– Op zoek naar een vrouw genaamd Alexandra

Ik ben op zoek naar een vrouw, haar naam is Marijke.

Onder de lage poort liep hij de Amsterdamse binnenplaats op, die nog vol lag met smeltende sneeuw. Dit was al de vierde binnenplaats waar hij zocht. Een kleine speeltuin, een schommel jongens renden met een ijshockeypuck over het natte asfalt. Water spatte op, maar de jongens gaven er niets om.

Hij bleef even staan in de poort, overzag het hof. Hij hoopte dat zijn geheugen ergens aan vastgreep, dat het iets omhoog zou trekken uit het verleden. Maar alles was veranderd, niks was als toen destijds waren er alleen strakke waslijnen, wat aftandse schuurtjes onder de ramen, bossen floxen en bankjes.

En nu

Hoe kon het ook anders, zoveel jaren later? Alles verandert; sterker nog, het móest wel veranderen.

Niemand schonk aandacht aan deze onbekende, statige oudere heer in een wollen pet met bont. In zon hof, tussen vier woonblokken, wonen velen in huurhuizen. Amsterdam…

Hij moest naar het huis rechts van de poort. Dat stuk klopte vast nog wel. Tweede verdieping, hij wist het zeker het huis had drie verdiepingen. Het was de tweede deur rechts, diep in de gang, in de hoek. Op het kozijn verschillende deurbellen, allemaal met andere namen. Het was een voormalige hospita-woning.

Hij herinnerde zich alles daarbinnen, iedere vouw in het gordijn, de scheve ventilatie, de donkergroene theepot, de krakende vloer en zelfs de kakkerlak die ze twee dagen probeerden te vangen. Alles wist hij nog… behalve het huisnummer en het preciese adres. Alleen de straat wist hij. Alle binnenplaatsen waren op elkaar gaan lijken, overal in de stad, als water in een polder.

En dus dwaalde hij rond in deze binnenplaatsen

Rechts, het huis, tweede ingang nee, in Amsterdam heet dat de portiek, tweede portiek. Tweede verdieping, deur achterin Drieënveertig? Of…

Als er een intercom was, toetste hij 43 in.

Goedemiddag, ik zoek Marijke. Kunt u mij vertellen

Soms luisterde men niet, werd gewoon gezegd dat daar niemand woonde onder die naam, soms zelfs zon vrouw is hier nooit geweest. Hij belde toch nog eens aan.

Het spijt me zeer. Maar het is belangrijk. Heeft er misschien in 1980 een vrouw gewoond die Marijke heette? Weet u dat nog?

Na de derde binnenplaats greep hij zijn notitieboekje en noteerde:

“16 onbekend. 24 zeker niet. 32a nieuwe mensen, hebben gekocht…”

Er waren veel binnenplaatsen. Hij moest terug naar huizen die nog open stonden, waar de bellen niet hadden geantwoord, waar hij nog vragen had.

Langzaam klom hij de trap van het oude, kale trappenhuis op. De hoge ramen waren stoffig. Het rook naar natte katten. Dat was toen ook al zo.

Goedemiddag! Hij maakte een beleefd knikje.

Een oudere vrouw, in grijze jas en met een boodschappentas, kwam op hem af.

Goedemiddag, naar wie zoekt u? vroeg ze nieuwsgierig.

Ik moet naar de tweede verdieping. Ik zoek een vrouw, Marijke, zestig jaar of iets ouder. Weet u of zij hier woont?

Welke woning?

Hoek rechts. Maar dat is lang geleden, toen was het nog een hospitawoning. Ik weet het huisnummer niet precies…

Hoekwoning? Nee. Daar wonen de Van Dijks, man, vrouw en twee kinderen. Geen Marijke. En ik woon hier al mijn hele leven, heb die naam nooit gehoord.

Dank u, hij boog zijn hoofd en draaide zich om, de trap af.

Ze liep mee naar beneden.

Heeft u misschien de achternaam?

Als ik die wist, had ik wellicht het adres kunnen vinden. Maar dat weet ik niet.

Wat is ze van u, als ik vragen mag? Ze was nieuwsgierig.

Hij keek haar aan, twijfelde, worstelde met de woorden

Zij?

Wie was ze voor hem?

Marijke Marja Marietje…

Liefde laat zich niet definiëren. Het is of het is er niet. De rest zijn plaatjes in het hoofd, verhalen die men zich vertelt omdat men moet leven met de gevolgen.

Maarten de Vries had altijd gedacht dat liefde een teer gevoel was, dat het een lange scheiding niet kon overleven, zou vervagen, oplossen. Maar sommige herinneringen bleven. Ze brachten troost en vaak ook pijn. Hij had schuld. Leefde al veertig jaar met een mank hart.

Die herinneringen voedden zijn hart, maar nu… gaf zijn hart het juist op. Toen zijn vrouw overleed, met wie hij zijn hele leven had gedeeld – al leefden ze de laatste jaren steeds meer langs elkaar heen – kreeg hij een hartinfarct.

Ze spraken het nooit uit, de meningsverschillen. Er viel niks te ruziën. Op een zeker moment begonnen ze gewoon apart te leven ieder in hun eigen kamer in dat grote huis. Ze praatten alleen nog over boodschappen, rekeningen.

Voor zijn vrouw was dat huis het hare. Hij verbleef er. Dat zei ze tegen haar oude vriendinnen:

Wat moet ik zonder hem? Laat hem maar blijven…

Het huis blinkt van vergulde lijsten, fonkelend kristal, dure meubels, bont en kitsch. In het midden staat een witte vleugel. Op de vleugel een vaas met nepbloemen.

Die vleugel was een nep. Niet omdat hij niet echt was het was een echte Steinway & Sons. Maar niemand kon erop spelen en de vaas werd nooit verplaatst.

Toen de vleugel kwam, organiseerde zij een paar muzikale avonden, maar haar gasten gaven de voorkeur aan muziek op band.

Maarten had het een dure bijzettafel genoemd hij kostte net zoveel als een Amsterdams appartement.

Ze probeerde het zelf even, kreeg les. Maar hield niks vol, behalve haar wekelijkse massage- en manicurebehandeling.

Zelfs haar zwangerschap volgde ze niet tot het einde. Niet haar schuld Of toch, in zijn gevoel, misschien haar egoïsme.

Laatst dacht hij daar dikwijls aan. Hij kende een vrouw bij wie die vleugel had kunnen zingen.

En toch miste hij zijn vrouw. In de laatste jaren, toen geen van beiden zich goed voelde, liepen ze samen in het Vondelpark. Ze voerden de eenden bij de vijver. Maarten leerde vissen. Ze hoefden elkaar niets meer te bewijzen.

Waarom deden we dit nooit eerder, Jet? zei hij.

Wat zijn we toch dom geweest, antwoordde ze.

Maar vroeger renden ze altijd. Zijn schoonvader duwde zijn carrière, Maarten liep van promotie naar promotie, werd ambtenaar op het ministerie. Jet’s vader had zijn zinnen op hem gezet als opvolger, en hielp hem omhoog langs alle netwerken van Den Haag.

Achteraf, hoorde Maarten, had schoonvader hem bewust richting Jet gemanipuleerd wanneer het moest. Jaren later hoorde hij het van Jet zelf.

… Wat was Marijke voor u? drong de vrouw aan.

Hij keek om zweeg. Zijn hart, wat moest hij zeggen…

Zij betekent alles wat mij rest, denk ik.

Ze vroeg niets meer. Ook haar ogen liepen vol, geraakt door zijn verdriet.

En hij liep door naar de volgende binnenplaats. Natte schoenen, bellen, kloppen botste op onbegrip, soms op dronkenschap en ongeloof. Toch sprak hij soms uren, legde uit.

s Avonds viel hij uitgeput op het hotelbed. In jas en schoenen, ogen dicht. Pijn in rug, benen, hoofd vol koorts. Maar de volgende ochtend: weer op zoek.

***

De herfst van toen was grillig en nat. Amsterdam lag onder een gouden deken, doorweekt van de regen. Kleine kraampjes, overal op straat, stalletjes, mensen die bloemen, appelbeignets, kaas verkochten alles kon.

Hij en schoonvader waren toen net met de trein uit Groningen gekomen, voor een congres Bouw & Maatschappij, over de grote hervormingen door de nieuwe minister.

Het congres was voor zijn schoonvader cruciaal. Voor Maarten, toen nog jonge partijman, was het allemaal bijzaak. Hij was zo, uit het niets, rechterhand van de partijchef geworden zonder veel plannen. Hij deed gewoon zijn werk.

In de provincie was hij toezicht op de bouw van een nieuwe fabriek. Jonge Maarten besefte niet de volle zwaarte van de verantwoordelijkheid. Alles leek mogelijk, zijn leven open als de polder.

In Amsterdam genoot hij vooral. De stad sprak tot zijn ziel. Schoonvader stuurde hem de stad in voor allerlei klusjes. Op het perron van metrostation Vijzelgracht klonk plots muziek: een meisje met blauwe baret, ragfijne sjaal, speelde viool. Voor zich een opengeslagen kistje mensen gooiden muntjes.

Maarten stond stil. Heel bijzonder dit beeld: drama in de muziek, de blauwe sjaal, haar krullen en haar handen rood van de kou. De natte ondergrond, de armoede, haar strijd wilde in elke noot meeklinken.

Rondom handelaars, kopers, drentelende Amsterdammers, niemand bleef lang staan. Alleen Maarten was gekluisterd.

Ze stopte, legde haar viool even neer, wreef de handen, trok haar mouwen hoger.

Toen zette ze weer aan; een dans met het instrument, ogen dicht. Haar muziek goot een golf van melancholie en verlangen over het grijze Amsterdamse beton. De echo steeg op, probeerde iets te vertellen wat je niet zomaar zeggen kunt.

Maarten verdwaalde in de klank. Plots dook een puber op, greep het vioolkistje en rende ermee weg.

Diefstal! Pak hem! riep een marktkoopvrouw, haar kreet galmde door de hal.

Het meisje speelde gewoon verder schijnbaar in extase.

Maarten stoof de trap op, op de hielen van de jongen. Pak die dief! riep hij naar omstanders. Een gespierde man versperde de weg. De jongen botste, gooide het kistje, rende de tramrails over.

Maarten zette niet door; bedankte de helper en rapte kleingeld van de grond. De kist was kapot, het handvat afgebroken. Het meisje kwam aangesneld.

Hier, dit is alles wat ik vond, hij gaf haar de munten.

Laat maar, zo erg is het niet, zei ze met lage stem, De kist was al stuk. Dankuwel.

Er was verdriet in haar blik, meer dan door een gestolen kist.

Gebeurt dit vaker?

Ze haalde haar schouders op, draaide zich om en liep weg. Maar langzaam. Hij liep haar na. Na een paar straten bleef ze bij een brug staan, keek in het water. Wind joeg haar sjaal op. Toen boog ze over de reling met het kistje.

Maarten schrik; ze ging het weggooien. Hij holde erheen.

Niet doen, alsjeblieft!

Ze twijfelde, maar hij greep het kistje. Ze hielden het beiden boven het water.

Uwilt het houden?

Ik kan niet toekijken…

Ik heb mijn viool beschaamd, ik verdien het niet…

Laat los, als het niet mag! Maar hij verzette zich, het instrument slipte uit de kist.

Zie je? Ze wil verder spelen, zei Maarten. Maar wie verbood het jou?

Mijn moeder… Ze overleed twee maanden terug.

Maarten’s stem stokte. Mijn deelneming. Dus… nu is alles veranderd.

Ze liepen zwijgend door. De bomen ritselden in het natte herfstlicht. Ze zei:

Heel mijn leven speelde ik voor haar. Nu heb ik geen doel meer.

Maar je ziel vraagt muziek, anders was je niet hier.

Ze lachte schamper. Honger misschien eerder. Ik heb geen cent meer. Geen eten…

Maar dat is op te lossen! hij wilde zijn portemonnee pakken.

Maar ze hield hem tegen, scherp:

Denkt u dat ik geld zou aannemen? Laat mij nu!

Ze schoot er vandoor. Hij holde even na. Ik wacht morgen weer op je, hier! Echt!

Maar de volgende dag was ze er niet. En de ochtend erna, volgens de marktvrouw, was ze ook al weggebleven.

Hij wachtte uren, tot ze kwam. Ze negeerde hem, pakte haar viool uit. De marktvrouw gaf hem een klapstoeltje. Hij luisterde ruim twee uur.

Toen hij uiteindelijk voelde dat ze dof was van spelen, legde hij stilletjes een paar grote biljetten euros in haar kist.

Wat is dit?! Ze sloeg haar hand voor haar mond. Zo veel?! Nee! Weg ermee!

Ik bepaal zelf hoeveel ik geef

Ze duwde het geld terug, trok hem mee omhoog. Je bent gek! Straks komen ze weer!

Inderdaad, twee jongens stonden al klaar. In die tijd had je in Amsterdam je eigen regels; je moest plaatsgeld betalen. De vioolspeelster had gisteren niet afgedragen.

Betaal jij voor haar, knul?

Het liep uit op een vechtpartij. Maarten was taai genoeg, maar ze waren met zn vieren. Gelukkig schoot het meisje een winkeltje binnen, belde de politie. Die arriveerde net op tijd.

Toen het voorbij was, zat ze gehurkt naast Maarten.

Naar het ziekenhuis?

Nee, het valt mee…

Kom dan bij mij. Ik kan je wonden verzorgen. Naar het hotel durf je niet, zeker?

Ze namen een taxi, zij noemde haar adres een grachtenpand met woningdelen.

Het rook er naar uien, oud papier en laarzen. In haar kamer een foto van haar overleden moeder, bij het raam floxen, verspreid over de vensterbank stapels partituur.

Ze had weinig in huis: thee met beschuit en verder niks. Ze naaide zijn gescheurde broek. Ze praatten. Over de bouwplaats waar hij aan werkte, over Groningen. Zij vertelde hoe ze net haar studie had opgegeven.

Straks ga ik met buurvrouw Annie naar de Albert Cuypmarkt. Werken.

Maar je bent een virtuoos!

Niemand wil nu muzikanten, zei ze zacht.

Na afscheid kwam hij terug, met boodschappen. Ze mokte, maar nam zijn tas aan, mét belofte om terug te komen.

Hij liep gelukkig weg. Tweede verdieping, onder het raam een schuddende lijsterbes. Dat herinnerde hij zich een lijsterbes, en hoge populieren achter het huis.

Zijn schoonvader kreeg een woede-uitbarsting bij zijn blauwe oog.

Wat bezielde je? Naar het ziekenhuis! En geen stap meer zonder mij!

Maar Maarten wist even te ontsnappen. Hij vond haar huis opnieuw, bracht taart.

Ze mopperde, maar samen struinden ze door Amsterdam, onder de plenzende regen. Hij vroeg iedereen of ze wisten dat zij een talent was.

Zij droeg gedichten voor. Ze maakten elkaar gelukkig, tot aan hun eerste kus. Hij vroeg haar mee naar Groningen. Met hem trouwen

Ze werd stil. Reciteerde Regels van Vasalis:

Dit is het lied van onze laatste ontmoeting,
Ik keek naar het donkere huis.
Licht alleen in de slaapkamer,
De vlammen geel en onverschillig…

Marijke, waarom zo treurig? Het is geen afscheid! Trouw met mij.

Ga je mee naar huis?

Daar, in haar kamer, in zijn T-shirt, speelde ze marsmuziek op de piano, ze lachten, vingen een lafbek van een kakkerlak en sliepen samen.

‘s Nachts zat ze weer bij het raam, las opnieuw een droevig gedicht:

De natuur breekt af, getijden veranderen,
Zwijgend door scheiding van jou en mij.

Je gaat met mij mee, geen scheiding meer, hield hij vol. Nu vertel ik het iedereen!

Het telefoontje kwam vroeg. De buurman riep Maarten naar beneden iemand wilde hem spreken.

Er loopt een zaak tegen je, Maarten!

Marijke keek hem aan. Ik kom terug. Geloof in mij.

Natuurlijk, je komt terug Ik geloof je, je zult het zien. Terwijl hij zich aankleedde, sprak ze Vasalis opnieuw uit:

Ik tover stiekem voor de toekomst,
Als de avond zacht en blauw is,
en voorspel de tweede ontmoeting,
de onvermijdelijke ontmoeting met jou. Tot ziens, Maarten!

Maar in zijn hoofd maalden zorgen. Had hij maar geweten wat zijn schoonvader allemaal bekokstoofd had een aanklacht die zijn loopbaan zou ruïneren.

Trouwen met Jet, zei zijn baas, dan red ik je erdoorheen. Anders los je het zelf maar op.

Hij was bang.

Hij werd opgeroepen door de recherche. Zijn schoonvader drukte hem een treinkaartje in zijn handen: Weg hier, snel!

Hij liep achterom de Amstelstation. Een vioolconcert klonk door de radio. Hij huilde, bonkte met de vuist tegen de stenen muur. Voor het eerst in zijn volwassen leven huilde hij als een kind.

***

Oude dames op bankjes bleken zijn beste speurders.

Marijke? De dames keken elkaar aan. Is dat niet diegene die in de lente overleed? Haar zoon kwam nog met zon grote auto.

Het sloeg hem op de borst, hij hapte naar adem. Dit had hij gevreesd: dat ze niet meer leefde, dat hij te laat was.

Maar dat was Annelies, jij raakt in de war. Marijke woonde verderop. Gaat het wel?

Hij zocht verder, trap op trap af. Maar nergens die lijsterbes die hij zich herinnerde. Van uitputting was zijn geheugen in de war. Tot hij, lopend naar zijn hotel, plots op de hoek een muziekwinkel zag. In de etalage sprankelden strijkinstrumenten.

Hij stak over, stapte naar binnen.

Kan ik u ergens mee helpen? vroeg het meisje achter de toonbank.

Mag ik die viool eens zien?

Ze haalde hem uit de kast.

Wilt u spelen?

Nee, ik kan het niet. Ik kende een vrouw, zij speelde virtuoos ze woonde hier, in die huizen. Marijke

Marijke? Niet Pelsma, toevallig?

Dat kan ik me niet herinneren Kent u haar?

Jazeker, beaamde het meisje. Ze woont met haar gezin vlakbij, in een van die flats. Waarom zoekt u haar?

Ze leeft nog? Is ze getrouwd?

Ja. Ze heeft een zoontje, acht jaar of zo.

Kunt u haar leeftijd inschatten?

In de dertig?

Mag ik even gaan zitten? fluisterde Maarten. Met moeite zakte hij op een kruk.

Gaat het?

Ik vond haar weer niet Alweer niet…

Verdwaasd liep hij naar buiten, keek richting de huizen. Ineens zag hij populieren. Maar elk detail kon nu een herinnering zijn, of een fata morgana.

Op de binnenplaats zat een ouder echtpaar. Hij vroeg naar een vrouw van zestig, Marijke, ooit een jonge violiste.

De vrouw wees:

Ach, dat is Marietje die van Maas. Hier, op de tweede verdieping. Hun ramen waren bij de lijsterbes.

Die boom is gekapt. Zij had het niet makkelijk. Deed veel schoonmaakwerk. Studenten huurden bij haar, ze gaf vioolles. Maar haar dochter, die is iets geworden! Grote naam.

Waar woont Marijke nu?

Ze verhuisde. We weten niet waarheen. Maar vraag haar dochter; die woont in het oude huis. Tweede verdieping, hoekwoning.

Met zijn laatste kracht liep Maarten naar het juiste portiek en belde aan.

Ja?

Naar de familie Pelsma, hakkelde hij.

Kom maar, zei een man.

De trap op, zijn knieën zwak, werd hij opgevangen door een man van rond de veertig.

Gaat het wel? Kom, ik help u.

Maarten strompelde naar binnen, ging zitten op de bank. De man, een arts, nam zijn bloeddruk.

Toen kwam zij binnen. Precies als haar moeder toen: jong, een huisjurk die leek op dat shirt van vroeger. Haar gezicht het gezicht van Marijke.

Hoe heet je, jongeman? vroeg Maarten aan de kleine jongen die binnenkwam.

Sander.

En wie is jouw vader?

Michiel.

Is jouw mama Marijke?

Ja, Marijke Maarten Maar ik noem haar mama.

De arts bracht thee met pillen.

Hoe is het met uw moeder, Marijke?

Goed. Ze woont een paar straten verderop. U kent haar van vroeger?

Ja. Ik kende haar lang geleden. Was in dit huis. Maar toen was het nog een hospita-huis.

Ze glimlachte.

Wilt u haar zien? Kom, dan bel ik meteen.

Liever niet bellen. Ik wil zelf gaan. Laat me zelf… begrijpen.

Ik breng u, bood de schoonzoon aan. Maar daarna gaat u wél even langs het ziekenhuis!

Afgesproken.

Buiten, zwaaiend naar zijn nieuwe familie, dacht Maarten: Ik leefde mijn leven, nu blijkt ineens ik heb een familie.

Ze reden door een nieuwbouwwijk. Vijfde verdieping, appartement nummer 118. Marijkes dochter gaf hem een toegangspas.

Voorzichtig liep hij door de gang. Zijn benen zwak, zijn adem zwaar. Hij belde aan.

De deur ging open zonder te vragen wie het was. Daar stond ze. Iets grijzer, iets ouder, maar ogen en blik exact als toen.

Ze keken, ze wachtten. Toen sprak Maarten uiteindelijk:

Marijke, ik… vergeef me, Marijke

Zijn knieën bezweken, hij zakte door zijn benen.

Zij knielde naast hem.

Maarten! Maarten, gaat het? Wacht ik bel Michiel, hij is arts…

Hij staat buiten, hij bracht me hier.

Ze zetten hem op de bank.

Daar zaten ze: hand in hand, tranen, een en al emotie.

Ik heb je gevonden! fluisterde hij, waarom heb ik je zo lang laten wachten… Ik wist niet dat ik een dochter had

Natuurlijk niet. Maar ik wist dat je ooit terug zou keren.

Vergeef me…

Liefde weet niet van klokken, zei ze zacht.

En met een overvol hart, hun handen samen, reden ze naar het ziekenhuis. Marijke streek zijn haren weg, las hem een gedicht voor, zoals vroeger.

Door Amsterdam reed een auto sneller dan het geluid misschien omdat er eindelijk iemand mocht leven met wie hij altijd had willen zijn.

Hij was niet te laat voor zijn eigen geluk.

Hij had haar gevonden.

***Hij drukte haar hand, voelde haar warmte, als het bewijs dat zijn reis geen vergeefse tocht was geweest. Ze bleven zo zitten, langer misschien dan nodig, maar wat gaf de tijd? Buiten kleurde de avond tot diep indigo. Amsterdam ruiste zacht door de ramen, de stad die hen ooit uiteen dreef nu was alles anders.

Marijke sprak zacht, haar stem nog steeds geladen van muziek:
Je bent thuis, Maarten.

Hij fronste. Al die jaren had dat woord hem als een vraag gefolterd. Nu klonk het als een antwoord.

Er werd gelachen in het huis, in de keuken vouwde haar dochter handen om haar kop thee, de jongen kwam aangerend; gezichten vol verwondering, vreemd en vertrouwd. Maarten keek en het was alsof zijn eigen verleden zich over het heden legde, als doorzichtig papier. Daar zat hij, onhandig tussen generaties, en voelde zich voor het eerst geen buitenstaander meer.

Mag ik opa zeggen? vroeg Sander voorzichtig, met een gum in zijn hand alsof hij alles nog kon uitgummen, herschrijven.

Maarten lachte door zijn tranen heen. Graag, jongen.

Ze dronken samen thee, aten koekjes met citroen, luisterden naar hoe vioolles werd gegeven, hoe het meisje haar moeder imiteerde:

Nog eens, Marijke! Je weet het muziek is herinnering, geen toekomst.

Even verdween alle pijn tussen de noten. Maarten wist: van de melodie van zijn leven was misschien veel vervaagd, maar deze slotakkoorden zongen helder en waarachtig. Hier werden oude beloften niet meer nagekomen of gebroken ze werden eenvoudig vervuld.

Toen Marijke later op de avond voor het raam stond, speelde ze zacht een melodie op haar cello. Maarten zat in zijn stoel en keek naar haar. Hij sloot zijn ogen, en hoorde in elke noot hun verhaal.

Amsterdam sliep, eindelijk verzoend met zijn eigen verleden.

En terwijl de stad in sereniteit schemerde en het huis gevuld was met muziek en nieuwe herinneringen, wist Maarten:
Het leven had hem omgeleid, maar nooit verloren.
Dit was zijn thuiskomst.
Dit, ten langen leste, was de vrede waarnaar hij zijn leven lang had gezocht.

Please rate
Bagattia News
– Op zoek naar een vrouw genaamd Alexandra