Je moet je voorstellen: een grote, stevige vrouw met een stem die de hele coupé vulde, stapte naar buiten. In een oogwenk had ze iedereen die het de reizigers lastig maakte uit de weg gejaagd. En je moet weten, zelfs die grote mondige kerels gehoorzaamden haar meteen, alsof ze allemaal dezelfde instructie kregen.
Ze had van die goudblonde vlechten rond haar hoofd geslagen, heldere blauwe ogen, wangen zo rood als een appel. Ze keek naar het toilet. Op dat moment schoot er een kleine man naar buiten, dun en niet zo groot, met witte haren die net dons leken, en een gezicht zo open en vertederend als bij een kind.
Bart! Ik was je al kwijt! Wat een herrie daar, de conducteur durfde niet eens naar binnen! Dacht al: hoe staat het ervoor met jou? Zulke types kunnen je zomaar zonder reden lastigvallen! riep ze.
Ach, Veerle! Die had ik wel aangekund! Maar waarom kom jij buiten, Veertje? Jij hoort toch te blijven zitten, meisje… Hij glimlachte verlegen en dook snel de coupé weer in.
Ze keek even naar mij en nog twee andere verveelde gezichten in de coupé. Zag dat er geen enkel gevaar dreigde, voor haarzelf en voor haar man. En weg was ze weer.
Later kwamen we elkaar opnieuw tegen in het restauratierijtuig. Er was nergens plek, dus vroeg ik of ik bij haar aan mocht schuiven. Die man van haar zag ik nergens. Ze werkte het bord patat met suddervlees vlot naar binnen en zei vervolgens luid:
Ik ben Veerle van Dijk, noem me maar Veerle.
Bent u alleen? Komt uw man straks nog?
Nee joh, die ligt uit te rusten. Die komt niet. Heb zn nek goed ingepakt met een sjaal, hem een glas bessensap gegeven wat denk je? Gaan we op reis en bedenkt Bart opeens dat ie ziek wordt! En dat allemaal omdat hij in zn eentje het tapijt uit het raam wilde kloppen, in alleen zn trui. Soms ben ik niet snel genoeg, hè.
U houdt echt van hem, hè, zei ik dromerig. U dacht dat er herrieschoppers waren en u kwam hem beschermen. Dat doet u nu ook, met zoveel zorg in uw stem.
Van houden, ach… Bart kreeg ik eigenlijk in erfdeel. Het is niet eens officieel mijn man, hoewel we wel samenwonen. Hij loopt nog steeds rond met verdriet, want zn eerste vrouw overleed niet zo lang geleden. Een engel was dat, echt waar, zuchtte Veerle.
Hoezo, in erfdeel?
En toen begon Veerle te vertellen.
Bart was jarenlang samen geweest met Lidia. Ze waren al vrienden sinds de middelbare school, samen de universiteit door, daarna getrouwd. Hij was vindingrijk, kon alles maken en bedenken. Bestelde opdrachten van bedrijven, financieel zaten ze altijd goed. Alleen in het dagelijks leven was Bart volslagen onhandig. Vergat zn wisselgeld in de winkel, stak op de verkeerde plekken over, had geen idee waar of hoe iets te kopen. Dromerig en naïef, zou je kunnen zeggen. Gaf gerust geld aan een wildvreemde.
Die vent van jou hoort eigenlijk niet op deze wereld, alsof hij per ongeluk is neergedaald, grapte hun vriendenkring weleens. En wij ploeteren en werken ons een slag in de rondte, en híj, zon genie, het geld komt hem haast aanwaaien!
Lidia vond het allemaal prima. Haar energie en nuchterheid waren genoeg voor hen beiden. Zelf legde ze zn kleren voor hem klaar, checkte zn handschoenen en sjaal. Kocht later een auto om hem weg te brengen, want eens gaf hij bij de taxi het verkeerde adres op, hij zat weer te dagdromen. Ze vulden elkaar bijzonder goed aan.
Eens lag Lidia een week in het ziekenhuis. Toen ze thuiskwam, stond ze versteld: Bart had de hele week droge noedels gegeten met water. Zelfs de waterkoker had hij niet aangezet, alles in de vriezer was onaangeroerd.
Zonder jou heb ik nergens trek in, had Bart geglimlacht.
Hun zoon Jurre was precies zo: superslim, maar dromerig en schuchter. Zijn talenten werden wél gewaardeerd. Een vriendin zocht hij in Odet, een rustig dorpsmeisje. Maar Lidia bleef het middelpunt; haar energie trok de kar. Zeker nu kleinzoon Luuk er was. Tot ze ineens ziek werd en niet meer uit bed kwam.
Het huis was opeens stil. Bart wist met zichzelf geen raad. Hij had de beste dokters geregeld, was bereid alles te betalen, maar het mocht niet baten.
En Lidias hart brak niet om zichzelf, maar om haar man en zoon. Hoe moesten zij ooit verder zonder haar? Ze bad niet voor genezing, maar of God haar mannen en kleinzoon wilde beschermen.
In die tijd kwam Veerle in beeld, een oudtante van een van de artsen die Lidia behandelden. Veerle werkte als verzorgster. De eerste keer dat ze over de vloer kwam, trof ze een bijna tengere man aan, beleefd, met een zachte stem die je nauwelijks kon verstaan. Chaos in huis, bergen was, overal vieze vaat (terwijl er een afwasmachine stond) en een doffe sfeer.
Op het bed, bleek en kwetsbaar, lag Lidia. Ze glimlachte nog naar Veerle. Die stroopte haar mouwen op en ging aan de slag.
s Avonds was alles opgeruimd, fris gelucht, en rook het hele huis naar Hollandse gehaktballetjes, appeltaart en een gebraden kippetje. Lidia sliep op dat moment diep, in een schoon opgemaakt bed. Bart, die in zn dunne zomerjack naar buiten wilde glippen, werd bij de deur tegengehouden:
Hé, vriend, waar denk je heen te gaan in zon jas? Het vriest dat het kraakt! Je vrouw heeft je nu juist nodig. Kom, trek deze jas aan, ik wikkel de sjaal goed om, en mn klompen breek ik liever nog dan dat ik jou buiten laat zonder muts. Zo, huppakee, doei!
In Lidias kamer kwamen de tranen. Wat een zooi was het eerst en nu alles op orde. Veerle commandeerde als een veldheer, maar had een warm hart.
Dank U, Heer, ze zijn nu niet meer alleen, fluisterde Lidia.
Toen het echt slecht ging, sprak Lidia haar aan. Eerst wat voorzichtig, over waar ze woonde en hoe het ging. Veerle woonde met haar moeder en de familie van haar zus, allemaal samen in een klein appartementje krap, maar meestal was ze toch aan het werk. Zelf nog nooit getrouwd, beetje pech in de liefde gehad, vertelde ze nuchter. Ze was al 45 jaar, zei ze zonder omhaal.
Toen zei Lidia: Veerle, neem jij de zorg van Bart op je, straks als ik er niet meer ben. Hij kan zichzelf zo moeilijk redden. Ik laat hem dus gewoon aan jou na. Zeg maar als een erfenis. Hij wordt zo snel ziek en gelooft iedereen…
Veerle was met stomheid geslagen. Ze wilde eigenlijk weigeren, maar Lidia vertelde haar alles. Met tegenzin stemde Veerle toe: Oké, ik beloof in elk geval dat ik even oplet, straks als je er niet meer bent.
Na Lidias dood dacht Veerle: ach, laat maar, straks denkt iedereen dat ik hier voor het huis ben. En Bart was in het begin ook niet haar type eerder als een verdwaalde lieveheersbeestje dan als een man. Maar ze voelde zich verantwoordelijk, had het tenslotte beloofd. Ze keek even bij hem binnen. Niemand deed open, maar de deur was niet op slot. In de kamer zag ze Bart op de grond op Lidias badjas kauwend, snikkend als een hond die zn baasje mist. Ze troostte hem, gaf hem thee, en regelde alles in huis.
Langzaam leefde het huis op. Bart stond bij elk bezoekje vrolijk bij de deur.
Uiteindelijk ben ik maar verhuisd, vertelde Veerle in het restauratierijtuig. Waarom zou ik hem alleen laten? Mijn familie was er blij mee eindelijk ruimte. In feite kreeg ik er gewoon een groot kind bij, maar wel eentje die slim is. Financieel hoef ik me geen zorgen te maken. Hij liet me stoppen met werken, ik deed vroeger verzorgingsklussen op verschillende plekken. Buurvrouwen zeiden van alles, maar ik kapte ze af: mensen halen toch ook katten en honden van straat? Soms moet je gewoon voor een mens zorgen die het even niet redt. Bart is een goeie, echt waar. Zn zoon heeft inmiddels hulp nodig met zn kleintje, dus daar gaan we nu naartoe. Ik krijg er energie van!
Op dat moment zwaaide de deur open, met een bos veldbloemen en een veel te lange sjaal om zn nek kwam Bart binnen.
Waarom ben je uit bed? Je bent nog zwak! Je bent alweer helemaal bezweet, je moet je straks omkleden! mopperde Veerle, maar met een zachte glimlach.
Bart hield haar hand vast: Veertje, ik heb die bloemen bij die omas op het perron voor je gekocht. Vind je ze mooi?
Veerle kreeg zowaar nog rodere wangen. En ze legde haar hand om zijn schouder.
Ze stapten iets eerder uit de trein, zij met een reusachtige koffer, hij met een klein tasje. Veerle hield hem stevig bij zn kraag, dwars door de menigte. En ze lachten samen zo warm, dat het voor iedereen duidelijk was: die twee, dat zit wel snor. Ze wordt gewoon zijn tweede vrouw, of ze het nu wil of niet!






