Ik heet Saskia en ik ben 49 jaar. Ik werk als verpleegkundige op de nachtdienst in het Erasmus MC in Rotterdam. Ik werk daar inmiddels al twintig jaar. Je kunt wel zeggen dat ik alles heb gezien.
Ik ben acht jaar geleden gescheiden. Ik heb een zoon, Thijs, die net zestien is geworden. Hij woont bij mij. Het is een goeie jongen, echt waar. Verantwoordelijk. Doet zijn best op school. Nooit echt problemen gehad met hem.
Nou ja, dat is niet helemaal waar. Hij heeft me wel één groot probleem bezorgd. Het grootste van mijn leven, eigenlijk. Maar daar kan hij zelf niks aan doen.
Zes maanden geleden begon Thijs te klagen over hoofdpijn. Eerst dacht ik: zal wel aan zijn ogen liggen, misschien heeft hij een bril nodig. Ik ben met hem naar de optometrist geweest; zijn zicht was helemaal in orde.
Maar die hoofdpijn bleef. En toen kreeg hij s ochtends ook nog last van misselijkheid. Ik dacht dat het kwam door het eten op school, dus ik begon elke dag een boterham met kaas voor hem te smeren en een appel mee te geven. Maar ook dat hielp niet, de misselijkheid bleef.
Op een ochtend vond ik hem voorovergebogen boven de wc, hij had net gebraakt. Zijn gezicht was zo bleek als wat. Hij zei dat ie duizelig was, dat alles om hem heen draaide.
Ik heb hem meteen naar de spoedeisende hulp gebracht, bloed laten prikken, alles. Alles kwam goed terug. De dokter zei dat het waarschijnlijk stress was. Pubers hebben het tegenwoordig ook zo druk, zei hij, en soms slaat die druk gewoon op het lijf.
Maar ik ben verpleegkundige, hè. Twintig jaar mensen zien binnenkomen en weer weggaan. Ik vertrouwde het voor geen meter. Er zat me iets helemaal niet lekker.
Ik bleef aandringen op verder onderzoek. De arts keek me een beetje aan of ik me aanstelde, maar uiteindelijk schreef hij een CT-scan voor.
Die dag vergeet ik nooit. Het was een dinsdag. Ik stond op het punt mijn ronde af te maken toen ze belden vanuit het ziekenhuis waar Thijs onderzocht was. Ik moest ér direct naartoe komen, ze wilden met me praten. Dringend.
Ik ben halverwege mijn dienst gewoon weggegaan en als een gek naar het ziekenhuis gereden. Daar werd ik meteen naar een spreekkamer gebracht. Er zat een neuroloog die ik totaal niet kende; een man rond de vijftig, met een serieus gezicht.
Mevrouw, we hebben iets gevonden op de scan van uw zoon, zei hij. Het is een hersentumor. We moeten verder onderzoek doen om te bepalen wat het precies is en hoe ver het is gevorderd.
Het voelde alsof de hele wereld om me heen instortte. Ik heb zelf al zoveel slechte nieuws gesprekken gevoerd met families, zoveel mensen zien sterven. Ik dacht altijd dat ik overal op voorbereid was. Maar niks bereidt je voor op zon boodschap over je eigen kind.
De dagen daarna was het een rollercoaster van onderzoeken, MRIs, biopten, overleggen met oncologen. Medische termen die ik als verpleegkundige door en door ken, klonken in één keer als doodvonnissen.
Glioblastoom. Graad IV. Agressief. Opereren ging niet vanwege de plek. Het enige wat nog kon: chemo en bestraling om het misschien te remmen. Maar de vooruitzichten waren slecht.
Toen de oncoloog alles uitlegde, zat Thijs naast me. Mijn jongetje. Mijn baby. Te luisteren naar het nieuws dat hij terminaal ziek is.
Ga ik dood, mama? vroeg hij. Zo rustig dat het me haast brak.
De dokter keek hem aan met zon professioneel medelijden ken je misschien wel. We gaan alles doen om je zoveel mogelijk tijd te geven, zei hij.
Meer tijd. Niet: je komt er weer bovenop. Nee, gewoon meer tijd.
Die avond hield Thijs me stevig vast. Mam, niet huilen. We gaan samen vechten.
Dus begonnen we. Chemo elke twee weken. Thijs verloor al snel zn haar, werd magerder, moest vaak overgeven. Maar klagen? Nee, nooit. Geen enkel moment waarom ik?. En altijd bleef hij lachen.
Zijn vrienden kwamen hem in het begin vaak opzoeken. Maar dat werd steeds minder. Zestienjarigen en ziekte, dat blijft moeilijk hè.
Maar één vriend bleef altijd komen: Joost. Een maatje van de basisschool. Iedere dag na school stond hij voor de deur. Bleef alles met Thijs delen. Nam het huiswerk voor hem mee. Ze speelden samen FIFA op de Playstation, ook al moest Joost af en toe zn controller vasthouden omdat Thijs te moe was.
Op een avond hoorde ik het gesprek tussen die twee toen ik aan het koken was. De deur stond een stukje open.
Ben je bang? vroeg Joost.
Altijd, zei Thijs. Maar dat zeg ik niet tegen mama, zij heeft het al moeilijk genoeg.
Waar ben je het meest bang voor?
Dat mam alleen achterblijft. Dat ze verdriet heeft. Dat ik geen afscheid kan nemen. Dat ze zich schuldig gaat voelen, terwijl ze echt niets verkeerd heeft gedaan.
Ik ben stilletjes naar mijn slaapkamer gelopen zodat ze me niet hoorden huilen.
De behandeling hielp niet echt. De tumor werd niet kleiner, bleef alleen maar groeien. Ze zijn nu overgestapt op palliatieve zorg, vooral gericht op kwaliteit van leven. We weten allemaal, het is een kwestie van tijd.
Hoeveel tijd? Niemand weet het. Misschien drie maanden. Kan ook zes zijn. Misschien nog minder.
Vanochtend vroeg Thijs of ik hem naar school wilde brengen. Hij is al weken niet geweest omdat hij zo moe is. Maar nu wilde hij zn klasgenoten nog één keer zien. Even normaal zijn.
Ik heb hem gebracht, hem uit de auto geholpen. Hij is inmiddels zo ontzettend dun en breekbaar. Zijn vrienden liepen naar hem toe, gaven hem een dikke knuffel. Zn favoriete docent kwam ook meteen. En ik zag hem voor het eerst sinds weken weer oprecht lachen. Heel even was hij niet die jongen met kanker, maar gewoon weer Thijs.
Toen ik hem drie uur later ophaalde, was hij kapot, maar ook blij.
Dank je wel mam, zei hij in de auto. Bedankt voor alles. Jij bent echt de beste moeder van de wereld.
En jij bent de beste zoon.
Na een tijdje stilte zei hij ineens: Mam, als ik er straks niet meer ben, wil ik dat jij gelukkig wordt. Dat je doorgaat. Dat je niet je leven lang verdrietig om mij blijft.
Thijs, niet daarover beginnen…
We moeten erover praten, mam. Jij weet wat er speelt, ik ook. Je moet me beloven dat je doorgaat. Dat je met een glimlach aan me terugdenkt, zonder alleen maar verdriet.
Ik heb het hem beloofd. Ook al weet ik niet of ik zon belofte waar kan maken.
Nu ligt hij boven te slapen. Ik ben net even bij hem gaan kijken. Hij ligt er zo rustig bij, nog zo jong eigenlijk. Mijn kind.
Morgen komt de thuiszorgverpleegkundige langs voor haar wekelijkse bezoek. Overmorgen moeten we naar de oncoloog om de resultaten van de laatste scans te bespreken, al weten we allemaal wat ze gaan zeggen.
Ik zit nu op de bank met koude koffie in mijn handen. Kijk naar de fotos aan de muur. Thijs als baby. Thijs op zn eerste schooldag. Thijs op zn tiende verjaardag. Zes maanden geleden nog gezond, blij, geen idee wat er zou komen.
Ik heb geen idee hoe ik hier ooit doorheen moet komen. Hoe overleef je het om je kind te verliezen? Zestien jaar. Een heel leven dat nooit geleefd wordt.
Maar voor hem blijf ik sterk. Zolang hij me nodig heeft, blijf ik doorgaan. Ik lach als hij kijkt. Ik probeer zn laatste tijd zo fijn mogelijk te maken.
Wat ik daarna doe? Geen idee. Dat zien we dan wel. Nu telt alleen dat ik er ben. Voor hem.
Hoe zeg je tegen je kind dat je van ze houdt, als je weet dat jullie tijd bijna om is? Hoe prop je al je liefde in de dagen die je nog samen hebt?







