eigenwijs.

Sofia ging naast hem zitten. De scherpe pijn maakte plaats voor rust. Samen bladeren ze door de fotos, en, wie weet wel, zou het leven met Pieter de pijn lichter maken.

Plots vroeg ze rustig: “Pieter, als wij je zouden willen adopteren, zou je dat willen?”

Pieter verstijfde, bladerde even door. “Weet ik niet,” mompelde hij. “Sjoerd was aardig. Ik ben niet zo goed, geloof ik.”

Tegen Sofias verwachting in, trok ze hem plotseling stevig tegen zich aan.

“Geeft toch niks. We nemen je niet als vervanger van Sjoerd, maar gewoon als vriend.”

Pieter verstijfde eerst ontzettend behalve bij vechtpartijen was hij in geen jaren aangeraakt. De geur, het warme lijf het kwam allemaal veel te dichtbij.

Ter afleiding bladerde hij door het album. Sofia liet hem niet los, wiegde hem zacht.

Pieter? Die huilde nooit. Nooit.

Maar nu rolde warme, dikke tranen over zijn wangen. Sofia aaide ze liefdevol weg: “Och jongen toch je moet sterk zijn, maar je hoeft niet alles alleen te doen.”

Die woorden, die had hij eerder gehoord.

Het raam stond weer open. De lucht rook fris als lentewei, het oog gleed over het groene gebladerte. Op het portret keek Sjoerd vriendelijk en geruststellend.

En Pieter vroeg ineens, als klein kind: “Kent u toevallig een liedje? Poesje mauw, kom eens gauw Een slaapliedje?”

Sofia knikte: “Die ken ik, moet ik hem voor je uit mn hoofd leren?”

Pieter snoof zijn tranen weg en knikte. Meer hoefde hij nu niet.

***Sofia haalde diep adem en begon te zingen, haar stem zacht maar rond als fluweel:

“Poesje mauw, kom eens gauw,
k heb nog lekker melk voor jou…”

Bij ieder woord werd de kamer stiller, voller van iets zachts, zoals een warme deken na een koude dag. Pieters schouders schokten even en het leek alsof de muren een stukje opschoven om plaats te maken voor alles wat voelde.

Diederik verscheen in de deuropening en leunde tegen het kozijn. Hij keek van Pieter naar Sofia, knikte met een glimlach die zowel verdriet als hoop droeg, en bleef luisteren. De geur van pasgemaaid gras kwam door het open raam binnen; buiten wiegden de takken opnieuw op de lentewind.

Toen het refrein verstierf, bleef het nog hangen tussen hun stemmen. Pieter stak heel voorzichtig zijn hand uit en kneep in Sofias vingers, alsof hij haar wilde vragen: blijf blijf zoals je nu voelt.

Sofia drukte zacht terug. Weet je, fluisterde ze, liedjes blijven altijd. Die kun je overal mee naartoe nemen. Zelfs als je ooit weer bang wordt.

Pieter knikte en keek op, ogen rood maar opgewekt, misschien voor het eerst werkelijk thuisgekomen.

Buiten kraaide een merel en vanachter de vitrage streek een zonnestraal het portret van Sjoerd met milde glans. Pieter volgde het licht, ademde diep in, en voelde zich al iets minder alleen.

In die kamer, aan de rand van verlies, werd onverwacht ruimte gemaakt voor een nieuw begin. Zo klonken de laatste noten als een belofte in de ochtendlucht:

melk voor jou en voor mij,
en voor de hele familie erbij.

Please rate
Bagattia News
Pietje. Een Vertelling