Nergens spijt van
En als ik terug ben, wil ik dat het appartement schoon is! riep mevrouw van der Velden, terwijl ze met een enorme klap de deur achter zich dichttrok. Overal in het trappenhuis rinkelde het glas in de ramen als in een surrealistisch concert.
Irene, die net de trap afdaalde, wist even niet meer waar ze was en bleef stokstijf staan. Ze hoopte dat haar buurvrouw haar niet zou opmerken, maar dat was natuurlijk ijdele hoop.
Ah, Irenetje Goedemorgen!
Mevrouw zette met een zucht een kartonnen doos ooit gevuld met een rijstkoker van Blokker op de grond. Ze was driftig bezig de knopen van haar beige jas dicht te maken, wat niet echt vlotte. Alles ademde haast.
Goedemorgen, mevrouw van der Velden, glimlachte Irene beleefd. Zijn uw kinderen weer eens iets aan het uitspoken?
Uitspoken is een understatement! stootte de buurvrouw uit, terwijl ze de laatste knoop probeerde te vangen.
Juist toen begon de doos op de grond te schuiven alsof er een onzichtbare kracht bij de HEMA lollies had gegeten.
Irene, op gepaste afstand, maakte een klein sprongetje. Niet omdat ze bang was die emotie is haar vreemd maar wie verwacht nu dat zon gewone doos niet leeg is in een droom vol Haagse logica?
Wie of wat zit daar dan in?, dacht ze terwijl haar verbeelding haar op sleeptouw nam, haar een dansende rijstkoker met een chagrijnig gezicht toonde die rauwe aardappelen de kamer in spuugde. En dat hem vast de das omdeed
Kijk eens, zei de vrouw. Ze tilde de doos op, alsof hij plotseling niet zwaar is.
Irene daalde trippelend de laatste treden af en tuurde voorzichtig in het karton, waarbij Haagse novemberlucht langs haar wangen streek.
Natuurlijk wist ze dat rijstkokers niet kunnen springen, zelfs niet in de droom van een kat. Maar wat zag ze daar?
Twee grote ogen vol vragen, geel als de warme gloed van een lantaarn op de grachten. Ze behoorden tot een piepklein katje oranje met witte vlekken, zoals Koningsdag.
Och, wat een dotje! riep Irene uit.
Waar je je druk om maakt, bromde mevrouw van der Velden, terwijl ze de doos weer sloot.
Waar komt-ie vandaan?
Mijn kinderen hebben hem gered van de kou, zuchtte ze. Al had ik beter moeten weten, het is alleen maar gekrioel en kattenstreken sinds hij er is. Mijn ex had precies zo’n karakter. Ik viel, hoe Hollands, voor het uiterlijk.
Komt goed hoor, als hij groter is zal hij rustiger worden, zei Irene. U gaat hem zeker zo even naar de dierenarts brengen?
Nee joh! Welke dierenarts? Nee, nee, ik ben helemaal klaar met die deugniet. Ik breng hem naar ons huisje op Texel. Laat hij daar maar kattenkwaad uithalen.
Irene keek haar aan, verslagen en ongelooflijk, want het was 15 november, geen 1 april.
U brengt een kitten naar Texel nu het herfst is?
Moet ik soms tot de lente wachten? Een kat leert wel overleven als het moet, antwoordde ze. Haar stem leek buiten de tijd te zweven.
Mevrouw van der Velden ademde diep in, met een snik uit het verleden.
Jij had moeten zien wat hij allemaal uitspookt! Ik had nog niet zo veel kalmeringsmiddelen nodig sinds ik alleen met twee kinderen was. Aan mijn besluit valt niet te tornen. Hij gaat!
Misschien kan ik hem aan een goed huis helpen geef hem toch maar aan mij, vroeg Irene zachtjes.
Mevrouw draaide zich om, haar ogen als de Noordzee in de winter.
Je bedoelt dat mijn handen niet goed genoeg zijn? snauwde ze. Met deze handen heb ik twee kinderen grootgebracht!
Ik bedoel niets, alleen dat zo’n katje in zn eentje op Texel niet redt.
Tja. Als hij dat niet kan, had hij maar niet geboren moeten worden…
Zo hoeft het toch ook weer niet?
Hij kan gewoon niet wennen aan huiselijk leven. Maar vooruit, als je hem per se wil: neem hem maar.
Op theatrale toon zette ze de doos neer.
Bespaart mij de busrit naar Den Helder en het geld voor de veerpont. En ik ben benieuwd hoe lang jij het volhoudt! gniffelde mevrouw van der Velden.
Ze stapte haar appartement binnen en smeet nog één keer demonstratief de deur dicht. Er klonk een tirade naar binnen, als ruis van een verre zee.
Irene tilde de doos op, haar handen beverig en vastbesloten, en liep in trance haar eigen etage op. Zo werd ze, zonder enige planning, de trotse eigenaar van een doos van Blokker en een fors protesterende kitten.
Ze had er nooit over gedacht om een harige huisgenoot te nemen. Zelfs vandaag niet. Ze was gewoon voor Douwe Egberts-koffie naar de Albert Heijn gegaan en ineens bevond ze zich in deze absurde choreografie van het leven.
Met katten had ze sowieso nooit veel op, noch de devotie van typische kattenvrouwtjes begrepen. Toch kon ze het niet over haar Hollandse hart verkrijgen: een katje in je eentje naar Texel verbannen, dat mág gewoon niet.
Want onverschilligheid is geen onmenselijkheid. En waarom niet gewoon iemand vinden die van zo’n schatje houdt?
Irene was zeker: deze kat, met zijn trouwe, melancholieke blik, zou razendsnel een thuis vinden. Even wat mooie foto’s maken, op Marktplaats en Facebook zetten, en haar voordeur zou zoemen van bezoekers die hun eigen portie kattenmagie wilden.
Duidelijk, als een kanaal op een frisse ochtend.
*****
Ze twijfelde geen moment: foto van het katje, een paar lieve teksten op “Gratis af te halen” en “Een Lief Huis Gezocht” op alle denkbare fora. Daarna ging ze rustig naar de Albert Heijn voor koffie en kittenbrokjes.
Met brokjes in de tas, nam ze gelijk ook een plastic bak voor de kattenbak mee en korrels surrealisme is duur. Dit geef ik wel mee aan de gelukkige nieuwe familie, dacht ze, en grijnsde om zichzelf.
Mevrouw van der Velden had hem “Bollenpoot” genoemd, maar hij luisterde daar niet naar. Irene, recht uit haar Rotterdamse logica, besloot zelf een naam te kiezen. Uit honderddertig ideeën werd het nummer 132: Jij heet voortaan Pimmetje. Goed?
Miauw! antwoordde Pimmetje, en dook als een tornado op de donzige sloffen in de hal. Zij moesten gestraft worden zij waren immers niet de schattigste op aarde, hij wel.
Irene glimlachte om de chaos en besloot te werken ze was fotograaf: bruiloften, Hollandse luchten en kinderverjaardagen, alles. Werk dat haar veel plezier én een prima inkomen opleverde.
Maar werken? Vergeet het.
Pimmetje stiefelde als een losgebroken dijkdoorbraak dwars door het huis. Zijn tempo was zo duizelingwekkend dat hij uit de bocht vloog, recht tegen alles wat vierkant of rond was.
Hé, kleine donder! riep Irene, terwijl ze haar muis omklemde alsof het een klomp was.
Pimmetje bleef midden in de kamer stokstijf staan. Zijn blik leek te zeggen: Zeg het maar snel, want ik moet spelen.
Ik snap dat je je verveelt. Maar onthoud: je bent hier tijdelijk
Miauw!
Geen weerwoord! Gedraag je. Stil zijn. Ik moet werken.
Dat was duidelijk. Pimmetje staarde haar aan, met grote ogen, treurig als een regenwolk boven Utrecht. Irene kreeg zowat spijt van alles wat ze ooit had gezegd, bijna alsof haar ziel verzonk in het moeras bij het Naardermeer.
Hoe kun je nu zon kleintje terechtwijzen?
Goed, speel maar. Maar hou het rustig, zei ze vergevensgezind.
Pimmetje juichte en stoof verder, rakelings langs stoelen en tafels alsof het allemaal hindernissen waren tijdens de Avondvierdaagse.
Pimmetje, kat met een missie, dacht Irene, zette haar koptelefoon op, koos wat muziek en bewerkte een nieuwe foto.
Maar voor ze het wist bangs, toeters, bellen was Pimmetje alweer zo hard aan het sprinten dat hij per ongeluk de stekker uit het stopcontact griste.
Ach niet alweer! verzuchtte Irene, terwijl haar scherm zwart werd als een winterse Noordzee.
Vanaf dat moment renden zowel Irene als Pimmetje achter elkaar en zichzelf aan als in een schilderij van Escher: oneindige trappen, oneindige pogingen. Haar pink stootte ze aan een stoel, haar knie tegen een stoelpoten en met haar linkeroog trok ze een tic van pure stress op.
Achter haar laptop zocht ze op alle fora waar ze Pimmetje had aangeboden. Duizenden likes, genoeg Wat een schatje!-reacties om een grachtenpand te vullen, maar niemand die écht reageerde.
Nergens een telefoontje, geen bezoek, geen rij voor haar deur.
Irene besloot haar berichten aan te vullen: Breng hem desnoods naar Maastricht, Groningen of Vlieland zelf! Misschien was dat de drempel en werd ze nu eindelijk wakker uit deze droom.
Ondertussen was Pimmetje na zijn hectiek uitgeput op de bank gekropen. Met een holle rug, pootjes om de muis geklemd (zodat werken onmogelijk was), keek hij haar met half gesloten ogen aan: Een beetje rust graag?
Toen viel ook zij in slaap. Tot het avond was, was het stil als op een verlaten marktplein in Den Bosch.
*****
Na een week begon Irene te beseffen: een thuis zoeken voor een kitten is best ambitieus als niemand iets doet. De complimenten stroomden binnen, maar geen concrete daden. Nog eens drie dagen later zat ze zich af te vragen: En als niemand hem neemt?…blijft hij dan bij mij?
Dat hoort er nog bij! zei ze hardop, zichzelf prekend.
Pimmetje lag slapend over haar toetsenbord, muis in zijn pootjes zodat werken nauwelijks lukte en als ze schreeuwde, opende hij één oog, mopperend: Stil nou, mens, het is siësta.
Irene zuchtte, besloot haar telefoon erbij te pakken om onder haar posts de opmerkingen te lezen. Allemaal hetzelfde: Wat een lieverd!, Wat bof jij met zo’n kitten! Niemand wílde het avontuur zelf aangaan.
Elke like sneed als een hagelwitte molenwieken door haar hoop.
Ze probeerde aan het advies van haar therapeut te denken, die haar had gezegd dat ze, ondanks fijne job, eigen flat (dank aan haar ouders!) en een stabiel salaris, wellicht iets miste in haar leven.
Ze had haar liefdesleven deze herfst op pauze gezet uit pure behoefte aan rust niet uit liefdesverdriet. Maar wat wás dat onbestemde verlangen? De therapeut stuurde haar op innerlijke queeste, richting bodem van de Noordzee, maar alles wat bovenkwam was een glas water en een paracetamol.
Zij had de hoop op psychologen opgegeven en raad gevraagd aan haar vriendinnen.
Girl, het lijkt wel of je gewoon teveel vrije tijd hebt zei Sophie, altijd een beetje jaloers op Irenes leventje.
Wat een onzin, ik werk gewoon keihard! zei Irene.
Misschien mis je gewoon een beetje vet. Je bent zo slank! Moet je zien: in je jeugd kreeg je vast te weinig Bossche bollen, grapte Femke.
Die gesprekken hielpen ook niet, en dus probeerde Irene haar gedachten los te laten. Maar nu kwam ie terug. Misschien misschien was Pimmetje wel precies wat ze nodig had?
*****
Vanaf de dag dat Irene Pimmetje in huis haalde was een maand voorbijgegaan. Gevoelsmatig vlogen de dagen als meeuwen over een kaasmarkt. Niemand had het schattige beestje opgehaald van de 1228 likes maar geen enkele echte gegadigde.
Nu, na 30 dagen, snapte ze ineens waarom.
Die maand was vullend als een tafel vol stroopwafels. Ze zou er zo een roman van kunnen schrijven, maar kortweg: Pimmetje bleek bijzonder slim.
Hij verstond Irene meteen, zelfs als ze voor de tiende keer zijn nagels uit het bankstel probeerde te halen.
Steeds trad hij in een nieuw beroep: als interieurarchitect (na vier verschillende gordijnen besloot Irene voor altijd zonder te leven), en als chef-kok (waarbij hij augurken, pannenkoeken en hutspot direct uit zijn bek wierp). Maar uiteindelijk koos hij, zoals iedere kat, voor het mooiste beroep: de schenker van geluk aan zijn mens.
En geluk betekende voor Pimmetje: chaos en kermis. Voor Irene: rust en de tijd om haar fotos te bewerken.
Sinds Pimmetjes komst sliep Irene minder, maar lachte meer. En ineens dacht ze niet meer aan wat ze miste in het leven: het was er gewoon.
Bovendien kon ze in recordtempo schoonmaken: de tijd tussen Pimmetjes slaapjes en zijn volgende uitbarsting telde ze af als de beroemde Elfstedentocht.
De positieve emoties overvleugelden alles. Toen Pimmetje eindelijk zelf naar de kattenbak liep na weken van nachtelijk gesjouw met een slaperige poes onder haar arm pinkte Irene stilletjes een traantje weg. Zo intens was het geluk dat ze ineens een paar uur langer kon slapen.
Af en toe ontwikkelde Pimmetje nieuwe hobby’s, zoals s nachts met het nachtlampje spelen aan, uit, aan, uit tot Irene het ding opborg bij de gordijnen. Het huis werd er uiteindelijk alleen maar lichter van.
Dit alles voelde als Hollandse gewoontes waar je aan went. Irene wende en ontdekte iets bijzonders.
Het was niet Pimmetje die bij haar woonde, maar zij die bij hém op bezoek kwam. Overdag werkte ze, ‘s avonds was hij de baas. Bij binnenkomst stond hij altijd klaar, als een poortwachter van de Rotterdamse haven.
En toen besefte Irene: ze hoefde niet verder te zoeken. Zij was zélf de goede handen een baas met een warm hart. Klaar om elk kattenstreekje te verdragen, dag en nacht te spelen, en te accepteren dat haar bed nooit meer helemaal van haar was.
En ze had er geen moment spijt van. Want ze hield van hem en hij van haar.
Pimmetje stoorde haar niet meer in de vroege ochtend, maar nestelde zich stilletjes naast haar op bed, wachtend tot Irene wakker werd. Af en toe keek hij haar verwijtend aan Moet je nog zo lang blijven slapen, bazin? Ik mis je
Maar het voelde nu als thuiskomen: een droom van harige logica, met Hollandse nuchterheid en een beetje surrealisme.






