Moeder Karin
– Wat zit je hier te snikken? Je maakt er een waterballet van! Het is al vochtig buiten, en nu breng jij dat zelfs naar binnen!
Een gezette, stevige vrouw plofte naast Mirte op het bankje.
– Wat een benauwd weer vandaag! En dan die regen de hele ochtend. Nu lijkt het wel een stoombad. En het is pas middag, maar ik ben al helemaal doorweekt, ik kan mezelf wel uitwringen!
De vrouw haalde een flesje water uit haar boodschappentas, draaide na wat geklungel de dop eraf en hield het Mirte voor.
– Wil je wat? bood ze aan. Ze zeggen dat drinken helpt om rustig te worden. Voor mij werkt het niet. Al drink ik een emmer leeg, het helpt toch niet.
Mirte keek met onbegrip naar de vreemde naast haar op het bankje. Waarom moest ze nou óók dit weer meemaken? Alsof ze haar vaderland al niet genoeg op de proef had gesteld, kreeg ze dit er zomaar bij. Die vrouw naast haar…
Ze had zich altijd aan corpulente mensen geërgerd. Het had haar een gevoel van moedeloosheid gegeven. Hoe kun je jezelf zo verwaarlozen? Is het nu echt zo moeilijk om een paar oefeningen te doen, wat minder te eten en na te denken over andere mensen om je heen? Het zag er gewoon niet uit. Al die rollen en grote kleding, al dat zweten, de geur… Bah! Ze dacht aan die keer dat ze met haar vriendinnen in de sauna was en er zon vrouw in het zwembad lag.
– Ik ga echt niet zwemmen vandaag, meiden! had haar beste vriendin, Laura, geroepen. – Ik ben er klaar mee voor vandaag!
– Hoezo? We zouden hier de hele dag zijn?
– Nou, met dat daar? Laura had met afschuw gewezen. Ik kan daar niet eens naar kijken, laat staan erbij zijn. Ik vind het walgelijk!
Wat Laura toen nog meer zei, wilde Mirte het liefst vergeten. Haar woorden hadden Mirte geschokt, maar ze was eerlijk en moest toegeven dat ze het ergens met haar vriendin eens was. Het kon toch niet… Als je jezelf niet aankunt, blijf dan maar thuis. Daar had Laura wel een punt.
En nu zat ze naast een vrouw die zeker drie keer zo groot was als die vrouw bij het zwembad destijds. En alsof dat niet genoeg was, bleef ze maar praten! Mirte had gewoon de energie niet om op te staan. Ze zat hier al uren, eerst huilend, daarna gewoon voor zich uit starend. Ze had simpelweg geen andere plek waar ze heen kon behalve het station. Ze luisterde ongewild naar wat de zonderlinge vrouw naast haar zei en schrok even.
– Mooie meid ben je! Geen koffer, geen tas. Dus je reist niet. Wacht je op iemand? Of weet je ook niet waar naartoe je moet?
Mirte wendde haar blik van de muur af en keek uiteindelijk naar de vrouw.
Een vriendelijk, breed gezicht met wangen zo roze als appeltjes, straalde naar haar, tot Mirte ineens snikkend uitbarstte in tranen. Wat was het aan deze vrouw dat ze Mirte spontaan tegen zich aandrukte? Dat wist ze zelf later nog niet eens. Ze huilde hardop in de armen van de vrouw, haar hoofd met hip kapsel tegen de zachte stof van de blouse. De blouse rook helemaal niet naar zweet, realiseerde Mirte zich verrast. Het was een zachte geur van bloemen, zo sterk en tegelijk zo liefelijk dat Mirte zich ineens bedacht of die vrouw haar blouse uitgespoeld had in kruiden, of het was gewoon het wasmiddel.
Maar ineens schrok ze, kwam overeind en herinnerde zich plotseling: zo roken de handen van haar moeder een moeder die ze bijna niet meer herinnerde, want ze was nog maar vijf toen haar moeder door een ongeluk overleed. Haar enige tastbare herinnering was een veld vol bloemen, waar haar moeder een krans vlocht en die op haar hoofd zette. En haar handen, die roken net zo als deze vrouw nu.
– Wat is er met je, kleine? Heeft iemand je pijn gedaan?
Mirte schudde haar hoofd, tot ze uiteindelijk toch knikte.
– Wat een schande, zon kind laten huilen! mopperde de vrouw, haalde een stuk boterham en een grote appel uit haar tas. Toe maar, hier! Eet wat.
Toen ze het brood uitpakte, kwam de geur Mirte tegemoet en haar maag kromp in elkaar van honger ze had al bijna een dag niet gegeten, geld had ze niet.
– Vooruit, pak aan! Het is kipfilet. Zelf gemaakt, gezond. Je ziet eruit of je elk moment omvalt!
– Ik eet geen vlees… fluisterde Mirte schuldig, haar honger wegslikkend.
– Wat zeg je nou? Ach, joh, eet maar! De vrouw duwde haar de boterham in handen en brak de appel in tweeën.
Mirte keek naar die grote handen zonder gelakte nagels en voelde ineens dat het idee om zomaar met de trein te vertrekken misschien niet het beste was. Ze nam een hap van het broodje en zuchtte opgelucht. Het smaakte heerlijk.
– Lekker hè! Nou, dat is het belangrijkste. De rest is bijzaak.
De vrouw schoof wat over de bank, keek vriendelijk naar Mirte die inmiddels de boterham op had en wees op de tweede.
– Toe, neem het maar! En vertel me nou, wat doe jij op dit station, zonder spullen, en, als ik het zo zie, zonder geld?
Mirte knikte, veegde haar tranen weg en begon te vertellen.
Ze was gisteren van huis weggegaan. Of eigenlijk, weggelopen, nadat haar vader haar had verteld dat ze eigenlijk zijn dochter niet was, en dat hij nu een eigen kind zou krijgen. Ze kon de woorden niet bevatten. Die man, die haar had opgevoed, waar ze altijd papa tegen had gezegd, was dus niet haar echte vader? Geen wonder dat de wereld onder haar voeten weggleed…
Met haar stiefmoeder werd het nooit wat Iris, haar stiefmoeder, was amper ouder dan zijzelf toen ze in huis kwam. Ze probeerde aardig te doen, maar Mirte voelde meteen dat haar leven nooit meer hetzelfde zou zijn.
Kwade woorden, geroddel, stiekeme opmerkingen. Mirte zag het allemaal aan, maar haar vader had altijd naast haar gestaan tot nu. De laatste avond had haar vader juridische documenten op tafel gelegd. Mirte was geadopteerd toen ze drie maanden oud was. Wie haar echte vader was, bleef in het duister haar vader wist het niet, of wilde niet praten. Haar moeder kon ze het niet meer vragen.
Die nacht bleef Mirte zitten, stom voor zich uit starend. Vroeg in de ochtend trok ze haar jas aan en liep naar buiten, zonder doel. Uiteindelijk kwam ze op het station terecht. Haar telefoon was leeg; vrienden had ze nauwelijks: het gezin verhuisde vaak. En haar huidige contacten? Die zouden haar echt niet helpen. Houd van jezelf, laat de rest zitten, dan komt het wel goed, zon spreuk uit een oude tekenfilm, schoot haar te binnen. Het kleine duiveltje uit die film was zo schattig dat ze ooit een sleutelhanger van hem had besteld inmiddels alweer kwijtgeraakt.
De vrouw luisterde geduldig, onderbrak haar niet, wachtte tot Mirte klaar was en gaf haar een papieren zakdoekje.
– Veeg die tranen even af.
Daarna haalde ze een grote portemonnee uit haar tas.
– Kijk, meisje. Je moet echt met je vader gaan praten, maar dat kan straks. Jouw telefoon doet het niet?
– Hij is leeg.
– Begrijpelijk. Hier.
Ze gaf Mirte haar oude mobieltje.
– Ja, geen smartphone, maar hij werkt prima. Bel of sms naar huis dat alles goed is. Je vader is misschien geen topvader, maar ongerust maken hoeft ook niet.
Ze wachtte tot Mirte een bericht tikte. Toen stond ze met moeite op en klopte zichzelf af.
– Ik ben tante Karin. Ik woon net buiten Utrecht, in een groot dorp. Wil je met mij mee? Als je nergens heen kunt, vind ik dat een prima idee.
– Waarom doet u dit?
– Omdat er geen andermans kinderen bestaan, meisje. En omdat niemand een kind alleen moet achterlaten.
– Maar ik ben toch geen kind meer…
– Daar geloof ik niks van! Kom, sta op, we moeten je nog een kaartje kopen. Anders missen we de sprinter.
Zo kwam Mirte bij Karin van der Vliet terecht.
Op de reis vroeg tante Karin weinig. Later zou ze uitleggen: Geduld is belangrijk sommige mensen willen hun pijn delen, anderen niet. Niemand dwingen. De tijd doet zijn werk.
Mirte viel in slaap in de trein, werd pas wakker toen ze bij haar schouder werd aangeraakt:
– Opstaan, kind, we zijn er!
Op het perron werd tante Karin begroet door een lange, slanke vrouw.
– Mama Karin! Ik heb echt al twee sprinters gemist, ik dacht dat je niet meer zou komen! Hoe is het met Nora?
– Prima. Alles geregeld met haar en Jurre. Ik kijk overmorgen hoe het gaat.
– En wat zei de dokter?
– Die regelt het. Hij is jong, maar lijkt me bekwaam.
– En wie is dat? vroeg de vrouw, naar Mirte kijkend.
– Minder vragen, Lieke. We komen net van de trein. We hebben honger.
– Oh. Vooruit dan, stap in!
De oude Opel Kadett vond Mirte zo grappig dat ze proestte van het lachen.
– Nou ja zeg, lachen! Dat is airbrush! Mijn broer Sjoerd heeft het gedaan.
– Airbrush, ja … Mirte corrigeerde haar automatisch, terwijl ze een getekende Tom Poes bekeek.
– Hoe heb je deze slimme tante gevonden, mam Karin? Lieke zwaaide de autodeur open en hielp Karin erin.
– Op het station.
– Net als bij mij… Lieke keek nieuwsgierig naar Mirte. Kun je tekenen?
– Ja. Heb kunstacademie gedaan.
– Top! Dat moet je Sjoerd vertellen. Die heeft zichzelf alles aangeleerd.
– Wauw, echt? Ziet eruit alsof hij pro is.
– Kun je zelf aan hem vertellen. Stap in, er wachten er meer thuis.
– Wie?
– Je zult het zo zien!
Lieke reed zo hard dat Mirte telkens haar ogen dichtkneep bij bochten.
– Rustig Lieke, we komen er heus wel. grinnikte Karin naar Mirte. Ik ben er aan gewend, maar voor jou is het nieuw.
– Ze went er vanzelf aan! Lieke parkeerde met piepende banden bij een grote boerderij. We zijn er!
Kinderen renden massaal naar het hek.
– Allemaal van mij, kind! lachte Karin terwijl ze moeizaam uit de auto stapte. Maar je hoeft je geen zorgen te maken. Ik woon alleen, ze zijn buren. Daarom is mijn huis altijd vol. Kom, wees niet verlegen!
De kinderen schreeuwden vrolijk, Karin aaide hoofden en kneep in wangen.
De grote familie van Karin was voor Mirte in het begin een doolhof. Pas toen Lieke met haar zoontje kwam en Mirte een rondleiding gaf, viel alles op zijn plek.
– Kijk, hier aan de straat wonen drie van ons: Fien, Bram, Annemieke, allemaal met gezinnen. Je zag ze bij aankomst. Even verderop wonen er nog twee: Olga en Vera, en haar kinderen. En aan het einde wonen wij, Sjoerd & Nora ook. Noras zoontje Jurre is ziek. We hopen op een operatie.
– Lieke, ik raak een beetje de draad kwijt.
– Geen nood, komt vanzelf. We zijn met velen.
– Tja, tante Karin is een echte heldin. Zoveel kinderen baren!
Lieke lachte uitbundig.
– Nee joh, ze heeft ons niet zelf gekregen. Wij zijn allemaal vondelingen, net zoals jij.
Mirte bleef stil staan.
– Hoezo?
– Lang verhaal. Kom, blijf niet hangen.
Het huis van Lieke was klein, maar knus. Op de keukenbank lag een kat. Ga maar zitten, zei Lieke, ik leg de kleine even op bed.
Mirte bekeek de keurig opgeruimde keuken, de ramen met witgordijnen met bloemetjes, allemaal handgemaakt.
– Mooi hè? Mijn dochters werk. Ik heb het geleerd toen ik zwanger was. Drie keer moest ik blijven liggen van de dokter, dan ga je vanzelf handwerken.
– Prachtig! Mirte streek over een bloem.
– Mn moeder leerde me alles, vroeger kon ik niks. Zij nam me in huis, net zoals Karin bij jou deed.
– Hoe bedoel je, nam jou in huis?
– Mijn ouders waren alcoholisten. Ik herinner me niet veel van mijn jeugd. Mama zei dat je herinneringen kan verliezen van pijn dat is een manier voor je hersenen om te overleven.
– Dissociatieve amnesie.
– Wat?
– Geheugenverlies door trauma.
– Hoe weet jij dat?
– Ik wilde psychologie studeren. Maar door rugproblemen haalde ik mijn examen niet, toen ging ik particulier verder met hulp van papa. Nu hij niet meer wil betalen, weet ik het niet.
– En je rug?
– Na een operatie is het nu goed, af en toe nog pijn.
– Maar dus… Op je dertiende kon je niet meer thuis blijven?
– Nee, ik ben weggerend. Naar het station, net als jij. Karin vond me daar. Ze nam me mee. Ze werd mijn voogd, later adopteerde ze me. Daarna Sjoerd, die nog klein was toen. Zoveel liefde en energie als zij iedereen geeft, ongelofelijk. Sjoerd is nu een grote vent.
– Heeft tante Karin eigen kinderen?
– Nee. Heb je gezien hoe ze eruitziet?
– Ja, ik dacht gewoon… tja…
– Nee, Mirte. Ze heeft al jaren diabetes, en een zwak hart, allerlei diagnoses die ze voor zich hield. Ze mocht geen kinderen adopteren vanwege haar gezondheid. Stiekem kreeg ze toch voogdij over een boel van ons. Pas toen ze niet anders kon is ze gaan kuren. Haar zus is arts en hield alles in de gaten.
– Waarom vertelt ze dat niet?
– Ze was vroeger schitterend. Slim, wilde arts worden. Het liep anders. Net niet toegelaten op de universiteit. Teruggekomen, verliefd, getrouwd, mishandeld… Ze praat er nooit over, alleen ooit zei ze dat haar ribben en vingers gebroken waren door hem. Volgens haar zus heeft haar ex man daarvoor gezeten. Daarna vluchtte ze, zorgde voor haar ouders tot die overleden. Eigen kinderen kon ze door alles niet krijgen. En toen kwamen wij in haar leven. Ze zegt altijd dat wij háár vonden, niet andersom…
– Hoe redt ze het financieel?
– Tja, een deel via de gemeente, voogdij, toeslagen. Karin weet exact hoe het werkt. En ze kreeg hulp van Paul, een jongen die ze in de binnenstad vond, ziek en in de war. Zijn vader, een rijke Rotterdamse zakenman, kwam hem zoeken kwam zelfs met een colonne zwarte autos aanzetten. Maar het bleek een hele goede vent, die nu nog steeds Karin helpt, financieel én juridisch. Karin noemt hem haar koning, als in een sprookje. Dankzij hem werkt alles: Paul woont weer bij zijn vader, maar komt vaak logeren.
Dus Mirte, als je dit in een boek zou lezen, zou je het geloven?
Mirte schudde met verbazing haar hoofd.
– Nee, te veel om te bevatten.
– En toch is het echt. Zonder Karin waren we er allemaal niet meer…
Niet veel later kwamen de mannen thuis voor de warme lunch. Mirte at met de hele familie, lachte stiekem, en voelde ineens de tranen opkomen. Bij haar thuis at men altijd los van elkaar. Sinds Iris er was, at Mirte het liefst alleen, om de sfeer niet te verpesten. Nu voelde ze: zo’n huis wil ik ook. Warmte, kinderen, liefde… Ze huilde zachtjes.
– Hé, ik heb er al zout in gedaan! Lieke sloeg een arm om haar heen. Stop met huilen. Jij hoort er nu bij. Je bent thuis! Niemand doet je meer pijn.
Voor het eerst vertelde Mirte eerlijk alles: over haar ouders, moeder en Iris. Lieke luisterde zonder te onderbreken.
– Ik zou je een tip willen geven.
– Wat dan?
– Blijf je vader niet haten. Hij heeft je opgevoed en misschien weet hij niet beter. Geluk kan iemand van slag maken: je vader is misschien door de komst van een eigen kind helemaal van de kaart.
Mirte knikte.
– Is hij zo zakelijk? Vast DNA-test gedaan?
– Hoe weet jij dat?
– Klinkt als zijn stijl. Maar laat het gaan, Mirte. Denk je dat hij je niet wil helpen?
– Hij bood me een flat aan.
– Doen. Er zijn weinig kansen zo. Maar organiseer je eigen leven. Je bent sterk.
Uiteindelijk betaalt haar vader haar studie. Mirte wordt na haar afstuderen een geliefde kinderpsychologe in Utrecht, haar praktijk is maanden vooruit volgeboekt. Iris bevalt van een zoon, Mirte feliciteert de familie maar ze ziet haar vader zelden meer. Niet uit haat, maar haar nieuwe familie met Karin is voor haar veel belangrijker.
En wanneer Karin, door iedereen moeder genoemd, later ziek wordt, laat Mirte alles vallen om in het dorp voor haar te zorgen. Zes maanden lang. Het zijn de zwaarste én gelukkigste maanden uit haar leven ze voelt zich écht geliefd, écht nodig.
Dankzij de familie herstelt Karin. Lopen blijft moeilijk, haar spraak minder duidelijk maar Sjoerd en Rus maken een koninklijk bankje waar ze dagelijks zit. Kinderen springen om haar heen.
– Hoe zit uw troon, majesteit? Theetje?
Kinderen roepen steeds haar hulp bij spelletjes. Mirte gaat pas terug naar de stad als ze zeker weet dat Karin het redt.
Een half jaar later is Karin de eerste die Mirte op haar bruiloft uitnodigt.
– Mama Karin, ben je erbij?
– Altijd, meisje, altijd…
En zo vindt Mirte, midden tussen mensen met wie ze geen bloedband deelt, wat familie écht betekent: niet wie je baart, maar bij wie je mag thuiskomen. Want een echte familie kies je met je hart.







