Ik wil leven, André!

Ik wil leven, Arjan!
Meneer Van Dijk, meneer Van Dijk, wat is er met u?

Zuster Noortje greep de chirurg bij zijn mouw, maar kon hem niet tegenhouden. Hij leunde toch tegen de muur, boog zijn hoofd diep in de nis en zweeg.

Noortje dacht met een vleugje beroepsmatige trots: jeetje, wat geven artsen zich toch aan hun patiënten werken tot ze omvallen! Maar wie ziet dat? Die zieke, die meneer Van Dijk net nog op de operatietafel had, die had vast niet de scherpste blik op de rug van zijn dokter.

Meneer Van Dijk, gaat het wel goed met u? Zal ik iemand halen?

Niet nodig, bromde de arts, tilde zijn hoofd wat op en liep wiebelend richting de artsenkamer. Bij de deur draaide hij zich om naar de bedremmelde verpleegkundige: Komt goed, Noortje, maak je niet druk.

Georg van Dijk plofte met een diepe zucht op de leren bank. Was het wel oké? Nee, dit was niet de eerste keer dat zijn hoofd zo duizelde. Oververmoeid waarschijnlijk.

Ooit had hij weekenden. Echte weekenden, waarop je na het helse ziekenhuisge-ren weer even bij vrienden kon aanschuiven met je vrouw, of met de kinderen naar de Efteling. Maar nu? Iedereen draait dubbele diensten, zelfs voor drie ziekenhuizen welk rustmoment? Georg zit in zijn tweede huwelijk, zijn vrouw een stuk jonger, zijn kinderen nog scholiere En de kosten liepen, zoals alles in Nederland, op. Om over een nieuwe auto nog maar te zwijgen.

Maar dat was het niet eens. Georg was gewend onmisbaar te zijn. Hij wilde de beste zijn, dromen van respect en medische triomfen hielden hem overeind twintig jaar al. Collegas waardeerden hem, patiënten vochten om zijn tijd, er waren uitnodigingen, beloftes, de verdiensten waren goed.

Paul, hij belde zijn vriend, de anesthesist, werkt jouw Greetje vandaag?

Hoi, Ge, ja hoor. Ze is er weer.

Aan het eind van de dienst lag Georg dan ook in het MRI-apparaat. Het gedreun, die rare Sovjet-bak, de muziek in de koptelefoon kon bij lange na niet het getik maskeren.

Opeens werd hij zo claustrofobisch dat je een peer uit de muur wilde trekken om eruit gesleept te worden. Afleiding! Denk aan iets moois. Maar wat?

Zijn geheugen kronkelde als een trap naar het verleden. Tweede huwelijk oké, nu een werkende chirurg, gezinshoofd, terwijl zijn vrouw meer weg had van een jonge juf, de onderwijzeres van zijn dochter uit groep 5.

De MRI bonkte alle positieve gedachten eruit. Werk-huis-werk-huis. Het eerste huwelijk was al een ramp de scheiding vies en onaangenaam. Die herinneringen sloeg hij wijselijk over.

Studententijd? Ja! Vooral de eerste jaren.

Daar klampte zijn herinnering zich vast: bouwbrigade, de jongens, en Marieke uit de kantine, waar iedereen omheen cirkelde…

Georg, Wouter en Arjan drie geneeskundestudenten, vrienden sinds de open dag. Amsterdam was voor allemaal nieuw: ze bivakkeerden samen in een oude studentenflat.

Arjan een brilletje uit een provinciestadje, rustig, ietwat wereldvreemd, maar met zon heerlijke, rustgevende uitstraling. Iedereen hing graag bij hem. Die rustige, alles absorberende ogen achter zijn dikke brillenglazen

Arjan kende de tentamenstof van buiten, kon álles beantwoorden.

Wouter daarentegen boerenzoon uit de kop van Noord-Holland, luidruchtig, praktisch, emotioneel. Hij babbelde de hele tentamenstress eruit, kende iedereen op de gang en schreef meer spiekbriefjes dan dat hij studeerde.

Georg had ook stress hij dacht serieus dat hij het enige afvallertje uit hun kamertje zou worden. Hij keek vol verbazing naar Arjans kennis en Wouters grote mond. Maar uiteindelijk bleef alleen Michiel zitten zij haalden het allemaal, en bleven vrienden.

Het eerste jaar geen kamer, dus Arjans bemoeizuchtige moeder Truus regelde voor hen een gemeubileerde etage.

Jongens, wees lief voor elkaar, zei Truus, nadat ze de koelkast had gevuld voor een maand.

Wauw, jouw moeder is echt geweldig, Arjan. Wat doet ze eigenlijk?

Ze werkt bij een kaarsenwinkeltje in de kerk, kauwde Arjan tussen twee happen boterham door.

Wat? Echt waar? Ben je dan religieus?

Ja, zelfs een beetje vroom, zei Arjan schaapachtig. Er stonden inderdaad wat prentjes van Maria en een kaarsje op het raamkozijn.

Wouter flapte eruit voor hij nadacht: Waarom dan geneeskunde? Onderzoek is wetenschap, geen bijgeloof!

De arts geneest het lichaam, en God de ziel, antwoordde Arjan rustig.

Toen lachten de anderen alleen maar een beetje schamper, en lieten de discussie verder voor wat het was. Ze zagen dat Arjan zich soms wat onopvallend met het kruisje signaleerde, maar hij hield het discreet.

Hij was gewoon anders. Tijdens het poetsdebat pakte hij zonder discussie de dweil. Jongens, hier maak je toch geen ruzie over?

En het werkte, zelfs de stoerste gast kwam helpen.

Of het nu goddelijk ingrijpen was, of puur talent Arjan haalde de eerste tentamens met gemak. Zijn geheugencapaciteit was legendarisch, Latijn rolde er bij hem uit alsof hij priester op het altaar was. Hij was de verbindende factor van het trio.

Opmerkelijk genoeg werd Arjan als eerste verliefd in de studentenraad ontmoette hij Ilse, stoer, kort zwart koppie, veel pit en een hart van goud. Al vanaf jaar twee waren ze onafscheidelijk.

Wouter, ondanks zijn boerenslimheid, bleek razendsnel praktisch en handig; reed vanaf jaar twee al regelmatig mee op de ambulance, zette infusen sneller dan wie dan ook. In het ziekenhuis was hij niet meer weg te denken, kreeg de lastigste handelingen toevertrouwd gratis arbeidskracht in het oncologisch centrum van Haarlem.

Georg was solide, geen wonderkind, geen dramatisch uitblinker, maar vastberaden naar zijn droom om een goede arts te worden.

***

De MRI duwde hem weer naar de ‘buitenwereld’. Georg ademde diep in. Sinds wanneer had hij claustrofobie?

Greetje kwam binnen, haalde het apparaat van zijn hoofd.

Nou? Heb je alvast gekeken?

Nog even wachten, de radioloog moet het officieel beoordelen. Ik bel je straks. Ze keek hem niet aan, maar ze werkte dan ook al sinds het ontbijt.

Ik haal het morgen op. Ik ga naar huis.

Maar thuis kwam hij nooit. Greetje belde aan het eind van de middag, kwam langs met beschrijving, disc en foto’s.

Ge, jij snapt zelf ook wel wat je ziet. Stel het niet uit. Ga naar dokter Ansems, de neurochirurg.

Georg keek op het verslag, zette zijn foto’s op het scherm, draaide aan de ‘hersenen’ alsof het die van een patiënt betrof niet zijn eigen. Hét plekje. Shit.

Zelfs in de auto naar huis wilde het niet echt binnenkomen. Dit kan niet, niet ik. Bij mij gebeurt dat soort dingen niet.

***

De beste neurochirurg was Rutger Ansems.

Ik zou het graag mooier zeggen, maar jij, Georg, bent zelf chirurg genoeg. Je ziet het nietwaar?

Ja. Wordt dit het einde?

Hou eens op, Rutger fronste, Wat denk je zelf? Je weet net zo goed als ik: alles ligt in de handen van de chirurg en een beetje laten we zeggen in die van de Allerhoogste.

Het is gewoon onwerkelijk. Ik zou naar het Medisch Dagen Congres gaan in Rotterdam hele gezin Nu dit. Wat zou jij doen als je mij was?

Ik zou naar Rotterdam gaan, niet voor ontspanning, maar naar professor Vermeulen in het Erasmus MC. Die zijn hun tijd vooruit. De statistieken spreken voor zich. Alleen

Alleen?

Vermeulen voert zelf niet meer uit, maar zijn team werkt nog helemaal volgens zijn methode. Wel wachttijd van een jaar. Misschien kom je er via het netwerk eerder tussen? Jij bent niet de eerste de beste.

Georg bleef werken, opereren, rapporteren de pijn was draaglijk, af en toe wat duizeligheid. Hij vond medische pleisters voor alles.

Hij sprak collegas aan, spitte zijn netwerk door. Rutger had gelijk het leek onmogelijk.

Op een avond vertelde hij het aan zijn vrouw, Floor, die meteen de koffers voor Rotterdam regelde.

Floor, ik moet alleen.

Wat? Dat is onzin, ze stond met een truitje in haar handen, boos, En de kinderen dan?

Het is geen uitje, geen conferentie. Ik moet het ziekenhuis in. Het is een hersentumor, hij zei het langzaam. Zeggen is erkennen. Nu was het hardop, met een bibber in zijn stem.

Floor keek hem aan, bijna in tranen.

Jezus, Ge… Hoe kan dit? Moet ik niet mee?

Nee, het is afwachten. Ik ga er alvast heen, maar misschien komt mijn beurt pas veel later.

Is het zo ernstig? vroeg ze. Ze ging naast hem zitten.

En Georg, voor het eerst in honderd jaar, huilde bijna en vertelde alles zijn vermoedens, de onderzoeken, de uitslag, zijn angsten, zijn spijt, zijn hoop

Floor luisterde met een verdwaasde trui in haar handen en een gefronst voorhoofd. En Georg was dankbaar dat hij zijn hart kon luchten bij z’n ex was dit nooit gelukt.

***

Getuigen van Jehova weigeren vaak bloedtransfusies, een lastig punt voor de arts, doceerde de ethiekdocent in jaar vier.

Ook is de kerk tegen orgaandonatie, ging hij verder, alles wat niet natuurlijk is, alles wat volgens de wetenschap kan, mag niet van de kerk. Ze geloven liever in hogerhand dan in kennis.

Dat klopt niet, klonk het rustig vanuit de zaal.

Oh nee? En wie ben jij?

Arjan. Hij stond op.

Kom maar naar voren, dan kunnen we daarover doorpraten.

Arjan stond rustig bij het katheder. De docent vuurde vragen af; Arjan pareerde alles bedaard en beleefd.

De kerk geeft om de menselijke ziel. Bij onvruchtbaarheid moeten mensen het leven accepteren zoals het zich ontvouwt misschien van hogerhand. Adoptie of kunstmatige inseminatie binnen het huwelijk is geen probleem voor de kerk. Probleem is ingrijpen door derden en het loslaten van verantwoordelijkheid.

En waarom mag draagmoederschap niet? riep de docent.

Dat raakt ook aan het kind en de draagmoeder. Je mag niet alleen kijken naar wensouders, zei Arjan.

Pff… onzin! Jullie maken mensen ongelukkig omdat het Gods wil zou zijn!

Religie blokkeert vooruitgang, is een verschrikkelijk opium, riep de docent steeds wilder, alleen wetenschap redt mensenlevens! De rest is achterhoedegevecht!

Arjan werd niet boos, keek eerder bezorgd. Hij haalde Bijbelcitaten aan, sprak over de waarde van de menselijke ziel, over zijn moeder, over alle gelovigen het werd een bewogen debat en het publiek koos uiteindelijk duidelijk partij voor Arjan.

Daar begonnen de problemen. Hij moest praten bij de decaan, en kwam vaak zwijgzaam, teleurgesteld thuis. Alleen Ilse wist wat. En na jaar vier kwam hij niet meer terug. Ze kregen een brief: zijn leven ging een andere richting uit. Hij hoopte dat hun vriendschap bleef bestaan.

Georg en Wouter snapten er niks van. Best student! En nu weg, vlak voor het eind!

Ze spraken Ilse aan, maar kreeg niets los. Daarom gingen ze in het weekend langs bij Arjans moeder. Truus blij zoon begint aan de priesteropleiding! Eindelijk z’n roeping gevonden.

Terug in de trein, bepakt met koekjes, kaas en een extra zegen, snapten ze het nog steeds niet.

Hoe bestaat het toch, mopperde Wouter, Onze Arjan, die wijsneus, is gewoon vertrokken. De Heer heeft ‘m maar opgehaald.

Welke kaars? lachte Georg, Ik ga naar m’n vriend. Vakantie heb ik al aangevraagd.

Ze zaten met Rutger in de artsenkamer. Over drie dagen naar Rotterdam. Auto rijden vond Georg eng, met zijn duizeligheid. Misschien ook wel goed operatie was belangrijk.

Welke vriend?

Studententijd-vriend. Meer dan twintig jaar niet gezien.

Het dorpje met het bekende klooster bleek ronduit troosteloos, behalve dan dat er kerken waren alsof het regenboogvlaggetjes waren.

Georg liep naar het Sint Maartensklooster. Wonderlijk genoeg, geen duizelingen onderweg. Dus ja: de weg naar God is misschien wel de beste therapie, dacht hij.

Witte muren, torentjes, gouden koepels glinsterden in het zonlicht. De parkeerplaats was keurig, de bloemperken schitterend.

Liturgie, zei de bejaarde portier, Je moet wachten.

Georg liep wat over het terrein en kwam bij een put langs de rivier. Vreemd die ouden van dagen sjouwden telkens omhoog en omlaag, drie keer zelfs.

Ga je geen heilig water halen? vroeg een vrouw in hoofddoekje.

Ach, waarvoor, probeerde Georg nog.

Jij weet zelf wel waar je het voor doet, schat.

Hij pakte een flesje, deed als iedereen en voelde toch iets: de kou van het water, de frisse smaak, en daarna een lichter hoofd. Misschien toch niet voor niets gekomen.

Later, toen hij weer bij de deur stond, kwam de menigte naar buiten. Voorop een priester met een imposante baard, robuust postuur, en een ovale stem als een stadionomroeper. Dat kan Arjan niet zijn, dacht Georg. Te groot, geen bril…

Tot die ogen op zijn vielen: blauw, open, vertrouwd, en jawel: Arjan.

Dag dominee, grijnsde Georg van achteren.

Sst, zeg dan: zegen mij, vader, siste een omaatje.

Maar Arjan zag het meteen en glimlachte.

Georg! Wat geweldig je te zien.

Ze omhelsden elkaar. Mensen dromden om de voorganger, maar Georg en Arjan trokken zich terug en liepen over de tuinpaden.

Wat een zegen, Ge! En wat zal Ilse blij zijn.

Ilse? Je vrouw werkt hier?

Zeker, zij is de dorpse kinderarts. We hebben vijf kinderen. Kleintje is pas tien; de oudste vliegt bijna uit.

Poeh, ik loop hopeloos achter. Ik heb er drie. Dochter van mn ex, twee in dit huwelijk. En jij dus hier

Ja, we zijn hier op onze plek. Ilse wil medische dingen blijven doen, ik heb hier werk genoeg. Mooi dorp trouwens.

Je was vroeger kleiner!

En jij ouder. Ogen nog goed?

Ooglaserkliniek, vriend. Geen bril meer.

Dus, geloof en geneeskunde gaan samen?

Ze moesten lachen. Ze haalden stoere herinneringen op, en Arjan vertelde dat zijn moeder nu non is bij het naburige klooster. Dat is ook een carrièrestap, ja!

Toen ging Arjan de menigte weer in. Kom vanavond bij ons eten, Ilse ontvangt je wel. Kan ik straks rustig praten.

Prima, zei Georg.

Bij de pastorie arriveerde hij achter een bescheiden Volvo. Ilse omhelsde hem hartelijk, bleek een enorme bloemenliefhebster, binnen overal iconen en op het aanrecht hightech koffiemachine. Kinderen, een kat, alles.

Georg vergat even waarom hij eigenlijk gekomen was. Hij at, praatte wat over zichzelf, liet het ziekteverhaal rusten en dutte daarna in op de veranda.

Teruggaan? Ach, de vakantie is nog niet voorbij.

***

Ken je de verdere geschiedenis van Wouter?

Natuurlijk. We schreven nog lang kaarten, maar de laatste jaren verloren we elkaar uit het oog. Misschien moet je hem opzoeken.

Neem je het me kwalijk?

God oordeelt, mensen moeten leren vergeven. Wat draag je bij je, Ge?

Hersentumor, kwaadaardig…

Arjan zuchtte.

Morgen kerk je, dan biecht je. Daarna zien we verder.

Je doet net alsof ik doodga.

Niks daarvan. Alles is in jouw handen. De dominee geeft richting, jij moet zelf de weg lopen.

En gek genoeg, de biecht de volgende dag werd een schuldbekentenis in plaats van een vergoelijkend verhaal. Jaren wrok, jaloezie, fouten als arts, slippertjes, het kwam er allemaal uit bij Arjan.

Kun je mij vergeven, vriend? vroeg Georg, bijna huilend.

Vergeven is aan God, niet aan mij. Het gaat om oprechte spijt.

En toen kwamen de tranen echt. Op de knieën op het altaar fluisterde Georg: Zeg tegen God dat ik spijt heb, Arjan. Ik wil leven, Arjan, ik wil Floor liefhebben, mijn kinderen grootbrengen, werken Al is het als gewone arts, maakt niet uit waar

Later:

Je moet Wouter vinden, zei Arjan, Praat met hem, vraag vergeving.

Waar? Ik ga overmorgen naar Rotterdam.

Hij zit in Groningen, in een oncologisch centrum. Jij moet dáár zijn, niet in Rotterdam.

Doe normaal, daar werken ze met fosfor en kurk, in Rotterdam kun je opereren met lasers.

Misschien is juist in Groningen de beste chirurg: Wouter is daar promotus, werkt aan nieuwe operatie-methodes.

Ik ga eerst naar Rotterdam, ik heb haast.

En die zus, die door jou ontslagen werd, zoek die ook eens op.

Dat lukt nog wel

Bid voor me, Arjan, lachte Georg als afscheid, als het in Rotterdam niks wordt, verhuis ik wel naar het hoge Noorden.

Voor hij vertrok, probeerde Georg uit alle macht vijftien keer dat heuveltje op bij de rivier na elke drie keer een slok heilig water. De kerkbezoekers spraken hun zegen uit en maakten een kruis.

Misschien helpt het.

Please rate
Bagattia News
Ik wil leven, André!