Sanne, wil je misschien even naar de supermarkt voor een vers broodje gaan? De troebele blik van de vijfenveertigjarige vrouw kan zich nauwelijks meer richten op het tengere silhouet van haar zevenjarige dochter, die gretig slikt bij de gedachte aan brood.
Natuurlijk, mam
Sanne wacht geduldig op geld, waarmee de verkoopster van de plaatselijke nachtwinkel, tante Marja, haar, onder veel gemopper, een brood verkoopt. Soms duwt ze haar zelfs zon romige chocoladereep of een handvol dropjes in haar hongerende vuistje.
Het is me toch wat, zon kindje Wat een schatje groeit er op in dat huis vol drank, moppert Marja terwijl ze haar oploskoffie nipt.
Sanne rent met volle vaart terug naar huis, terwijl ze de hemelse geur van de knapperige korst probeert te negeren. Als ze zich goed heeft gedragen, scheurt haar moeder altijd een stukje van de korst af. Daarbovenop legt ze soms twee, drie vette haringen uit blik, waarvan het olie in het zachte brood trekt. Het meisje eet langzaam, kleine hapjes nemend, en kauwt iedere keer goed op haar eenvoudige lekkernij. Aan het aantal lege flessen te zien, verwacht haar ouders vanavond bezoek, dus aan een gewone maaltijd hoeft ze niet meer te denken. Het belangrijkste nu is om onopgemerkt het huis te verlaten, anders loopt ze risico op problemen. De vorige keer kreeg ze zon harde klap van haar vader, dat haar hoofd twee dagen pijn deed en haar neus telkens bloedde.
Sanne stapt het portiek uit. In haar hand heeft ze nog een kwart brood en een hele haring. Buiten is het stil, ondanks het zachte voorjaarsweer. Er zijn nauwelijks mensen te zien, ergens klinkt vrolijke muziek, en in haar jaszak wachten nog twee chocolaatjes op het juiste moment. Het voelt fijn. Niet koud om door de straten te slenteren, en als ze wil, kan ze altijd bij tante Marja in de winkel langsgaan voor een kop koffie met melk en suiker. Sanne slentert langzaam langs de verlichte ramen, dromend van een echte vriendin. Dan zou ze helemaal gelukkig zijn, omdat ze haar dromen, haar gedachten kon delen of gewoon samen kon zwerven als ze niet naar huis durft. Maar dan klinkt er een zielig gepiep uit de struiken bij de vuilniscontainer, en Sanne stopt. Voorzichtig kijkt ze tussen het vieze oude textiel. In een gescheurde schoenendoos zit een klein gestreept katje zachtjes te miauwen. Sanne steekt haar hand uit en het diertje snuffelt aarzelend. De geur van haring maakt het katje enthousiast; het likt hongerig haar vingers af, wat bij het meisje een giechel oproept.
Heb je honger, kleintje? Kijk eens wat ik heb! Sanne legt plechtig de hele haring voor het katje neer en propt de rest van het brood in haar mond.
Hier, eet maar lekker.
Het kleine roofdiertje stort zich gulzig op de traktatie en gromt zelfs als Sanne hem wil aaien.
Rustig aan, anders krijg je buikpijn. Dat heb ik ook weleens gehad, lacht Sanne haar nieuwe vriendje toe.
Wil je bij mij komen wonen? Ik noem je Tijgertje en ik zal altijd mijn eten met je delen, Sanne tilt het pluizige, vederlichte beestje voorzichtig op en steekt hem weg onder haar jas.
De lantaarns schijnen geel als mei-honing op de stoep waar het meisje opzichtig kletst met het spinnende koppie dat uit haar jas steekt.
***
Thuis is het stil. In de keuken staan lege flessen, vieze borden en een overvolle asbak. De CV bromt en de klok tikt onbezorgd. Sanne ploft op een stoel en zet Tijgertje op tafel. Het beest snuffelt aarzelend aan een leeg glas.
Bah! Niet doen, Tijgertje! Dat is viezigheid, straks wil je dat elke dag drinken en dan kunnen we geen vrienden meer zijn! Ze grijpt het katje en drukt hem stevig tegen haar gezicht. Het katje spint en duwt geruststellend zijn pootjes tegen haar neus. Alsof hij wil zeggen: Maak je geen zorgen, wij blijven samen!
Die nacht slaapt Sanne heerlijk. Ze droomt van bananenijs en kersenflappen. Tijgertje nestelt zich naast haar, spint zachtjes haar kattenliedjes.
De volgende ochtend is haar vader woedend als hij het katje ziet. Hij schreeuwt dat die beesten hier niet horen. Haar moeder rookt een nieuwe sigaret met een nat washandje tegen haar hoofd. Met schorre stem vraagt ze Sanne het katje weg te brengen, voor haar eigen bestwil.
Sanne, haar tranen wegslikkend, zit met Tijgertje bij het portiek. Ze weet niet waar ze hem kan onderbrengen. De kat achterlaten bij de vuilnis voelt als verraad. Snikkend loopt ze naar de winkel van tante Marja. Stamelend vertelt ze wat er gebeurd is, en smeekt om Tijgertje op te vangen. Ze belooft elke dag voor hem te zorgen en hem eten te brengen. Het hart van de vrouwen smelt; ze mogen het katje in het magazijn houden. Tijgertje krijgt een oude trui en een plastic emmer van mayonaise als mandje.
De hele lente en zomer rent Sanne naar haar katje, breekt telkens een stukje brood af om hem te voeren, waarvoor ze thuis geregeld klappen krijgt. Maar wat maakt dat uit, als je een echte vriend hebt? Sanne praat eindeloos met haar kat, die spinnend op haar magere knieën ligt, met amethistkleurige ogen dichtgeknepen. Tante Marja schept restjes van het avondeten in een bakje en zegt op een dag tegen haar collega:
Goh, zon kat heb ik nog nooit gezien. Moet je zn ogen zien, die lijken nep! Kijk dan, Ans.
Beide verkoopsters bewonderen Tijgertjes ogen: warm en vol begrip, terwijl hij tevreden terugspint.
Tegen de herfst verandert Tijgertje in een prachtige kater. Dikke vacht, sprookjesachtige ogen. Er zijn klanten die hem mee willen nemen, maar hij houdt afzijdig, wacht trouw op zijn baasje.
Op een dag blijft Sanne een paar dagen weg. Geen broodkopen, geen bezoekjes aan Tijgertje. Tante Marja maakt zich zorgen: zou ze ziek zijn? Maar Sanne komt toch binnen. Op haar bleke wangen zitten al gele plekken, haar lip is korstig. Op de vragende blikken zegt ze enkel:
Gevallen.
Achter de winkel, met haar betraande gezicht in de zachte vacht van de kat gedrukt, fluistert ze lang tegen haar vriend. Uiteindelijk valt ze in slaap, haar armen om Tijgertje heen. Marja tilt haar voorzichtig op en legt haar op de oude bank in het magazijn, onder een versleten deken. Dan belt ze agent de Vries, de buurtagent, maar die zucht enkel: bewijs van mishandeling is lastig, hij wil geen gedoe met die dronken lui. Marja pinkt een traan weg. Ze heeft zelf geen kinderen en denkt steeds vaker dat ze niets liever zou willen dan zon dochtertje.
Tijgertje draait zenuwachtig rondjes om de bank, snuffelt beschermend aan Sannes gezicht, en verdwijnt dan geruisloos. Sanne slaapt de hele nacht in de winkel en niemand mist haar thuis. De volgende ochtend krijgt ze boterhammen met zoete thee van tante Marja. Samen met tante Ans mag ze even op de winkel passen terwijl Marja belangrijke zaken regelt. Sanne is blij. Marja, vastberaden, gaat naar haar ouders. Maar bij de flat houdt agent de Vries haar tegen.
Ho, jij blijft hier. Er is vannacht een moord gepleegd. Je hoeft daar niet heen. Trouwens, heb je dat Aarnink-meisje niet gezien vannacht?
Sanne? Wie is er dan vermoord? Marjas blik schiet door het flatgebouw.
Haar ouders. We zoeken Sanne, misschien hebben ze haar meegenomen.
Nee, ze sliep vannacht bij mij in het magazijn. Ze is veilig. Maar wie heeft het gedaan?
Geen idee. Waarschijnlijk ruzie in de kroeg, de rest mogen wij uitzoeken. Zeg Marja, laat dat meisje voorlopig maar bij jou logeren tot we familie vinden. Anders belandt ze in een pleeggezin.
Natuurlijk, geen enkel probleem, Marjas hart maakt een vreugdesprongetje. Van Sannes ouders heeft ze geen greintje medelijden. Ze rent gelukkig terug naar de winkel.
Samen met Ans besluiten ze Sanne niets te vertellen over de dood van haar ouders, alleen dat haar moeder heeft toegestaan dat ze bij tante Marja logeert. Sanne is opgetogen en vraagt enthousiast of ze mag leren kassa draaien.
Vanaf die dag blijft Tijgertje weg; hoe vaak Sanne hem ook roept, hij komt niet meer opdagen. Zijn bakje blijft onaangeroerd.
Tante Marja zorgt voor Sanne, bang voor het moment waarop de jeugdzorg haar toch zal weghalen. Op een dag waagt ze het om haar te adopteren, maar de instanties wijzen af: alleenstaand, geen echtgenoot, werkt nachtdiensten, dus ongepast. Marja krimpt ineen van onzekerheid, maar blijft het proberen. Twee maanden gaan voorbij. Sanne raakt steeds meer gewend aan het leven met Marja; ze leert een eitje bakken, langzaam lezen, en netjes opruimen om Marja blij te maken.
Op 3 november, als de eerste sneeuw valt, wordt Sanne acht. Ze blaast de kaarsjes uit op een honingcake van de winkel en zegt opgewekt tegen Marja:
Ik wil dat we altijd samen blijven, dat jij mijn mama wordt!
Dat is ook mijn grootste wens, lieve Sanne, fluistert Marja.
Er wordt op de deur geklopt. Er zijn geen gasten verwacht, dus als er een keurige jongeman op de drempel verschijnt, schrikt Marja even.
Goedemiddag, ik ben van Jeugdzorg Amsterdam. Uw verzoek tot adoptie is bij mij terechtgekomen, dus ik kom nu kennismaken, zegt hij en steekt zijn hand uit.
Kom binnen, we verwachtten niemand, nodigt Marja hem uit naar de keuken.
Wilt u thee? Tante Marja heeft net een nieuwe gekocht, met tropische vruchten. Die heeft u vast nog nooit geproefd, biedt Sanne aan en zet een warme beker voor hem neer.
Dank je. En is die taart van jou? glimlacht hij.
Ja! Ik ben vandaag acht. Volgend jaar ga ik naar groep vier, knikt ze trots.
Dat is wat, naar school! Hoe bevalt het je hier?
Goed hoor! Sannes ogen lichten op.
Ze praten uitgebreid, eten taart, drinken thee met tropische vruchten. De kleine Sanne en de vriendelijke man in pak. Marja kijkt ze glimlachend aan, haar kin leunend op haar vuist. Het geeft haar een warm en gerust gevoel.
Helaas moet ik gaan, zegt de man en vist een map uit zijn tas.
Hiermee moet u morgen naar de rechtbank in Amsterdam, naar de griffier, en een verklaring afleggen. Geen zorgen, ze leggen alles uit. De rechtzaak is een formaliteit. U mag Sanne daarna ophalen.
Ophalen? Marja stottert, vindt geen woorden. Maar Sanne vliegt hem om de hals en fluistert keer op keer:
Dank u wel! Dank u wel! Dank u wel!
Dank u wel, fluistert Marja met tranen van geluk die ze amper kan bedwingen.
Pas goed op haar, zegt de man tegen Marja. Tot haar verbazing vangt zij een glimp op van paarsblauwe ogen, warm als altijd vol begripDie nacht, als de winkel is gesloten, ruikt het in de kleine bovenkamer naar honingcake en tropische thee. Marja en Sanne liggen naast elkaar; Marja leest voor, haar stem kalm en warm. Buiten valt de sneeuw in dikke vlokken neer en het licht van de lantaarn kleurt het plafond zacht goud.
Sanne fluistert, net voor ze haar ogen sluit:
Denk je dat Tijgertje ooit terugkomt?
Marja aait haar haren en zegt zacht:
Wie weet. Maar sommige vrienden blijven altijd bij je, zelfs als je ze even niet ziet.
Met een gerust hart slaapt Sanne in, haar dromen gevuld met de geruststellende warmte van thuis, zachte vacht, geur van vers brood en de stemmen van mensen die haar willen houden.
In de nacht klinkt er zacht getrippel over het dak. In het schijnsel van de maan zit een gestreepte kat, ogen als amethist, spinnend op de vensterbank. Heel even, voordat hij verdwijnt in de tuinen van de stad, kijkt hij naar binnen, naar het slapende meisje, en slaat zijn staart troostend om zijn poten.
s Morgens wordt Sanne wakker in armen die vastbesloten zijn haar nooit meer los te laten. In de winkel hangt de geur van verse broodjes, en van achter het raam lacht de wereld haar toe. Haar nieuwe leven ligt open vol vertrouwen, vriendschap en de zekerheid dat er altijd plek is voor mensen die elkaar vinden, op een gewone dag, in een kleine, wonderlijke winkel vol licht.






