Op mijn 51e trok ik in bij een 55-jarige weduwnaar. Alles was haast perfect, tot mijn kleinzoon plots ziek werd.
Rutger verscheen in mijn leven in maart, op dat vreemde scharnierpunt waar de Nederlandse winter overgaat in een natte, kille lentede stoepen vol prut, een laag kauwgomblaadjes in het park, de lucht boven Haarlem dof en druilerig. Ik stond bij de kassa van de Albert Heijn en rommelde zenuwachtig tussen mijn boodschappen, zoekend naar mijn Bonuskaart. Achter mij werd de rits mensen rusteloos; voeten schoven over de vieze tegels, een vrouw keek opzichtig en met grote zucht op haar horloge.
Hij stond tweede achter me in de rij en zei opeens heel rustig:
Neem uw tijd, geen haast.
Zomaar gezegd. Zonder irritatie, niet dat gebruikelijke vleugje ongeduld dat je juist hier zo vaak hoort.
Ik draaide me om. Een man, midden vijftig, donkerblauw colbert. Een gewoon, karakterloos gezicht, maar zijn glimlach was echtniet zon verplicht sociaal lachje.
We raakten aan de praat bij de fietsenrek; bleken praktisch buren te zijn. Hij, Rutger, sinds drie jaar weduwnaar. Ikzelf gescheiden, acht jaar al.
Een week later vroeg hij of ik mee wilde naar een expositie in het Teylers.
Toen ik het aan mijn vriendin Maartje vertelde, stelde zij meteen haar nuchtere, onvermijdelijke vraag:
Heeft hij een koopwoning?
Maartje is pragmatischeen echte Amsterdamse realist.
Hij had inderdaad een fijne woning, een Skoda Fabia, en werkte ergens in de bouwsectordetails zijn nooit mijn sterkste kant geweest. Toen leek het niet relevant, want het belangrijkste was: Rutger luisterde. Niet alleen met zijn hoofd, maar ook met zijn oor.
Het viel me op hoe hij de kleine dingetjes onthield.
Tussen neus en lippen zei ik eens dat ik altijd kersentaart kies boven appeltaart. Voor mij is dat een wereld van verschil: appel vind ik saai, kersenzuur maakt me vrolijk. Ik zei het terloops.
De volgende keer kwam Rutger met een taart van de bekende bakkerij aan de Gedempte Oude Grachtdie bakkerij had ik ooit zijdelings genoemd.
Dat raakte me. Zulke gebaren breken iets in me open.
In mei stelde hij samenwonen voor.
We kenden elkaar krap twee maanden. Ik wist niet eens of ik graag zijn geur in mijn lakens wilde.
Aafke, we zijn geen twintigers, zei hij rustig. Waarom uitstellen?
Tjahij had een punt. Ik knikte alleen maar.
Onderweg naar huis dacht ik: twee maanden, is dat niet belachelijk snel?
Toch belde ik hem die avond:
Laten we het proberen.
Zo kwam Rutger bij mij wonen. Zijn flat werd intussen bewoond door een neef die “net gesetteld” was. Ik had ruimte in mijn ruime driekamerwoning in Overveen.
De eerste weken waren als in een film. Zondags kookte hij uren. Voor het eerst zag ik een man zonder ergernis groenten snijden, rustig, met interesse.
Zijn erwtensoep was beter dan de mijne. Dat geef ik toe.
Daarna kwamen de eerste storingen.
Het begon met een telefoontje van zijn zoon. Het was na tienen. Rutger liep naar de keuken, kwam pas na een half uur terug en vroeg of ik hem ‘even tot volgende week wat euros’ kon lenen; Daan had autopech.
Het was geen groot bedrag, dus ik vroeg niks.
Een week later weer. Ditmaal voor iets onduidelijks.
Ik hield geen lijstje bij. Ik telde gewoon.
Mijn dochter Roos woont bij Utrecht. Ze komt maandelijks langs, brengt haar zoontje, Bastiaan. Bastiaan is zes en noemt me oma Fee. Ik bak dan pannenkoeken met gaatjes, want gewone zijn te saai.
Het eerste bezoek van Roos en Bastiaan sinds Rutger bij me woonde, was hij thuis.
Bastiaan stormde op Rutger af, liet zijn speelgoedauto zien en probeerde Rutger erbij te trekken.
Rutger keek… merkwaardig: niet onaardig, niet koel, maar alsof Bastiaan gewoon een kussen of tafellamp was, toevallig in dezelfde ruimte.
In de keuken vroeg Roos fluisterend:
Mam, heeft hij iets met kinderen?
Ik antwoordde:
Misschien moet hij er aan wennen. Daan is volwassen.
Roos knikte beleefd.
De wending kwam in juli.
Bastiaan werd verkouden, niks ernstigs maar wel met koorts. Roos belde in paniek: ze kon zelf nauwelijks uit bed, haar man was voor zijn werk in Berlijn.
Mam, kan je komen?
Binnen vijftien minuten stond ik klaar. We zouden die avond uit eten bij De Dakkas, waar Rutger graag heen wilde.
Ik zei:
Roos kan niet alleen voor Bastiaan zorgen, hij is ziek. Ik ga naar haar toe.
Rutger keek niet boos, meer verbaasd. Alsof ik dromerig verklaarde dat ik allergisch was voor gras.
Kan niemand anders het doen? vroeg hij.
Nee.
Nou ja, bel de huisarts, het komt vast goed.
Terwijl ik mijn jas aantrok, zei hij:
Ik had gereserveerd, weet je.
Annuleer dan, of ga alleen, zei ik zacht.
Bij Roos bleef ik drie dagen. Bastiaan knapte opeerst geen koorts meer, daarna weer eetlust, en aan het eind rende hij al door de kamer. Ik kookte hem compote van gedroogd fruit, wat hij steevast bruin thee noemt.
Rutger stuurde in die dagen één sms:
“Hoe gaat het daar?”
Ik antwoordde: “Gaat beter.”
Verder bleef het stil.
Terug thuis groette Rutger me normaal, informeerde naar Bastiaan. Alles beleefd, keurig, net alsof er niets gebeurd was.
Die avond dronken we thee in stilte. Toen zei hij:
Aafke, ik snap dat je kleinzoon belangrijk voor je is, maar wij zijn hier net aan dit avontuur begonnen. Er moet ook tijd voor ons zijn.
Ik probeerde of ik iets moest begrijpen. Had ik verkeerd gedaan door niet bij hem te blijven?
Ik vroeg niks.
Later gingen scènes door mijn hoofd: dat hij nooit voorstelde om mee te gaan helpen, nooit bij Roos, noch bij mijn moeder van 82.
Ik ging altijd alleen. Hij was dan oververmoeid of dringend bezig.
Maar als Daan belde, stond Rutger meteen paraatzelfs om elf uur s avonds.
Ik voelde geen jaloezie. Daan is zijn zoon.
Maar ik herinnerde me een vroeg gesprek in t Dolhuys. Rutger sprak over het lege gevoel na het overlijden van zijn vrouw. Ik wil iemand weer echt naast me voelen, zei hij.
Ik dacht toen: Ja, samen.
Later vroeg ik me af: misschien bedoelde hij vooral, dat hém iemand bij hém moest zijnen niet per se wij sámen.
In augustus kwam het gesprek dat alles helder maakte.
Rutger, ik wil het weten: beschouw je Roos als iemand buiten jouw familie?
Hij keek me raar aan:
Welnee. Normale vrouw. Ik behandel haar normaal.
En Bastiaan?
Gewoon een kind.
Toen hij ziek was, zei je: “Kan niemand anders het doen?”
Rutger zuchtte en zette de mok neer.
Aafke, ik hoef me toch niet te verplichten het is jouw familie. Ik vind het niet erg als ze komen, echt niet. Maar ik kan niet doen alsof het ook mijn familie is. We zijn vier maanden samen.
Ik knikte.
En Daan is wél gewoon familie?
Daan is mijn zoon.
Ja, natuurlijk.
Ik waste mijn kopje af en zette het dromerig op het rek.
Rutger, volgens mij heb ik je woorden verkeerd begrepen. Je wou iemand vlakbij, dacht ik. Maar je bedoelde: iemand vlak bij jou.
Hij antwoordde niet.
Ik ging naar mijn kamer. Hij volgde me niet.
Twee weken later vertrok Rutger. Geen drama, geen ruzietoch praktisch, vond hij altijd. Alles keurig ingepakt, zelfs zijn beker met het hert erop ging mee.
Voor hij ging, zei hij:
Je bent een goed mens, Aafke. We kijken alleen net anders naar het leven.
Ik beaamde het.
Maartje vroeg achteraf:
Heb je spijt?
Waarvan precies? vroeg ik.
Dat je zo snel samen ging wonen.
Nee, zei ik. Je kunt het beter na vier maanden weten dan na vier jaar.
Maartje knikte. Zoals altijd.
Vorige week kwam Bastiaan weer. Hij zat met mijn pannenkoeken (met extra gaatjes) aan tafel en vertelde een eindeloze droom over zijn juf en een schildpad. Het verhaal was zo vreemd en kronkelig dat ik geen idee had wat er gebeurde.
Terwijl ik naar hem luisterde, dacht ik dromerig: dit ís het. Dit is samenhet echte samen.







