Nauwelijks achttien geworden, trouwde ik hals over kop. ‘Hals over kop’ is werkelijk de beste omschrijving van deze onverwachte stap, zowel voor mijzelf als voor mijn omgeving. Maar wat gedaan is, is gedaan. Een nieuw leven begon, volledig onbekend voor mij, inclusief de ontmoeting met de ouders van mijn jonge echtgenoot, die net zo overdonderd was als ik. We waren beiden uit het nest gevallen, zonder echt geleerd te hebben hoe we moesten vliegen.

Nauwelijks achttien was ik, of ik was al getrouwd. Getrouwd dat was het juiste woord zo plotseling, onverwacht, voor iedereen om me heen, maar vooral voor mezelf. Maar wat gebeurd is, is gebeurd. Een nieuw leven begon; eentje dat ik totaal niet kende, inclusief het ontmoeten van de ouders van mijn jonge echtgenoot. Hij was net zo overrompeld als ik. Alsof we allebei uit het nest waren gevallen, zonder te weten hoe we moesten vliegen.

Op een ochtend, terwijl tante Anneke me weer als een bezorgde moeder mn ontbijt voorschotelde en me smeekte dat ik toch vooral genoeg zou eten, kwam buurvrouw Oma Dijkstra langs. Ze keek toe hoe ik me liet verwennen en zei met een droevige blik:

Jij boft, meisje, jij kent geen tegenslag. Wacht maar, straks zal je schoonmoeder jouw het leven zuur maken.

Doe niet zo eng, laat het kind toch, kapte tante Anneke haar af.

En inderdaad, ik kende geen verdriet. Ons ongebruikelijke gezin bestond uit oma en haar drie dochters mijn moeder de jongste, Eugénie, en Anneke, de oudste en mijn favoriet. Mannen waren er amper, de oorlog had de zussen hun vaders ontnomen. Het was een warme, vrouwelijke familie, waarin kinderen liefde en aandacht in overvloed kregen, misschien zelfs te veel.

Als de jongste werd ik het meest verwend. Die oude vrouw had gelijk. Ik kende geen teleurstellingen, en het woord schoonmoeder klonk voor mij onheilspellend en vijandig, als een dreigend, stekelig begrip dat me niet meer losliet tot onze eerste ontmoeting.

De moeder van mijn man, mevrouw Tijs, was een statige, vriendelijke vrouw. Ze ontving me met een glimlach: “Kom verder, kind.” Niets dreigends, ze trakteerde ons op koffie met koek, leidde me trots haar tweemaal omgespitte groentetuin rond rechte, hoge bedden met al jonge sprietjes en liet haar rooskleurige varkentje Beer zien, die tevreden knorde toen hij haar zag.

Beertje, Beertje, ik kom zo, hoor, je bent mn lieveling, zei ze liefkozend tegen het dier. Gek genoeg voelde het alsof het compliment ook voor mij was.

De moestuin, het varken Beer het voelde allemaal vertrouwd, herinneringen aan mijn jeugd op het vlakke Friese land. Wij noemden alle biggen ook altijd Beer en praatten er lief tegen. Alles hier stelde me gerust en ik begon het zelfs leuk te vinden.

s Ochtends vertrokken de mannen, onder wie mijn echtgenoot, naar een bouwplaats aan de rand van Leeuwarden, terwijl wij thuisbleven om het huishouden te runnen. Toch bleef dat venijnige woord schoonmoeder me in de weg zitten. Hoe moest ik haar aanspreken? Na een poosje, toen zij mijn naam prees, vertelde ik haar over Thijs een beroemde Friese heldin. Lachend zei ze, “Noem mij ook maar Taïsje, jij Taïs, ik Taïsje klinkt leuk, vind je niet?”

Zo loste Taïsje, zoals ik haar vanaf dat moment noemde (voluit, natuurlijk: Taïsje van der Meer), in één klap mijn probleem op. Alles keerde terug naar een vertrouwde routine: het ontbijt stond s ochtends klaar, de vloeren waren blinkend schoon, het tuinpad gewied en Beer was gevoerd.

We zaten vaak samen op de stoep, pratend over vroeger. Ze lachte om haar eigen verhalen: hoe zwaar de oorlogstijd was geweest met drie kleine jongens. Ze had in het bos gewerkt, hout gekapt, terwijl de kinderen hun broodbonkaarten waren verloren, en een aardige winkelier in het dorp haar klusjes liet doen in ruil voor broodkruimels. Hij had de jongens, vooral de jongste mijn man die altijd zo zwak was, met kleine beetjes geholpen.

In mijn hoofd speelden de scenes zich af als in een kleurrijke film, waarin het verleden tot leven kwam en mijn wereld groter werd, rijker aan ervaringen en gevoelens. Tot op die ene dag alles kantelde.

s Ochtends maakte Taïsje me wakker. “Meid, de vrouwen uit het dorp gaan de bossen in, bessen plukken. Ik ga met ze mee, misschien kan ik wat meenemen voor jullie. Wil jij Beer voeren? Alles staat klaar in de emmer.”

Natuurlijk, maak je geen zorgen, riep ik dapper, terwijl ik achterbleef.

Al snel klonk er een oorverdovend gekrijs uit Beers stal. Ik pakte de voeremmer en liep naar het hok dat tegen de tuin aan stond. Beer was inmiddels geen klein biggetje meer, eerder een volwassen varken. Ik moest even het deurtje opentrekken om de voerbak te vullen. Eitje, dacht ik. Niet dus.

Nauwelijks stond de deur een kiertje, of Beer gooide hem met brute kracht helemaal open, sloeg de emmer uit mijn hand en stoof, dolblij met zijn vrijheid, rechtstreeks het keurig gemeste tuinland op. Met een wervelstorm aan varkensvreugde rolde hij zich door de net beginnende groene plantjes, spartelend en knorrend van geluk, terwijl ik versteend toekeek, niet wetend wat te doen.

Maar ik moest wel ingrijpen, of de noeste arbeid van mijn schoonmoeder zou in één klap tenietgedaan worden en ik voelde in mijn buik hoe mijn kans op een goede relatie met haar in duigen viel.

“Hoe dan ook, Beer moet terug dat hok in!” dacht ik wanhopig.

Ik stortte me op de modderige bedden, probeerde Beer te vangen. Telkens als ik hem te pakken had, gleed hij me grijnzend tussen de armen door en maakte zich uit de voeten. Ik veranderde van tactiek. Misschien moest ik hem niet jagen, maar lokken.

Ik haalde een stuk brood en probeerde Beer te verleiden. Hij kwam, pakte het uit mijn hand en volgde me langzaam terug naar de stal. Maar op het laatste moment draaide hij weer om, met nieuwe energie. Mijn tranen van frustratie en woede vloeiden vrijelijk; de tuin was verwoest, de tomatenplantjes plat en zelfs het kasje was gekanteld door Beers capriolen. Een puinhoop!

Beer nam eindelijk rust, plofte lui op zijn achterste en gleed met voorpoten vooruit, grommend en snuivend van genot terwijl hij de bedden verder platreed. In een vlaag van wanhoop herinnerde ik me hoe we, als kinderen, onze huisdieren altijd wisten te kalmeren door te kriebelen.

Nu zag Beer mij niet langer als een vijand. Zachtjes duwde ik hem op zijn zij en begon zijn buik te kroelen. Zijn ogen vielen langzaam dicht, dikke klonten aarde op zijn wimpers, en hij knorde tevreden.

Ik weet niet hoe lang ik daar zat met die stinkende Beer, beide onder de modder, omringd door puin: een gelukkig varken en een diepbedroefde, uitgeputte, jonge vrouw zonder hoop dat het ooit weer goed zou komen.

Toen sloeg het hekje open en stormde Taïsje over het pad.

Och, ellendeling, dat arme kind! riep ze uit, greep Beer bij een achterpoot en sleepte hem zonder pardon over de bedden terug het hok in.

Ze hielp me overeind, mn benen slap van ellende.

Wacht, meisje, blijf even zitten, ik haal water. Ze kwam snel terug met een grote emmer, vers uit de pomp, en begon me met zorg af te spoelen, de modder en tranen van mijn gezicht en benen afwassen.

En met die zwarte stroom ging het woord SCHOONMOEDER letterlijk van me af ik voelde het wegstromen, verdampen, als een nare damp voorbij.

De opluchting was zo groot dat ik voor ik het wist riep: “Och mam!” Taïsje lachte, sloeg haar armen om me heen en nam me mee naar binnen om me te troosten met hun zelfgeplukte bessen.

Over de vernielde tuin werd nooit meer gesproken. Ze wuifde het weg:

Ach kind, wat zijn die paar groentebedden nou? We zaaien gewoon opnieuw, straks groeit het wel weer. Tomatenplanten lopen ook wel weer uit, wacht maar af. En ach, dat varkentje, er moest er een keer uit Ga maar even liggen, terwijl de mannen werken. Ik maak een snelle lunch.

Hoe had deze vrouw, na alles wat haar overkomen was, nog zoveel geduld, eenvoud en warmte over? Ik weet het niet maar ik weet nu wel hoe het komt dat er in Nederland sterke, oprechte zonen worden opgevoed, die hun hart openstellen voor meisjes als ik, dankzij moeders die soms onterecht met een hard woord worden aangeduid “schoonmoeders”.

Please rate
Bagattia News
Nauwelijks achttien geworden, trouwde ik hals over kop. ‘Hals over kop’ is werkelijk de beste omschrijving van deze onverwachte stap, zowel voor mijzelf als voor mijn omgeving. Maar wat gedaan is, is gedaan. Een nieuw leven begon, volledig onbekend voor mij, inclusief de ontmoeting met de ouders van mijn jonge echtgenoot, die net zo overdonderd was als ik. We waren beiden uit het nest gevallen, zonder echt geleerd te hebben hoe we moesten vliegen.