Jaren geleden het lijkt nu haast een ander leven herinner ik me nog helder de dag waarop ik moest beslissen over het lot van een kind dat niet van mij was. Het was een woensdag; mijn man kwam vroeger thuis dan normaal, somber als een regenlucht boven de polders. Zonder een woord overhandigde Hendrik mij een envelop.
Wat is er gebeurd? vroeg ik.
Johanna is er niet meer. Zonder mijn toestemming kunnen ze Pieter niet naar het kindertehuis sturen.
… Ik wist al voor ons huwelijk dat Hendrik een zoon had. Het was zon gewoon verhaal. Tijdens zijn dienstplicht had hij een meisje ontmoet. Na zijn terugkeer haalde hij haar naar Amsterdam, samen huurden ze een klein appartementje. Maar zij vertrok al snel weer terug naar Friesland waar haar familie woonde.
Even later kwam er een brief: gefeliciteerd, je bent vader van een zoon. Wat er misliep tussen hen, daar sprak Hendrik nooit over, en ik vroeg er niet naar. Het was verleden tijd, waarom ouds zeer oprakelen?
Toen ik vier maanden zwanger was, stond zijn ex opeens voor de deur met de eenjarige Pieter op haar arm. Ze kwam verhaal halen, hoopte wellicht op een hereniging. Hendrik koos resoluut voor mij en stuurde haar weg. Ik nam het hem niet kwalijk alles gebeurde voor onze tijd.
Johanna vroeg alimentatie aan, wat Hendrik netjes betaalde. Daarna liet ze nooit meer iets van zich horen. Pas later hoorden we dat ze twee keer was getrouwd en dat haar tweede scheiding haar te veel werd ze had zichzelf van het leven beroofd.
Ondertussen hadden Hendrik en ik samen ook twee kinderen gekregen: onze zoon Maarten, een paar maanden jonger dan Pieter, en onze kleine Lotte, die net één geworden was. Ons tweede kindje besloten we te krijgen toen we eindelijk een eigen huis hadden gekocht, een ouderwetse houten woning aan de rand van Haarlem zonder al te veel luxe, maar met vier kamers, een tuin, een stukje moestuin en een houten schuur. Na jaren op elkaar gepakt in een flatje was het een ongekend geluk. Maarten rende een week lang als een dolle van kamer naar kamer en door de tuin.
… Dat ik ooit het kind van een ander zou opvoeden dát had ik nooit verwacht. Ik had Pieter zeven jaar eerder ontmoet, maar wist verder niets van hem. Wie hij was? Wat hij had meegemaakt? Het joeg me angst aan. Onze eigen Maarten was al een handenbinder, stel je voor: twee jongens van dezelfde leeftijd. Zouden ze met elkaar kunnen opschieten? Hendrik werkte lange dagen; de zorg voor de kinderen kwam op mij neer.
Deze gedachten suisden door mijn hoofd in een oogwenk. Hendrik zat zwijgend in de hal, bleek als het witte zand langs het IJsselmeer.
Mijn hart kneep samen, ik probeerde me voor te stellen wat ik zou doen als het lot mijn Maarten zou raken. Hoe zou ik reageren als het noodlot aan zijn deur klopte? Opeens wist ik wat me te doen stond.
Henk, natuurlijk nemen we Pieter bij ons in huis. Hij is jouw zoon, en een broer voor onze kinderen. Hoe zouden we kunnen weigeren? Waar twee kinderen zijn, kan er altijd een derde bij. We komen er samen wel uit, we laten hem niet in de steek.
Een maand later kwam Pieter. Hij was stil, bedeesd, gehoorzaam. In alles het tegenovergestelde van de uitbundige Maarten. Misschien redde juist dat het samenleven: zijn onverwacht opgedoken oudere broer probeerde niet de leiding over te nemen. Al snel konden de jongens het goed vinden, geholpen door de vrolijke Lotte altijd lachend, altijd aan het kwetteren, alsof zij iedereen vanzelf in haar vrolijkheid meenam.
Het najaar daarop ging Pieter naar de basisschool. Hij leerde makkelijk, zijn moeder had hem blijkbaar goed voorbereid. Financieel was het zwaar, maar Hendrik deed wat hij kon en niet veel later vond ik ook weer werk. De kinderen werden ouder en hielpen mee in huis en tuin. We leefden eensgezind, verdeelden niets in eigen of andermans kind het waren allemaal onze kinderen.
Toen Pieter ging studeren aan de universiteit, werd ik ziek. Het ziekenhuis, artsen, een operatie angst, maar ik stond mezelf niet toe te wanhopen. Ik hield me vast aan de gedachte dat ik mijn kinderen moest zien opgroeien, gelukkig en gezond, en vastberaden te wachten op kleinkinderen. Hendrik raakte echter van het padje: de zorgen werden hem te veel en hij zocht troost in de jenever.
Pieter werd, amper achttien jaar oud, de steunpilaar van het gezin. Hij stapte over op een deeltijdstudie, werkte ernaast, en steunde mij het meest. Hij bracht me elke dag bezoek, las me voor, vroeg om recepten voor Maarten en Lotte, kookte voor ze en bracht me te proeven. Hij bewaarde voor mij dat Maarten in de problemen was geraakt met een stelletje verkeerde vrienden en zelfs bijna met politie in aanraking kwam. Gelukkig hield het bij een voorwaardelijke straf op.
Ik knapte op. Maar tussen Hendrik en mij bleef er iets stuk. Ik kon hem zijn zwakte en het verraad in die moeilijke tijd niet vergeven. Gelukkig was het huis groot genoeg, we leefden als buren. Hendrik probeerde te minderen, maar soms zwichtte hij toch weer.
Een jaar geleden bracht Pieter zijn vriendin thuis het meisje op wie hij al sinds de kleuterschool verliefd was geweest. Ze studeerde psychologie en begon meteen haar schoonvader te helpen loskomen van zijn verslaving. Het leven gaat verder. En binnenkort zullen er weer kinderen door het huis dartelen de jonge tortelduifjes hebben pas ontdekt dat ze een tweeling krijgen.
… Elke dag dank ik God voor die oudste zoon. Ik weet zeker dat ik nog leef omdat ik lang geleden mijn hart heb geopend voor een kind dat niet van mijzelf was.







