Opa is er niet meer
Sietske was net thuisgekomen na weer een lange zakenreis. Ze had haar jas nog niet eens uit of haar koffer uitgepakt, toen haar moeder belde.
Die stem, hè je kent het wel je hoort meteen dat er iets aan de hand is. Maar omdat Sietske zo moe was, besteedde ze er eigenlijk niet direct veel aandacht aan.
Siess, ben je thuis, lieverd?
Hoi mam. Ja, eindelijk weer. Ik ben nog maar net binnen. Wat is er? Is er iets gebeurd?
Fijn Heel fijn dat je thuis bent.
Je weet hoe dat gaat: je voelt meteen dat je moeder je iets wil vertellen, maar het komt er allemaal niet lekker uit. Ze draait om de hete brij heen, weet niet waar te beginnen, of iets anders houdt haar nog tegen.
Heel even dacht Sietske, Zeker weer roddels uit de straat. Niks nieuws. Maar ze had daar nu gewoon geen puf voor. Het enige wat ze wilde, was op bed ploffen en eindelijk een keer goed slapen, want in de trein had ze geen oog dichtgedaan.
In het aangrenzende coupé zat een groepje jonge gasten luid, veel bier, veel geschreeuw. En ja hoor, gitaar mee, zingen maar
En natuurlijk, klassiekertje, zongen ze ook over haar naam:
Daar stond een blije Sietske, stralend langs de sloot,
Met wind in haar haren, onder de Hollandse zon
Als ze niet zo moe was geweest, had ze er misschien om moeten lachen. Maar nu hoopte ze eigenlijk dat die gitaar gewoon uit elkaar zou vallen. Helaas, dat gebeurde niet.
Mam, mag ik straks even bijkomen? Douchen, wat eten, daarna bel ik je terug en kletsen we bij. Goed?
Dat gaat denk ik niet, meis en haar moeder zuchtte heel diep.
Huh? Wat gaat niet, mam?
Je gaat nu heus niet bijkomen.
Hoezo niet? Ik heb gewoon gewerkt, mag ik toch een keer uitrusten? Er komt geen bezoek, ik hoef nergens heen of weet jij iets wat ik niet weet? Kom jij soms onverwacht op de stoep staan?
Een stilte.
Siets, opa is overleden
Sietske verstijfde. Ze liet zich langzaam op haar bank zakken, de telefoon stevig tegen haar oor geklemd. Dit had ze gewoon echt niet zien aankomen.
Mevr. De Vries, zijn buurvrouw, belde me vanmorgen. Ze wilde opa melk brengen, maar toen lag hij in de gang hand op zijn borst, niet meer ademend. Waarschijnlijk heel de nacht zo gelegen. Siets, we moeten naar Friesland, naar het dorp. Opa begraven. De buren helpen wel waar ze kunnen. Je hoort me toch?
Sietske was er helemaal stil van. Ze wist even niet wat ze moest zeggen, maar ze knikte zachtjes en perste er een Hmhm uit.
Mevr. De Vries heeft nog familie gebeld, maar die komen niet. Ze zeiden dat als ze een erfenis zouden krijgen, dat ze misschien nog kwamen. Maar die oude boerderij van je opa, tja daar zit niemand meer op te wachten.
Na een korte pauze zei haar moeder nog:
Zelf wil ik ook eigenlijk niet gaan. Opa zei altijd dat ik niet meer hoefde te komen, zelfs niet bij zijn begrafenis. En dat heb ik hem beloofd, weet je nog? Dus ik kan het niet maken om toch te gaan. Siets, ik hoop dat jij in zijn plaats kunt gaan. Breng jij opa naar zijn laatste rustplek?
Weer een pauze. Sietske keek ondertussen naar het kastje waar de laatste brief van opa lag een brief die ze nog niet gelezen had. Die brief had ze niet gelijk ontvangen omdat ze toen op reis was.
Drie keer in een half jaar was ze weg geweest voor haar werk. Ze was de enige zonder kinderen, zonder zieke familie, lekker flexibel zoals haar baas zei dus altijd Sietske erop uit.
Siets, weer hoorde ze haar moeders stem. Het is gewoon zo zonde, dat mensen straks denken dat we opa helemaal vergeten zijn. Hij was lastig, dat klopt, maar toch een mens is een mens. En voor jou was hij altijd heel lief. Wat zal ik zeggen tegen Mevr. De Vries? Ga je?
Ja mam, ik ga wel. Maar
Sietske stond op, pakte de brief van het kastje en legde hem weer terug.
Mam, ik snap het gewoon niet. Opa was juist zo vitaal met Oud & Nieuw, toen ik hem nog zag. Hij klaagde nergens over.
Lieve schat, hij was al op leeftijd. Tegenwoordig halen veel mannen die leeftijd niet eens meer. Opa was al over de tachtig. Hij heeft een mooi leven gehad, daar mag je niet over klagen. God hebbe zijn ziel.
Sietske was kapot. Ze hield van haar opa, misschien was zij wel de enige die echt contact met hem hield. De rest van de familie niet meer. Haar moeder had al jaren ruzie met opa; dat hun karakters botsten, was duidelijk.
Opa gaf haar moeder altijd de schuld van het overlijden van haar vader Sietskes vader dus omdat zij hem, naar zijn gevoel, over de kop had gejaagd. Haar vader was ooit leraar, maar hij ging, op aandringen van haar moeder, werken op de bouw en in de ploegen, voor die mooie vakantie, voor het extra geld. En ja, om de boel in huis te verbouwen, nieuwe meubels, noem maar op.
Op een dag kwam hij niet meer thuis. Zijn hart hield er gewoon mee op. Op de begrafenis huilde opa als een klein kind; dat beeld vergeet Sietske nooit meer. Toen al was het contact tussen opa en haar moeder verbroken. En zo is het maar, zei haar moeder altijd. Ik heb niets fout gedaan. Mannen moeten voor het gezin zorgen.
Opa bleef contact houden met zijn kleindochter. Ze kwam vaak bij hem in de zomervakanties, en later schreven ze elkaar brieven. Oude brieven, pen op papier want van smartphones, laptops en al die digitale onzin moest hij niets hebben. Dat is niks voor mij, Siets. Schrijf maar gewoon een brief, dat is vertrouwd.
Sommigen vonden opa een beetje vreemd, een zonderling. Die is niet goed snik, fluisterden oude dames uit het dorp bij de bushalte. Ach ja eerst zn vrouw verloren, toen zn zoon. Hoe zou je zelf zijn?
En de laatste maanden praatte opa volgens de buren steeds vaker tegen een kat een zwarte kat, die niemand had gezien. Hij zou er zogenaamd alles tegen vertellen.
Sietske legde na het gesprek de telefoon weg en keek een hele tijd naar het plafond. Toen vloeiden de tranen vanzelf. Ze wilde zó graag deze zomer weer bij opa langsgaan, maar het was er steeds niet van gekomen door al dat gereis voor haar werk.
Haar baas tja, wat moest ze daar soms van denken? Prima salaris, maar menselijk was het niet altijd. Sietske, er zijn genoeg mensen die jouw baan willen. Niemand houdt je, als je wilt gaan. Toch bleef ze. Uiteindelijk zouden de zakenreizen ophouden en werd alles weer normaal, hield ze zichzelf voor.
***
De begrafenis was, zoals dat in Friesland hoort, sobertjes en waardig. De mannen lieten de kist zakken, iedereen gooide een schep grond, verse bloemen op het nieuwe graf, en daarna was het tijd voor de koffie en die zo typische korte toespraakjes in het dorpshuis. Ze praatten herinneringen op, proostten op opa met een glaasje beerenburg, zoals het hoort.
En juist tijdens die verhalen, het samenzijn, overleeft iemand al is het dan maar in de verhalen van de mensen die hij achterliet.
Toen het eten en drinken op waren, ging iedereen weer. Sommigen naar huis, anderen naar de dorpswinkel. Al snel stond Sietske helemaal alleen op het erf. Het voelde leeg, verdrietig, kaal. Waarom heb ik hem niet nog kunnen zien, voor hij weg was…, dacht ze.
Om haar hoofd leeg te maken, opende ze alle ramen, boende de vloer, veegde spinnenwebben weg, stopte het overgebleven eten in de koelkast. Het rook naar schoon, de spanning werd minder.
Opas huis was ruim, sober maar knus. Ze keek even naar buiten: de avond viel. In de tuin stonden rechte rijen aardbeienplanten, maar de grond lag grotendeels braak opa had blijkbaar dit voorjaar niets meer gepland. Misschien voelde hij dat het op was, dacht Sietske. De oude appelboom stond in volle bloei, net als de bessenstruik en de frambozen.
Ze belde haar moeder en vertelde dat het allemaal goed was gegaan.
Je bent een goeie, Sietske. Wie hij ook was, een mens is een mens, zei haar moeder.
Hij was gewoon normaal, mam. Alleen had hij misschien te veel pech in zijn leven. Dus wees hem maar niet te lang boos, oké? Hij heeft gewoon veel leed meegemaakt. En hij hield zo van papa
Ach schat, het is goed. Laat hem nu maar met rust. Maar, eh wanneer kom je weer naar huis? Is het niet eng, zo alleen?
Nee hoor, ik blijf nog even hier. Ik heb verlof opgenomen, even lekker uitwaaien. En het zijn morgen negen dagen, wil ik graag bijhouden. Kom je nog langs?
Ach nee, meissie ik heb geen tijd, de volkstuin ligt vol onkruid je weet toch, druk met de tuin.
Jammer, mam. Maar je weet dat hier ook t graf van papa is? Je bent daar nooit geweest, he?
Siets, je weet toch dat ik wilde dat we hem in de stad zouden begraven, niet hier. Maar opa stond erop. Nou ja, laat maar Oh, mijn favoriete serie begint, ik moet ophangen. Bel me als er wat is hoor!
Sietske grinnikte zachtjes. Zoals altijd had haar moeder ineens drukke dingen als het te moeilijk werd.
Ze zette thee van gedroogde munt, cassisblad en citroenmelisse van opas eigen voorraad dronk haar kopje leeg, en kroop in bed. Maar ze dacht aan de brief.
Normaal schreef opa over zijn dag, maar deze brief ging alleen over een kat: Zwartje. Een kat die melk dronk, zich altijd verstopte, niet eens door opa gezien was. Dat maakte Sietske nieuwsgierig genoeg om het de volgende ochtend bij de buurvrouw te vragen.
***
s Ochtends werd ze vroeg wakker. De eerste zon viel al zenuwachtig door de gordijnen, de vogels floten, de hanen kraaiden een typisch dorpsbegin.
Ze dacht aan de kat uit de brief en liep meteen richting Mevr. De Vries.
Kat? Welke kat, meid?
Ja in zijn laatste brief schrijft opa alleen nog maar over Zwartje. Ik snap er niks van.
O, wacht, even denken, zei de buurvrouw. Ongeveer een maand geleden hoorde ik hem opeens praten, tegen iets. Ik ben twee keer de tuin doorgelopen: geen kat te bekennen, nooit. Ook binnen niet. Maar hij bleef maar zeggen dat Zwartje zich niet durfde te laten zien, dat hij zich verstopte. Wij dachten tja hij werd een beetje vreemd. Niemand in het dorp mist een kat, en zwarte katten zijn hier sowieso zeldzaam.
Sietske bedankte haar en bleef daarna mijmeren: was opa gewoon eenzaam, of had hij echt een onzichtbare vriend gevonden?
Ondertussen zat er, verborgen in de oude schuur, een zwarte kat haar te bestuderen. Hij volgde haar al dagen. Van alle mensen in dat huis trok zij hem het meest aan misschien omdat ze zo op opa leek. Opa had hem melk gegeven, stukjes worst, aandacht geen druk, geen harde hand.
Hij was gewend geraakt aan mensen die hem afwezen, naar hem trapten, dingen naar hem gooiden. Maar opa was anders. Toch durfde de kat zich niet te laten zien. En nu Sietske daar liep, voelde hij, diep vanbinnen, een voorzichtig vertrouwen.
***
Op de dag van de negen dagen een typisch Friese herinneringsbijeenkomst liep Sietske in de tuin. Opeens zag ze tussen de struiken een zwarte schim. Hé, dat moest Zwartje zijn! Ze riep hem zachtjes, maar bij elke stap vluchtte hij weg.
De buurvrouw hoorde haar tegen niemand praten en dacht verward: Eerst die oude, nu zij ook al aan het kletsen met een onzichtbare kat Zou het besmettelijk zijn geworden?
s Middags trok de lucht dicht, donkere wolken hingen over het dorp. De lucht voelde zwaar, kippen renden onrustig door de tuin van Mevr. De Vries. Een storm kwam eraan Sietske voelde de spanning. Zon echte Hollandse zomerbui, dacht ze.
Ze riep Zwartje naar binnen terwijl de eerste dikke druppels vielen. Maar de kat liet zich niet zien, kroop diep weg, bang voor het onweer en voor mensen.
***
De regen sloeg tegen de ramen, de wind gierde om het huis. Sietske lag woelend onder het dekbed, slapen lukte niet. Elke donderslag leek sterker dan de vorige. En toen: een felle flits, een klap.
Ze sprong overeind en zag in het halve duister een paar groene ogen in het wc-raampje. Voor ze het wist, was er een natte, zwarte bol door het raam naar binnen geslopen, schoot onder haar bed en maakte zich zo klein mogelijk.
Dat moet Zwartje zijn, dacht ze.
Het kostte haar even, maar Sietske kreeg hem uiteindelijk onder het bed vandaan. Ze droogde hem af met een badlaken, en samen doken ze het bed in. Buiten raasde nog het onweer, maar in bed voelde alles veilig en warm.
De volgende ochtend probeerde Zwartje als eerste naar buiten te glippen. Sietske moest lachen. Wacht even, vriend. Eerst ontbijten, dan zie je maar bij mij blijven of toch je eigen gang gaan.
De kat at, twijfelde even, en ging toen weer naar buiten. Sietske pakte haar spullen, moest richting station, maar toen ze de deur achter zich dichttrok, zat Zwartje al op haar te wachten op het stoepje. Hij wreef tegen haar benen. Dus jij kiest ook voor mij, hè? lachte ze.
Ze liep nog even langs Mevr. De Vries om de huissleutels achter te laten. Denk je om het huis? vroeg ze.
Natuurlijk, meisje. Kom nog eens terug, goed?
Zeker weten. Met Zwartje samen.
En terwijl de bus richting stad reed, en Sietske met Zwartje op schoot naar buiten keek, dacht ze heel even opa in de wolken te zien glimlachen. Zelfs Zwartje keek omhoog, alsof hij het herkende.
Misschien was het verbeelding, misschien niet. Misschien was dat gewoon wat je nodig hebt als je afscheid moet nemen.
Eén ding wist ze zeker: opa was niet zomaar verdwenen. Hij leefde door in hun herinneringen, in hun harten waar hij ook is.
En zoals opa altijd zei: Iedereen verdient een thuis. Zelfs een bange zwarte kat.De bus hobbelt voorbij weilanden vol klaprozen en koeien. Sietske voelt de kluwen van verdriet en heimwee langzaam verglijden, elke kilometer verder weg van het huis en toch dichterbij zichzelf. Zwartje rekt zich uit en spint zachtjes, zijn zware kop duwt tegen haar hand. Een warm, klein vertrouwensbewijs.
Ze glimlacht tegen het raam en neuriet heel zachtjes het liedje van vroeger, waar die jongens in de trein zo hard om lachten. Daar stond een blije Sietske
Zwartje kijkt even op alsof hij het herkent misschien hoorde hij opa dat ook altijd zingen.
Onderweg besluit Sietske: ze schrijft een brief, net als opa altijd deed. De eerste is aan haar moeder. Daarna misschien aan zichzelf, over wat belangrijk is; over wat blijft als alles voorbijgaat.
En als ze thuiskomt, opent ze het raam wijd. De vogel op het balkon fluit, Zwartje besnuffelt voorzichtig de nieuwe lucht, het huis, de planten. Niet alles is verleden tijd, denkt Sietske, sommige dingen kun je meenemen, zelfs nu.
Die avond, als het licht zacht door de gordijnen valt, valt Zwartje tevreden in slaap aan haar voeten. Sietske pakt pen en papier, haar herinneringen aan opa dichtbij, en begint te schrijven.
Iedereen verdient een thuis, fluistert ze in het stille huis.
En voor het eerst sinds heel lang voelt het niet leeg, maar precies goed.






