In het schoolmagazine van maart drieënnegentig stond tegenover mijn achternaam: betaald. De initialen niet die van mijn moeder.
Op de pagina van maart drieënnegentig stond naast mijn naam in het schoolboekje: betaald. Daarnaast de initialen niet die van mijn moeder. Ik was veertien, stond in de rij van de schoolkantine met een groen plastic dienblad waarop niets lag.
Elke dag was het hetzelfde. Erwtensoep die zo rook dat mijn maag er van samenkneep. Gehaktbal met aardappelen. In een facetglas een sapje van gedroogd fruit. Alles kostte maar een paar stuivers, maar zelfs die hadden wij thuis niet. Mijn moeder naaide voor anderen, herstelde oude jassen en geld kwam sporadisch, in kleine porties, waar we net brood en aardappelen van kochten.
Ik leerde om in de rij te gaan staan en dan weer weg te lopen. Alsof ik mn portemonnee was vergeten. Alsof ik niet hongerig was. Alsof ik thuis zou lunchen. Niemand vroeg wat. Of ze deden alsof ze niets zagen.
Klasgenoten zaten aan de tafels, klopten met hun lepels en praatten. Lianne Suijker dreef stukjes brood door de jus en likte haar vingers af. Marloes Koster sneed haar gehaktbal in piepkleine stukjes, alsof ze in een restaurant zat. Ik liep voorbij, hield mijn aardrijkskundeboek stevig tegen mijn borst en keek expres niet naar hun borden.
In de gang bij de kapstokken was het rustig. Ik ging op een vensterbank zitten en wachtte op de bel. Mijn maag rommelde en ik stopte mijn hoofd in mijn tas, zodat niemand het hoorde. Af en toe vond ik in een jaszak een zuurtje daar had thuis nog geld voor gelegen die ochtend. Eén zuurtje voor de hele dag. Ik zoog erop tot alleen een scherp suikerschilfertje in mijn mond overbleef.
Maar eens per week, soms vaker, gebeurde er iets anders. Ik stond alweer op het punt de rij te verlaten toen zei de kassamevrouw plotseling zacht, zonder me aan te kijken:
– Er is voor je betaald. Neem maar.
Ik nam het aan. Legde het dienblad op de rails langs de serveerbalie en dan kreeg ik soep, het hoofdgerecht, en een glas sap. Ik ging aan de tafel bij het raam zitten en at langzaam, want als je snel eet zie je eruit alsof je uitgehongerd bent. De eerste hap soep brandde aan mijn gehemelte, en ik voelde het tot in mijn botten alsof ze een verwarming in mijn lichaam aanzetten.
Wie er betaalde, wist ik niet. Vragen durfde ik niet. Ik dacht: als ik vraag, stopt de magie. Net als in die sprookjes waarin je niet achterom mag kijken.
Ook mijn moeder vroeg nooit. Ze had het nooit over de schoolkantine, alsof het onderwerp haar pijn deed die ze geen naam kon geven. s Avonds zat ze achter de naaimachine, in het warme licht van de bureaulamp zag ik haar handen, de stof en verder niets. Ik maakte mijn huiswerk aan de keukentafel en we zwegen. Dit was onze vaste bezigheid zwijgen. Niet kwaad of gekwetst, gewoon: geen energie voor woorden.
Nu begrijp ik: mijn moeder wist dat haar dochter honger had en kon niets veranderen. Het was haar eigen nederlaag. Ze leefde er elke dag mee, zonder te klagen.
Ze stierf in 2019. Ik heb het nooit kunnen vragen. Wilde het, maar was te laat. Misschien wist ze wie het was. Misschien vermoedde ze iets. Maar we hebben het er niet over gehad, en dat zwijgen is gebleven.
Drieëndertig jaar nu. Ik ben Hester Vermeulen, wiskundedocente op dezelfde school, en ik ben achtenveertig. Mijn iris is lichtbruin, met gele spikkels bij de pupil mijn moeders ogen, zei ze altijd. Mijn vader herinner ik me niet, die was weg vóór ik drie werd. En ik heb de persoon gevonden die betaalde.
***
In februari 2026 werd de kantine eindelijk verbouwd. De eerste grote renovatie sinds ik me kan herinneren. Werkmannen braken de oude tegels uit, vervingen de leidingen, voerden apparatuur af. Ze namen meteen de opslag achter de keuken mee: een smalle, raamloze ruimte, waar decennia aan spullen lag die niemand durfde weg te gooien.
Ik hielp opruimen. Niet omdat het moest, maar omdat ik niet anders gewend was. Zesentwintig jaar op deze school, afgestudeerd in 2000 en meteen gebleven. Mijn wiskundelokaal, schriftjes opgestapeld op mijn bureau, proefwerken op donderdag. Mijn leven paste in het ritme van de schoolbel, en dat was goed. Niet omdat ik nooit iets anders wilde, maar omdat anders onzeker leek. De school was zeker. De muren stonden, de bel luidde, kinderen kwamen. Elk september nieuwe gezichten. In mei weer afscheid. Het ritme werd als mijn eigen hartslag.
De opslag ging alleen met een koevoet open. Het deurhout bolde van het vocht, de scharnieren waren verroest. Binnen rook het naar muizen en oud papier. Kisten met servies, bundels menus uit de jaren zeventig, ordners, rollen verpakkingspapier. Op de vloer lag een dikke laag stof. Timmerman Sjoerd snoot zijn neus en grapte: Hier ligt zeker een Egyptische mummie, waarop conciërge Trees van Dijk antwoordde: Nee joh, erger: als de brandweer controle komt, zijn we gezien.
Ik bleef staan bij de deurpost. Iets trok me de ruimte in. Misschien de geur. Papier, stof en iets zuurs, dat vervlogen aroma van vroeger in de kantine.
Ik liep naar binnen. Haalde de schappen leeg. Een bak met metalen dienbladen groen, zwaar, met krassen. Ik veegde met mijn vinger over de rand. Zon dienblad droeg ik in drieënnegentig.
En tussen alles lag een dikke schrift met bruinleren kaft.
Ik pakte het op. Het was met de hand volgeschreven met vervaagde, roestbruine inkt. Namen, data, bedragen: de lunchadministratie van de school, tien schooljaren lang van achtentachtig tot het eind van de jaren negentig.
Ik bladerde. De maanden flitsten als treinhaltes aan me voorbij. September, oktober, november. Namen op alfabet, vinkjes, streepjes. Niets bijzonders als je niets wilt vinden.
Maar ik zocht. Zonder het te weten.
Maart drieënnegentig. Alles netjes geordend. Namen op alfabet: Arends, Beekman, Vermeulen. Naast de mijne betaald en klein erbij: J.T.B.
Ik draaide de pagina om. April: weer Vermeulen betaald J.T.B. Mei: hetzelfde. Terugbladerend: tweede, vijfde, zevende klas mijn naam niet elke maand, maar wel vaak. Elke keer diezelfde initialen.
Iemand met J.T.B. betaalde mijn lunch. Niet mijn moeder haar initialen zijn anders. Geen leerkracht door het docententeam van die tijd heenlopend zag ik geen enkele overeenkomst. Geen stichting in ons dorp hadden we die echt niet in drieënnegentig.
Sjoerd stak zijn hoofd om de deur:
– Hester, kom je? Wij gaan lunch halen.
– Ik kom, zei ik.
Maar ik ging niet. Ik stond daar met het schrift en voelde het weer: het lege, zware dienblad.
Ik sloot het schrift. Mijn vingers trilden. Al die jaren gelopen in deze gangen, nooit écht nagedacht over wie mij gevoed had als kind. Het leven ging door, ik werd volwassen, moeder stierf en er was niemand meer om het te vragen. En dat schrift lag hier gewoon, in het donker, te wachten.
s Avonds thuis pakte ik de aantekeningen er weer bij. Schreef alle maanden uit waarop mijn naam stond. Telde precies: zo nauwkeurig als een proefwerk nakijken. Ongeveer honderdtwintig keer in tien jaar. Niet elke dag, soms drie dagen per week, soms elke dag in een maand. Het leek alsof deze persoon zag wanneer het extra moeilijk was. In december, vlak voor de feestdagen als het financieel altijd krap was stond mijn naam vaak elke dag.
J.T.B. Johanna? Janna? Jacobus? Tweede letter een T, derde een B. Bijna niemand met die combinatie. Of gewoon niemand die ik me herinnerde.
Toen zag ik nog iets. Behalve mijn naam stonden bij sommige anderen ook betaald J.T.B. Gorter, de Jong, van Vliet. Drie, vier namen per jaar. Ook lunches gekregen zonder te betalen.
Ik was niet de enige. Iemand voedde meerdere kinderen tegelijk. Jaar in, jaar uit. Tien jaar lang.
Die nacht sliep ik niet. Lag alleen maar te denken: hoe kan dat? Andermans kinderen stilletjes voeden, niets terug willen, geen pluim, diploma of zelfs naam noemen. Gewoon betalen en zwijgen.
***
Mevrouw Talsma, een oud-conrector, woonde een straat verderop de Willem Dreeslaan, in zon hoog plafond huis van voor de oorlog. Ruim zeventig, een wandelstok, kin fier in de lucht, alsof ze nog steeds toezicht hield op het schoolplein. Op het revers van haar donkerblauwe colbert: een gouden vogelbroche. Mevrouw Talsma droeg die elke dag dat ik me kon herinneren. Toen ik eens vroeg waarom, zei ze: Laatste cadeau van mijn man, op ons twintigjarig huwelijk.
Zaterdag belde ik aan. Van tevoren gebeld, verteld over het schrift. Ze viel even stil aan de telefoon, zei toen: Kom maar.
Ze ontving me met thee porseleinen kopjes, blauwe bloemetjes, suikerpotje, lepeltjes. Mevrouw Talsma bleef zelfs gepensioneerd haar gasten gastvrij ontvangen. Ik legde het schrift naast het schoteltje.
– Weet u van wie dit is?
Ze zette haar bril op, bladerde. Ik zag haar vinger de namen volgen langzaam, van boven naar beneden. Haar gezicht veranderde niet opeens, maar stap voor stap, langzaam herkennend wat ze lang had laten rusten.
– Dit zijn Jannas aantekeningen, zei ze zacht.
– Van Janna?
– Janna Teuben-Bos. Kassière in onze kantine geweest, van 1982 tot 2003. Ruim twintig jaar.
Ik knikte. Ineens wist ik wie ze was. Geen gezicht meer een gevoel. Niet groot van stuk, witte schort, hoofddoekje, rustig, zonder uitdrukking. Ze sloeg bonnetjes aan, zei: Volgende. Maar tegen mij zei ze wat anders.
– Zij betaalde voor onze lunches? vroeg ik.
Mevrouw Talsma zette haar bril af, wreef haar neus, zocht naar woorden.
– Elke maand legde ze iets opzij. Soms weinig, soms meer afhankelijk van de maand, prijzen, hoeveel kinderen hulp nodig hadden. Betaalde voor wie het niet kon. Vier, vijf per jaar.
– Van haar eigen salaris? kon ik niet geloven.
– Precies, herhaalde mevrouw Talsma. Ze streek haar vogelbroche glad, alsof die verschoven was. Ik kwam er toevallig achter. In 1991 kwam de moeder van die ene jongen, van Vliet, huilend bij mij: wie helpt haar zoon? Ze dacht aan de school of een regeling. Ik ben het gaan uitzoeken. De kok zei: Vraag maar aan Janna, zij houdt haar eigen schriftje bij. Dus klopte ik aan bij Janna Teuben-Bos.
Ze staarde even uit het raam. Op de vensterbank lag een dikke, gemarmerde kat, geheel onverschillig.
– Ze ontkende niks, ging mevrouw Talsma verder. Zegde: Ja hoor, ik betaal. Dat is mijn zaak. Op mijn vraag waarom, zei ze: Dat hoort zo. En ze vroeg niemand het te vertellen.
– Waarom?
Mevrouw Talsma keek me over haar bril aan.
– Ze zei letterlijk: Een kind moet zich geen schuldenaar voelen. Eten is geen aalmoes. Laat het denken dat het zo hoort. Ik probeerde haar over te halen het via school te doen, meer officieel. Nee hoor. Ze wilde geen administratie en geen lijsten. Straks staat zon kind tussen de gratis-eters. Dat voelt het aan, zei ze.
Mijn keel zat dicht. Ik nam een slok thee.
– En u liet het toe?
– Wat moest ik? zei mevrouw Talsma met gespreide handen. Haar verbieden? Ze deed het zorgvuldig, niemand wist het. Ook ouders niet, behalve die ene moeder. Ik heb haar toezegging gedaan om te zwijgen. Dertig jaar lang.
– Leeft ze nog?
– Ja. Ze is begin tachtig, woont alleen in een huisje aan het eind van het dorp, de Akkerstraat. Haar man is al lang geleden overleden, kinderen had ze niet.
– Ik heb haar adres nodig.
Mevrouw Talsma aarzelde even, speelde met haar lepeltje.
– Hester, ze wil liever geen bezoek. Met oud en nieuw bel ik haar, altijd zegt ze: Geen gedoe, laat maar. Ze wil niks terug. Voor haar is dankbaarheid ongemakkelijk. Echt, ze begrijpt niet waarom.
– Toch heb ik haar adres nodig.
Mevrouw Talsma pakte haar oude adressenboekje. Schreef een briefje. Overhandigde het.
– Niet boos worden als ze je weigert. En niet forceren. Ze is van na de oorlog. Die mensen zijn anders.
Ik stopte het papiertje weg. Dronk mijn thee op en stond op.
– Mevrouw Talsma, zei ik bij de deur. Heeft u haar ooit bedankt?
Ze leunde tegen de deurpost, stok aan de vloer.
– Eén keer. Toen ze met pensioen ging in 2003, zei ik: Janna, dank je voor alles. Ze keek me aan en zei: Waarvoor? Ik kon niet eens goed soep koken, ik heb alleen gerekend. En toen vertrok ze. Zonder afscheidstaart of diploma. Twintig jaar gewoon: twintig jaar.
Ik ging de trap af. Het briefje brandde in mijn zak.
***
Het huis stond aan het eind van de Akkerstraat, waar de polder begon vlak, saai bruin en nat, met nog wat oude grassprietjes. Klein houten huis, donker van leeftijd, laag hekje, poortje zonder slot. In de tuin drie appelbomen, kale takken tegen de grijze maartlucht. Op het stoepje stonden rubberlaarzen en een bezempje tegen de reling.
Ik kwam zondag overdag. Twijfelde bij het poortje. In de hand een boodschappentas ik wist niet wat ik moest meenemen, dus kocht ik maar het gewone: witbrood, boter, kaas, honing, een pak koekjes.
Van het hek tot de deur zeven stappen. Ik telde ze.
Ik klopte aan. Stilte. Toen schoof er iets slofschoenen op het vinyl. En een stem, schor, zacht, een beetje krakerig:
– Wie is daar?
– Hester Vermeulen, van de veertiende school. Ik geef wiskunde.
Pauze. Dan kraakte er iets achter de deur.
– U bent niet geroepen, zei de stem.
– Ik weet het. Maar ik vond uw schrift. In de opslag, tijdens de verbouwing.
Weer stilte. Ik hoorde de klok tikken achter de deur.
– Trees heeft verteld. Geen vraag, een vaststelling.
– Ja.
– Ga naar huis. Geen dankbaarheid graag. Daar deed ik het niet voor.
Ik bleef staan. Het rook naar natte aarde en rottende bladeren. In de appelboom riep een ekster.
Ik had kunnen vertrekken. Ze vroeg het en had het volste recht. Hulp zonder naam dus geheimhouding was het doel. Wie was ik om de regels te veranderen?
Maar ik ging niet. Want drieëndertig jaar is te lang voor een dankjewel dat nooit gezegd werd.
– Mevrouw Teuben-Bos, zei ik, en keek naar de afgebladderde dorpel. Ik stond met een leeg dienblad in de rij. Elke dag. En u zei: Er is voor je betaald. Neem maar. Ik was veertien. En tien. En twaalf. Ik herken uw stem nu pas, door de deur, na drieëndertig jaar. Ik wist niet wie ik moest danken, dat ik niet flauwviel van de honger.
Het bleef stil. Ook de ekster hield op.
– Ik kom niet om u te bedanken, ging ik zacht verder. Maar mag ik binnenkomen?
Misschien was het een minuut stil. Misschien langer. Ik hoorde mijn adem, de wind, een verre auto.
Toen klikte het slot. De deur ging een kier open.
Janna was klein nog geen meter zestig, smalle schouders. Donkere sjaal, kamerjas met bloemetjes, wollen vest. Haar gezicht als een gebakken appel, allemaal kleine rimpels, maar haar ogen levend, donker en alert. Ze keek me aan zoals je een onverwachte bezoeker aankijkt: niet onvriendelijk, maar niet blij.
– Kom binnen, zei ze. Trek je schoenen uit.
Het huis was schoon, sober. Keuken, kamer, kleine hal. Bloemenbehang, koekoeksklok, plastic tafelkleed. Een pot geraniums voor het raam, het enige kleurige. De vloer geverfd, geen kleed. Het rook er naar kruiden munt misschien.
Ik zette de tas op tafel.
– Ik bracht wat eten.
– Waarom? fronste ze. Ik kom niks tekort.
– Omdat u mij ooit gevoed hebt, en nu wil ik u voeden. Mag dat?
Janna ging zitten. Haar handen gevouwen op haar schoot, kortgeknipte nagels. Ze keek niet naar het eten, alleen naar buiten.
– Ik ben geen held, zei ze. Maak me zo niet. Ik deed wat ik kon. Zelf ooit honger gehad.
Ze zweeg. Ik ging tegenover haar zitten. Het schrift bleef in mijn tas.
– Had u het vroeger ook zo? vroeg ik zacht.
Janna knikte, wachtte even voor ze sprak.
– Geboren in 48. Oorlogskind. Vader kwam niet terug uit Indonesië. Moeder werkte op de weverij, wij met vier thuis ik was de oudste. Op school was er een kantine, maar we hadden geen geld. Ik telde de minuten tot het naar huis gaan daar was tenminste aardappels. Op school alleen een lege maag en schaamte.
Haar stem bleef vlak, duidelijk elk woord uitgesproken alsof ze haar adem spaarde. De stem uit de kantinerij.
– Toen ik in 82 bij school kwam, zag ik: het is niet veranderd. Kinderen met lege dienbladen, ogen afgewend, liegen over hun honger. Ik dacht: Zolang ik hier werk, gaat geen enkel kind zonder lunch weg, als ik er iets aan kan doen.
– Betaalde u dan voor iedereen?
– Voor wie ik zag. Vier, vijf per jaar meer kon niet. Salaris was mager, zelf moest ik ook rondkomen. Maar voor de lunch lukte. Ik hield een schriftje bij, zodat ik niet in de war raakte.
– Hoe koos u?
Janna keek me aan, ogen donker.
– Je hoeft niet te kiezen. Je ziet het. Een kind dat in de rij staat en weer wegloopt zonder dienblad dat moet je eten geven.
Ik besefte: dertig jaar achter de kassa en altijd een deel van haar loon gegeven. Niemand wist het, niemand prees haar. Ze hield het schrift bij puur uit precisie niet om herinnerd te worden.
– Uw schrift lag in de opslag na het pensioen?
– Vergeten, bij het opruimen in 2003. Dacht: laat maar. Wie zoekt dat nu nog.
– Ik had ze nodig.
Janna keek verbaasd, niet ontroerd meer niet begrijpend dat een van haar kinderen ooit terug zou komen.
– Je gaf les, zei Trees. Ze vertelde me: Vermeulen zit weer op school, geeft wiskunde. Vond ik mooi. Dan was het toch niet voor niks.
– We hebben samen gewerkt. Drie jaar, van 2000 tot 2003. Ik zag u elke dag bij de kassa. Maar wist nooit dat u dat was.
– Waarom zou je? Je bent opgegroeid. Gekomen waar je moest. Dat is genoeg.
Ik stond op, pakte brood, boter, kaas uit de zak. Vond een bord en een mes. Sneed, belegde en schoof het voor haar.
– Mevrouw Teuben-Bos, zei ik. U voedde mij tien jaar. Laat mij u nu tenminste één keer voeden.
Ze keek naar het brood, dan naar mij haar gezicht serieus, zonder glimlach.
– Ik heb geen honger.
– En ik deed ook alsof ik geen honger had. Maar u zag het.
Janna sloeg haar ogen neer. Keek nogmaals naar het brood. Toen zei ze, met diezelfde zachte, schorre stem, elk woord apart:
– Goed dan.
En pakte het broodje.
We zaten in haar keuken. De klok met koekoek tikte. Buiten liep de dag ten einde. Ik vertelde over de school hoe het nu was, de leerlingen, de verbouwing. Ze luisterde, vroeg soms: Is Marinus de gymmeester nog? Is de sportzaal al opgeknapt? Krijgt iedereen nu lunch?
Ik antwoorde dat de onderbouw nu gratis lunch kreeg, bovenbouw tegen betaling, met wat ondersteuning voor wie het nodig heeft.
– Zie je, zei ze, vinger omhoog. Onderbouw gratis, rest niet. Nog altijd kinderen zonder dienblad.
En ik wist, voor haar is het nooit verleden tijd geworden. In haar hoofd staan kinderen nog steeds in de rij zonder eten.
Toen ik vertrok, gaf ik haar het schrift terug.
– Dit is van u.
Janna opende het, streek met haar vinger over de namen: Arends, Beekman, Vermeulen, Gorter, de Jong, van Vliet.
– Ik herinner me ze allemaal, zei ze. Gorter is verpleegster geworden, hoorde ik. Beekman naar het noorden vertrokken. Van Vliet woont nog steeds hier?
– Geen idee, bekende ik. Maar ik kan het navragen.
Ze sloot het. Drukte het tegen haar borst. Gewoonte. Maar ze gaf het niet terug.
Ik liep naar buiten. Het was donker. De lantaarn bij het OV-punt gaf een gele vlek op straat. De appelbomen stonden als drie oude vrouwen in het donker.
Ik keek om. Zij stond in de deuropening, klein, in haar kamerjas en vest, het bruine schrift tegen zich aan gedrukt. Licht uit de gang viel op haar schouders.
– Hester, zei ze. Kom nog eens terug. Als je wilt.
– Ik kom, zei ik. Volgende zondag.
***
Ik kwam elke zondag. Eerst draaide ze pas na een poos de deur open, maar na drie keer was het bijna meteen.
Ik bracht warme maaltijd soep in een thermos, gehaktbal, aardappel. Dekte de tafel, met bord, lepel, glas. Zoals in de kantine, maar nu was ik aan de andere kant van de balie.
In april, toen de appelbomen uitliepen, glimlachte Janna voor het eerst. Ik vertelde over leerlingen die bissectrice met een s schreven. Ze lachte kort, schor.
– Jij kan goed lesgeven, zei ze. Leren.
– U kon goed zorgen, zei ik. Voeden.
Ze wuifde het weg. Maar aan haar ogen zag ik hoe belangrijk het voor haar was: dat iemand het wist, dat iemand kwam, dat haar werk niet vergeten werd.
In mei kwam Trees op bezoek. We zaten met zn drieën, dronken thee uit dezelfde kopjes. Trees vertelde over snel internet op school, tablets voor kinderen. Janna schudde haar hoofd:
– Waarvoor? Ze hebben toch schriftjes?
Trees keek naar mij. We lachten. Janna fronste maar was niet boos wreef haar sjaal glad, zei:
– Ach, jullie zijn de geleerden.
Geleerden. Zo noemde zij iedereen met een diploma. Zelf had ze de lagere school afgemaakt en een cursus boekhouden. En voedde ze twintig jaar lang de geleerden.
Op een junidag, de bomen vol kleine appeltjes, bracht ik maaltijd, dekte de tafel. Janna keek naar haar bord, toen naar mij.
– Weet je, Hester, haar stem lager dan normaal ik heb altijd gedacht: goed mag je niet teruggeven. Dan is het geen goed meer, maar handel. Veertig jaar zo gedacht. Maar nu jij zo hier zit, snap ik: je geeft niets terug. Je gaat ermee verder. Dat is wat anders.
Ik slikte, schikte uit gewoonte de servetten op tafel recht bij mij moet altijd alles netjes. Ook op school.
– Eet dan, zei ik. Anders wordt het koud.
Janna glimlachte, hief de lepel. En sprak met diezelfde stem als in de kantine, zacht, schor, zonder me aan te kijken:
– Er is voor je betaald. Neem maar.
Maar nu betekende het iets heel anders. Nu betekende het: ik aanvaard het, ik zie het, ik wijs je niet af.
Ik schoof aan tafel. Zij at haar soep. Buiten stonden de appelbomen in jong blad, de zon viel op het tafelkleed, en het schrift stond op de plank bij het jam.
Alle namen stonden erin. Alle tekens bleven bewaard. Alle kinderen werden groot.
En ik stond niet meer in de rij met een leeg dienblad.







