Weet je, Femke was 35 en ze dacht echt dat ze nooit dat echte vrouwengeluk zou meemaken, maar het lot had andere plannen. Ze kwamen bij elkaar toen ze allebei bijna veertig waren. Bram was toen al drie jaar weduwnaar. Femke was nooit getrouwd geweest, maar ze had wel een zoon gekregen. Zoals ze in het dorp zeiden, ze had hem puur voor zichzelf. In haar jonge jaren had ze iets met een knappe donkere jongen, Mark. Hij beloofde te trouwen en verleidde de jonge Femke. Ze viel voor zijn mooie woorden, die later nergens op sloegen. Achteraf bleek die charmante man uit de grote stad al getrouwd te zijn.
Zelfs Marks wettige vrouw kwam naar Femke toe om te smeken dat het meisje niet een ander gezin kapot zou maken. De jonge onervaren Femke gaf het op. Maar ze besloot het kind te houden.
Dat gebeurde ook. Femke kreeg Thijs. En die jongen werd haar enige troost en vreugde. Thijs was netjes opgevoed en deed het goed op school. Na de middelbare ging hij naar de economische universiteit. Bram kwam een paar keer bij Femke langs. Hij stelde voor om samen te gaan wonen. Maar de vrouw twijfelde steeds, ook al vond ze hem aardig. Femke schaamde zich een beetje voor haar eigen zoon en voor het idee om eindelijk gelukkig te worden.
Op een avond besloot Thijs een praatje te maken met zijn moeder. Hij zei dat hij het goed vond: Mam, ik woon toch al niet meer thuis. Oom Bram is een betrouwbare vent. Zolang hij je maar niet slecht behandelt. Het gaat erom dat jij gelukkig bent. Brams zoon vond het ook prima.
Zo gingen ze samen leven. Ze trouwden en hadden een klein feestje. Femke werkte in de dorpsbibliotheek, en Bram was boer. Alles deden ze samen. Ze hielden dieren en bewerkten de tuin. Ze hielden van elkaar en respecteerden elkaar, alleen jammer dat God hun geen eigen kinderen schonk.
De twee zonen trouwden allebei en ze kregen kleinkinderen. Telkens met de feestdagen maakten ze lekkere spullen klaar voor de kinderen en kleinkinderen. Verse eieren, melk, room, varkensvlees en kip. Op die dagen kwamen er veel gasten in hun huis. Dan zaten Bram en Femke aan tafel en waren blij. Ze genoten ervan dat ze mensen hadden om mee te vieren.
Alleen ‘s avonds, als het oude stel naar bed ging, dacht iedereen stilletjes: ik hoop dat ik als eerste ga, zodat ik nooit eenzaam hoef te zijn.
De jaren vlogen voorbij. En op een dag kwam het ongeluk toch. ‘s Morgens voelde Femke zich niet goed, net toen ze erwtensoep stond te koken in de keuken. De oudere vrouw viel neer. Bram riep met hulp van de buren een ambulance. De artsen zeiden dat Femke een beroerte had. Alle functies werkten nog, behalve één. Ze kon niet meer lopen. Thijs kwam met zijn vrouw kijken bij zijn moeder. Hij gaf wat euro’s voor de medicijnen en reed weer weg.
Bram huurde een auto, en toen Femke uit het ziekenhuis kwam, droegen hij en een buurman haar naar binnen in de woning.
Alles wordt goed, troostte hij zijn vrouw, jij hoeft alleen te leven. Al is het maar dat je zit en met me praat. Alleen leven. Ik kan alles wel. Laat me niet in de steek, mijn schatje!
Bram paste goed op zijn vrouw. Na een maand zat ze in een stoel. Ze hielp hem in de keuken. Alles deden ze nog samen. Aardappelen en wortels schillen, bonen sorteren. Zelfs brood bakten ze. ‘s Avonds praatten Femke en Bram over hoe ze verder moesten. De winter kwam eraan. En Bram had geen kracht meer om hout te hakken.
Misschien nemen de kinderen ons mee voor de winter, en in de lente en zomer redden we ons wel.
In het weekend kwam Thijs met zijn vrouw langs. Schoonzus Sanne keek de kamer rond en zei: We moeten jullie scheiden, schatjes. We halen moeder volgende week op. Ik maak een kamer klaar. En dan komen we.
En ik dan? fluisterde Bram verlegen. We zijn nooit uit elkaar geweest. Kinderen, dat kan toch niet.
Dat was toen, toen jullie nog de kracht hadden voor de boerderij en voor jezelf konden zorgen, maar nu is het anders. Laat Koen je ook halen. Niemand neemt jullie samen mee.
Thijs en zijn vrouw gingen terug naar huis. Bram en Femke zuchtten verdrietig en vroegen zich af wat nu. Elk van hen hoopte bij het slapen in dat ze niet meer wakker zouden worden, om dit allemaal niet te hoeven meemaken.
Het volgende weekend kwamen beide zonen. Ze gingen aan de slag met de spullen. Bram zat naast het bed van Femke. Hij bleef naar haar kijken, dacht terug aan hun jonge jaren. En hij huilde. Hij leunde tegen zijn zieke vrouw. En fluisterde: Vergeef me Femke, dat het zo is gelopen. We hebben de kinderen niet goed opgevoed ergens. Ze verdelen ons als ongewenste katjes. Vergeef het me. Ik hou van je.
Femke wilde zijn gezicht aaien met haar hand, maar ze had geen kracht meer. Bram ging weg en veegde zijn tranen weg met zijn mouw. Maar toen hij in de auto zat, veegde hij ze niet meer af.
Daarna pakten de zoon met zijn vrouw en de buurman Femke in, wikkelden haar in een deken en droegen haar naar buiten, met de voeten eerst. De zieke vrouw vond dat heel symbolisch. Femke verzette zich niet, ze was al niet meer toen Bram wegging. En de zieke vrouw wilde alleen maar niet meer wakker worden tot de avond.
Er ging een week voorbij. Op een mooie herfstdag, precies op Allerzielen, kwam hun wens uit. Femke en Bram zagen elkaar weer in de andere wereld.Weet je, Femke was 35 en ze dacht echt dat ze nooit dat echte vrouwengeluk zou meemaken, maar het lot had andere plannen. Ze kwamen bij elkaar toen ze allebei bijna veertig waren. Bram was toen al drie jaar weduwnaar. Femke was nooit getrouwd geweest, maar ze had wel een zoon gekregen. Zoals ze in het dorp zeiden, ze had hem puur voor zichzelf. In haar jonge jaren had ze iets met een knappe donkere jongen, Mark. Hij beloofde te trouwen en verleidde de jonge Femke. Ze viel voor zijn mooie woorden, die later nergens op sloegen. Achteraf bleek die charmante man uit de grote stad al getrouwd te zijn.
Zelfs Marks wettige vrouw kwam naar Femke toe om te smeken dat het meisje niet een ander gezin kapot zou maken. De jonge onervaren Femke gaf het op. Maar ze besloot het kind te houden.
Dat gebeurde ook. Femke kreeg Thijs. En die jongen werd haar enige troost en vreugde. Thijs was netjes opgevoed en deed het goed op school. Na de middelbare ging hij naar de economische universiteit. Bram kwam een paar keer bij Femke langs. Hij stelde voor om samen te gaan wonen. Maar de vrouw twijfelde steeds, ook al vond ze hem aardig. Femke schaamde zich een beetje voor haar eigen zoon en voor het idee om eindelijk gelukkig te worden.
Op een avond besloot Thijs een praatje te maken met zijn moeder. Hij zei dat hij het goed vond: Mam, ik woon toch al niet meer thuis. Oom Bram is een betrouwbare vent. Zolang hij je maar niet slecht behandelt. Het gaat erom dat jij gelukkig bent. Brams zoon vond het ook prima.
Zo gingen ze samen leven. Ze trouwden en hadden een klein feestje. Femke werkte in de dorpsbibliotheek, en Bram was boer. Alles deden ze samen. Ze hielden dieren en bewerkten de tuin. Ze hielden van elkaar en respecteerden elkaar, alleen jammer dat God hun geen eigen kinderen schonk.
De twee zonen trouwden allebei en ze kregen kleinkinderen. Telkens met de feestdagen maakten ze lekkere spullen klaar voor de kinderen en kleinkinderen. Verse eieren, melk, room, varkensvlees en kip. Op die dagen kwamen er veel gasten in hun huis. Dan zaten Bram en Femke aan tafel en waren blij. Ze genoten ervan dat ze mensen hadden om mee te vieren.
Alleen ‘s avonds, als het oude stel naar bed ging, dacht iedereen stilletjes: ik hoop dat ik als eerste ga, zodat ik nooit eenzaam hoef te zijn.
De jaren vlogen voorbij. En op een dag kwam het ongeluk toch. ‘s Morgens voelde Femke zich niet goed, net toen ze erwtensoep stond te koken in de keuken. De oudere vrouw viel neer. Bram riep met hulp van de buren een ambulance. De artsen zeiden dat Femke een beroerte had. Alle functies werkten nog, behalve één. Ze kon niet meer lopen. Thijs kwam met zijn vrouw kijken bij zijn moeder. Hij gaf wat euro’s voor de medicijnen en reed weer weg.
Bram huurde een auto, en toen Femke uit het ziekenhuis kwam, droegen hij en een buurman haar naar binnen in de woning.
Alles wordt goed, troostte hij zijn vrouw, jij hoeft alleen te leven. Al is het maar dat je zit en met me praat. Alleen leven. Ik kan alles wel. Laat me niet in de steek, mijn schatje!
Bram paste goed op zijn vrouw. Na een maand zat ze in een stoel. Ze hielp hem in de keuken. Alles deden ze nog samen. Aardappelen en wortels schillen, bonen sorteren. Zelfs brood bakten ze. ‘s Avonds praatten Femke en Bram over hoe ze verder moesten. De winter kwam eraan. En Bram had geen kracht meer om hout te hakken.
Misschien nemen de kinderen ons mee voor de winter, en in de lente en zomer redden we ons wel.
In het weekend kwam Thijs met zijn vrouw langs. Schoonzus Sanne keek de kamer rond en zei: We moeten jullie scheiden, schatjes. We halen moeder volgende week op. Ik maak een kamer klaar. En dan komen we.
En ik dan? fluisterde Bram verlegen. We zijn nooit uit elkaar geweest. Kinderen, dat kan toch niet.
Dat was toen, toen jullie nog de kracht hadden voor de boerderij en voor jezelf konden zorgen, maar nu is het anders. Laat Koen je ook halen. Niemand neemt jullie samen mee.
Thijs en zijn vrouw gingen terug naar huis. Bram en Femke zuchtten verdrietig en vroegen zich af wat nu. Elk van hen hoopte bij het slapen in dat ze niet meer wakker zouden worden, om dit allemaal niet te hoeven meemaken.
Het volgende weekend kwamen beide zonen. Ze gingen aan de slag met de spullen. Bram zat naast het bed van Femke. Hij bleef naar haar kijken, dacht terug aan hun jonge jaren. En hij huilde. Hij leunde tegen zijn zieke vrouw. En fluisterde: Vergeef me Femke, dat het zo is gelopen. We hebben de kinderen niet goed opgevoed ergens. Ze verdelen ons als ongewenste katjes. Vergeef het me. Ik hou van je.
Femke wilde zijn gezicht aaien met haar hand, maar ze had geen kracht meer. Bram ging weg en veegde zijn tranen weg met zijn mouw. Maar toen hij in de auto zat, veegde hij ze niet meer af.
Daarna pakten de zoon met zijn vrouw en de buurman Femke in, wikkelden haar in een deken en droegen haar naar buiten, met de voeten eerst. De zieke vrouw vond dat heel symbolisch. Femke verzette zich niet, ze was al niet meer toen Bram wegging. En de zieke vrouw wilde alleen maar niet meer wakker worden tot de avond.
Er ging een week voorbij. Op een mooie herfstdag, precies op Allerzielen, kwam hun wens uit. Femke en Bram zagen elkaar weer in de andere wereld.







