Ik kreeg de lelijke

Een flits Een luide knal Duisternis Duisternis
Eindelijk begint de duisternis te wijken. Een stem klinkt:
Lieke, dit is de reddingswerker, er is daar iets ontploft.
Door de pijn heen voelt hij een aanraking van een hand op zijn nek. Hij probeert zijn oogleden een beetje te openen. Dat lukt met moeite. Voor zijn ogen hangt een hanger in de vorm van een rechthoek met daarop gegraveerde sterrenbeelden… De ogen van de vrouw in het witte jasje
Naar de operatiekamer! klinkt een stem heel dichtbij.
De ouders komen thuis van hun werk. De moeder rent meteen naar de keuken, terwijl ze even in de kamer kijkt waar de zoon zijn huiswerk maakt. Pieter, die de kamer binnenkomt, merkt meteen dat de zoon niet in een goede stemming is.
Daan, wat is er gebeurd? de vader aait hem over zijn hoofd.
Niets, – bromt de zoon, een vierdeklasser.
Goed, kom op, vertel het!
Binnenkort is het 8 maart. De juf hield ons vandaag langer en zei dat we cadeautjes voor de meisjes moeten klaarmaken.
Nou, wat is het probleem dan? glimlacht de vader.
We hebben evenveel jongens als meisjes. En ze heeft verdeeld wie aan wie geeft, – de zoon zucht zwaar. Ik heb de lelijke gekregen, Lieke Bos.
Alle meisjes willen een cadeautje op 8 maart krijgen, en lelijke ook, – de vader probeert met zijn zoon te praten als met een volwassene. En hoe heeft ze dat verdeeld? Op alfabet?
Nee, op sterrenbeelden?
Hoe dan? Pieter kan een glimlach niet onderdrukken.
Op compatibiliteit. Lieke is Maagd, en voor Maagden past Stier het beste. En ik ben, toevallig, Stier.
Dat is goed als je bij elkaar past! Als je groter wordt, word je misschien nog verliefd op haar.
De vader houdt het niet en lacht. Meteen rent de moeder de kamer binnen:
Wat gebeurt hier?
Annemarie, ga naar de keuken, – het gezicht van de vader wordt streng. Wij hebben een serieus gesprek met onze zoon.
Wanneer de moeder weggaat, vraagt Daan met een trieste stem:
Pap, en wat moet ik nu doen?
Een cadeautje klaarmaken!
Welk?
Morgen op mijn werk maak ik een cadeautje voor je uitverkorene.
Pap, welk cadeautje kun jij maken? Jij werkt toch op de fabriek.
Ja! Maar ik werk in de galvanisatie. En daar worden alle soorten metaalcoatings geproduceerd.
Pap, ik snap het niet.
Morgen zie je het zelf!
***
De volgende dag brengt de vader een hanger aan een ketting in de vorm van een rechthoek, die er goud uitziet. Op de ene kant zijn twee sterrenbeelden gegraveerd, Stier en Maagd, en op de andere kant staat klein maar mooi geschreven:
«Aan mijn klasgenootje Lieke op 8 maart! Daan».
O, hoe mooi deze hanger eruit ziet! En wanneer mama hem in een cellofaanzakje verpakt, ziet het er helemaal fantastisch uit.
***
En nu is het 7 maart. De juf is niet van plan om lessen te geven. Eerst overhandigen de scholieren haar een cadeautje. Ze bedankt lang. Daarna kondigt ze aan dat de jongens cadeautjes aan de meisjes moeten geven.
Wat begint hier! Alle jongens rennen naar hun ‘uitverkorenen’. Daan loopt ook naar Lieke Bos en zegt, zoals papa hem heeft geleerd:
Lieke, ik feliciteer je met de feestdag 8 maart! Misschien verbindt het lot ooit de Stier en de Maagd.
Na de ingestudeerde zin gezegd te hebben, loopt Daan naar zijn plaats en merkt natuurlijk niet hoe het hart van dit lelijke, in zijn ogen, meisje begint te kloppen.
Binnenkort verhuizen de ouders van Lieke naar een andere wijk, en Lieke zelf begint vanaf de vijfde klas op een andere school te leren.
***
Daan opent zijn ogen. Het witte plafond van de ziekenhuiskamer. Hij probeert zijn armen en benen te bewegen. Alleen de linkerarm beweegt.
Waar ben ik? richt hij zich tot niemand in het bijzonder.
Er klinkt wat gestommel en een patiënt op krukken komt naar zijn bed toe, kijkt hem aandachtig aan en vraagt:
Ben je bijgekomen? Je bent op de afdeling spoedeisende chirurgie.
Heb ik mijn armen en benen nog heel? vraagt Daan met zachte stem.
Alles lijkt op zijn plaats, – deelt die het goede nieuws mee. Alleen ben je helemaal ingebonden van hoofd tot teen.
Dat is goed als alles heel is.
Dan komt de verpleegster eraan en vraagt meelevend:
– Hoe voel je je?
– Wat is er met me aan de hand! antwoordt Daan vraag met vraag.
– Je leven wordt niet bedreigd. Armen en benen zullen werken. Alleen blijven er veel littekens over, – ze overhandigt de ingeschakelde telefoon. Je moeder heeft gevraagd om te bellen wanneer je wakker wordt.
– Zoontje, – klinkt de stem van de moeder door tranen heen.
– Mam, alles is in orde, – hij probeert zo opgewekt mogelijk te spreken. Ze zeiden dat er alleen kleine littekentjes zullen overblijven. Binnenkort word ik al ontslagen.
– Ze hebben me niet toegestaan om ‘s nachts bij je te blijven. Zoontje, ik kom nu meteen.
– Mam, maak je niet al te veel zorgen!
Hij legt de telefoon naast zich, probeert te glimlachen naar de verpleegster:
– Dank je!
– Nou, ze ontslaan je nog niet snel, – glimlacht de verpleegster terug. Drie weken moet je hier nog liggen. Dat is zeker!
– Wat is er met jou gebeurd? vraagt de buurman in de kamer wanneer de verpleegster weg is.
– Ik ben een reddingswerker. Op de fabriek begonnen de zuurstofflessen te exploderen, – begint Daan te herinneren. Ze hebben ons gebeld. Wij waren er eerder dan de brandweer. De ruimte is enorm, binnenin drie gewonden. We renden daar naar binnen, daar liggen flessen verspreid, hier en daar vuur. We begonnen de gewonden naar buiten te dragen Ik kwam als laatste naar buiten Toen ik al bij de deur was, explodeerde weer een fles Verder weet ik niets meer.
– Ja, je hebt het zwaar te verduren gekregen.
– Daan de Wit, – klinkt de stem van de verpleegster. Er is een collega van je werk voor je.
– Hoi, Daan! Hoe gaat het?
– Armen, benen heel! antwoordt de gewonde optimistisch. Maar ik kan nu alleen met de linkerhand begroeten!
– Ach kom op!
– Wat is er daarna gebeurd?
– We waren al aan het weggaan toen het explodeerde. We renden meteen terug, trokken je eruit je zat helemaal onder het bloed de artsen waren al in de buurt
– Dank je!
– Daan, waar heb je het over?! plotseling verschijnt er een glimlach op het gezicht van de vriend. – Ze willen ons denk ik medailles uitreiken.
– Tegen die tijd word ik ontslagen.
– Oké, ik ga. Jullie hebben nu visite. De verpleegster zei dat het niet lang mag zijn.
De vriend is nog niet weg of de arts, een man van ongeveer veertig, komt binnen:
– Nou, hoe gaat het, held? hij loopt naar zijn bed.
– Normaal.
– Nu je al praat, zul je leven. Kom, ik onderzoek je!
– Heb jij me gehecht? vraagt Daan.
– Nee, Lieke. Zij komt overmorgen.
***
Er gaan twee dagen voorbij. Daan probeert al op te staan. Wel is de pijn in zijn benen nog sterk, zijn rechterarm is gescheurd. En er zijn minstens tien wonden over zijn hele lichaam. Twee op zijn gezicht, toen het explodeerde, botste hij tegen de poort, gelukkig dat hij op tijd zijn rechterarm vooruit stak. Hij kijkt in de spiegel. Zijn gezicht is nog steeds opgezwollen.
Vandaag moet de ronde worden gedaan door de arts die hem eergisteren vijf uur lang heeft gehecht in de operatiekamer. Daan is zelfs een beetje zenuwachtig.
En daar komt ze binnen. Jong, slank, wel met een bril, maar die bederft haar helemaal niet, en het witte jasje staat haar helemaal goed. Daan is op zijn zevenentwintig al getrouwd geweest. Maar na een half jaar gingen ze uit elkaar karakters kwamen niet overeen, zoals in de aanvraag stond, maar in werkelijkheid vond de ex-vrouw het salaris van de reddingswerker niet leuk.
– Hallo! zegt de arts en loopt naar zijn bed.
– Hallo! Heb jij me gehecht?
– Ik, – glimlacht ze. Is er iets mis?
– Laten we je onderzoeken!
En ze buigt zich over hem Voor zijn ogen de hanger met sterrenbeelden, die om haar nek bungelt:
– Lieke Bos!!! roept hij uit.
Ze kijkt aandachtig naar zijn opgezwollen gezicht.
– Sorry! zegt ze, zonder hem te herkennen.
– Ik ben Stier, – en wijst naar de hanger.
– Daan de Wit? haar lippen trillen. Onthoud je me nog?
– Wat zeg je nou, Lieke? bij het zien van tranen in de ogen van de vrouw legt hij zijn handpalm op haar hand.
– Sorry! ze haalt een zakdoek tevoorschijn en dep de ogen. Ik had nooit gedacht dat we elkaar zo zouden ontmoeten.
Meer komt Lieke die dag niet zijn kamer binnen. Maar Daan begrijpt al dat zij een rooster heeft, net als hij: dag, nacht en twee vrije dagen.
Hij wil er niet hulpeloos uitzien voor haar. De hele volgende dag probeert hij rond te lopen in de kamer leunend op bedden, een paar keer, zich vasthoudend aan de muur, gaat hij de gang in.
Avond. De arts die in de dagdienst werkt is weg. De nieuwe shift komt dat is te merken aan het gesprek in de gang. Nu de ronde
En plotseling kreten, haastige stappen in de gang. Dat gebeurt als er weer een gewonde wordt binnengebracht.
Het is al tien uur. De verpleegster komt binnen, doet het licht in de kamer uit. Maar hij kan niet slapen. Al na middernacht zijn er stappen te horen in de gang, nu verstommen ze, en in deze stilte voelt Daan eerder dan dat hij hoort dat er in de gang iemand huilt. Hij staat op en loopt voorzichtig de gang in.
Achter de balie van de dienst zit en, met haar hoofd op haar handen, huilt zijn voormalige klasgenote. Hij loopt ernaartoe en legt zijn gezonde hand op haar schouder:
– Wat is er, Lieke!
Ze staat op en drukt zich tegen zijn schouder:
– Ik heb een vrouw geopereerd, ze is onder een auto gekomen, – stikkend in tranen begint ze te vertellen. Ik heb alles gedaan wat mogelijk en onmogelijk was Ze ligt nu op de intensive care, maar ze zal het niet overleven. Ze heeft twee kinderen haar man is nu bij haar in de kamer
– Kalmeer, Lieke!
– Ik werk nu drie jaar als chirurg en ik kan er nog steeds niet aan wennen dat mensen sterven.
– Kalmeer, kalmeer! Zulke beroepen hebben we. In vijf jaar heb ik ook zoveel doden gezien, maar we hebben ook heel wat levens gered, – Daan zucht zwaar. – Daarom is mijn vrouw bij me weggegaan. Ze zegt: dat ik niet mezelf meer thuis kom en te weinig geld verdien. Maar bij mij komt altijd veertigduizend uit daar kun je van leven.
– Bij mij is het precies hetzelfde, – ze kijkt hem in het gezicht. Jongens kijken naar me alsof ik gek ben. Ik ben nog steeds niet getrouwd, ik woon als een kind bij mijn ouders.
– Ach kom op, we zijn pas zevenentwintig het hele leven ligt nog voor ons.
– Nee, Daan, we zijn al zevenentwintig.
– Lieke, haar pols verdwijnt, – roept de verpleegster die naar buiten rent.
– Sorry! en Lieke rent naar de intensive care.
Daan kan die nacht niet in slaap vallen. ‘s Ochtends komt de verpleegster, zoals gewoonlijk geeft ze hem een injectie.
– Leeft de vrouw die vannacht is geopereerd? vraagt hij onverwachts zelfs voor zichzelf.
– Ze leeft, maar haar toestand is extreem ernstig.
***
Er gaan drie weken voorbij. De wonden op het lichaam van Daan zijn geheeld. Hij en Lieke zien elkaar wanneer zij dienst heeft, bovendien wordt hij steeds sterker naar haar toe getrokken. Maar de afdeling spoedeisende chirurgie is niet de plek waar je over iets heel persoonlijks kunt praten.
En tijdens een van de ochtendronden meldt de mannelijke arts:
– Vandaag ontsla ik je, – glimlacht en voegt eraan toe. Uit het ziekenhuis bedoel ik. Ga meteen naar je polikliniek, en daar beslissen ze hoe lang je nog ziek thuis moet blijven.
– Ik kan me klaarmaken!
– Ja, ja! Haast je niet te veel. Nu maken ze je ontslagpapieren klaar.
Wanneer de arts weg is, scheert Daan zich. In de spiegel kijkend, merkt hij tevreden op dat de twee overgebleven littekens zijn gezicht helemaal niet bederven, eerder mannelijkheid toevoegen. Aan de andere littekens hoeft hij helemaal geen aandacht te besteden.
Hij maakt zich klaar, loopt de gang in. Hem tegemoet, zich vasthoudend aan de muur, loopt een patiënt.
“Ze heeft het toch gered!” – flitst een vreugdevolle gedachte.
De verpleegster komt naar buiten, overhandigt het ontslag:
– Tot ziens, Daan! Kom niet meer bij ons terecht!
***
Hij heeft zijn eigen eenkamerappartement, maar hij gaat naar zijn ouders. Want mama heeft zo op hem gewacht en zich zorgen gemaakt. Ze heeft zelfs vakantie opgenomen.
– Zoontje! rent ze op hem af in een omhelzing.
– Alles goed, mam! Zoals je ziet, leef ik en ben ik gezond.
– Kom, ik heb eten voor je gemaakt. Je bent zo mager geworden.
– O, hoe heb ik naar huiseten verlangd!
– Totdat je bent hersteld en getrouwd bent, blijf je in het ouderlijk huis wonen. Je kamer staat nog steeds leeg, – en roept alsof tegen een kind. Ga, was je handen!
***
Tegen de avond gaat Daan naar de kapper. Hij gaat zijn appartement binnen. Haalt wat kleren op. Mama begint meteen ze op te ruimen.
‘s Avonds komt de vader van zijn werk. Ze zitten, zoals vroeger, allemaal samen en praten tot diep in de nacht.
Hij gaat slapen in zijn kamer, waar zijn jeugd en adolescentie voorbij zijn gegaan, maar valt niet meteen in slaap:
“Morgen moet ik naar de polikliniek. Dan naar mijn werk. En ‘s avonds”
Met die gedachte aan de volgende avond valt hij in slaap ver na middernacht.
***
De volgende dag gaat Daan ‘s ochtends naar de polikliniek. Tot de lunch loopt hij langs de spreekkamers. Na de lunch gaat hij naar zijn werk, net is zijn dienst.
– Waar ga je naartoe? informeert de vader.
– Pap, weet je nog lang geleden, toen ik nog in de vierde klas zat. Jij hebt een hanger voor me gemaakt als cadeautje voor een klasgenootje?
– De lelijke Lieke Bos? Ik weet het nog.
– Weet je nog, je zei ook: Als je groter wordt, word je misschien nog verliefd op haar.
– En dat weet ik nog.
– Pap, Lieke is nu chirurg. Zij heeft me geopereerd. En ze draagt die hanger nog steeds om haar nek.
– Nou, dat is wat!
– Pap, je woorden zijn uitgekomen. Ik ga naar haar toe!
***
Zevenentwintig jaar is niet zo veel voor het begin van een leven met een geliefd iemand.Een flits Een luide knal Duisternis Duisternis
Eindelijk begint de duisternis te wijken. Een stem klinkt:
Lieke, dit is de reddingswerker, er is daar iets ontploft.
Door de pijn heen voelt hij een aanraking van een hand op zijn nek. Hij probeert zijn oogleden een beetje te openen. Dat lukt met moeite. Voor zijn ogen hangt een hanger in de vorm van een rechthoek met daarop gegraveerde sterrenbeelden… De ogen van de vrouw in het witte jasje
Naar de operatiekamer! klinkt een stem heel dichtbij.
De ouders komen thuis van hun werk. De moeder rent meteen naar de keuken, terwijl ze even in de kamer kijkt waar de zoon zijn huiswerk maakt. Pieter, die de kamer binnenkomt, merkt meteen dat de zoon niet in een goede stemming is.
Daan, wat is er gebeurd? de vader aait hem over zijn hoofd.
Niets, – bromt de zoon, een vierdeklasser.
Goed, kom op, vertel het!
Binnenkort is het 8 maart. De juf hield ons vandaag langer en zei dat we cadeautjes voor de meisjes moeten klaarmaken.
Nou, wat is het probleem dan? glimlacht de vader.
We hebben evenveel jongens als meisjes. En ze heeft verdeeld wie aan wie geeft, – de zoon zucht zwaar. Ik heb de lelijke gekregen, Lieke Bos.
Alle meisjes willen een cadeautje op 8 maart krijgen, en lelijke ook, – de vader probeert met zijn zoon te praten als met een volwassene. En hoe heeft ze dat verdeeld? Op alfabet?
Nee, op sterrenbeelden?
Hoe dan? Pieter kan een glimlach niet onderdrukken.
Op compatibiliteit. Lieke is Maagd, en voor Maagden past Stier het beste. En ik ben, toevallig, Stier.
Dat is goed als je bij elkaar past! Als je groter wordt, word je misschien nog verliefd op haar.
De vader houdt het niet en lacht. Meteen rent de moeder de kamer binnen:
Wat gebeurt hier?
Annemarie, ga naar de keuken, – het gezicht van de vader wordt streng. Wij hebben een serieus gesprek met onze zoon.
Wanneer de moeder weggaat, vraagt Daan met een trieste stem:
Pap, en wat moet ik nu doen?
Een cadeautje klaarmaken!
Welk?
Morgen op mijn werk maak ik een cadeautje voor je uitverkorene.
Pap, welk cadeautje kun jij maken? Jij werkt toch op de fabriek.
Ja! Maar ik werk in de galvanisatie. En daar worden alle soorten metaalcoatings geproduceerd.
Pap, ik snap het niet.
Morgen zie je het zelf!
***
De volgende dag brengt de vader een hanger aan een ketting in de vorm van een rechthoek, die er goud uitziet. Op de ene kant zijn twee sterrenbeelden gegraveerd, Stier en Maagd, en op de andere kant staat klein maar mooi geschreven:
«Aan mijn klasgenootje Lieke op 8 maart! Daan».
O, hoe mooi deze hanger eruit ziet! En wanneer mama hem in een cellofaanzakje verpakt, ziet het er helemaal fantastisch uit.
***
En nu is het 7 maart. De juf is niet van plan om lessen te geven. Eerst overhandigen de scholieren haar een cadeautje. Ze bedankt lang. Daarna kondigt ze aan dat de jongens cadeautjes aan de meisjes moeten geven.
Wat begint hier! Alle jongens rennen naar hun ‘uitverkorenen’. Daan loopt ook naar Lieke Bos en zegt, zoals papa hem heeft geleerd:
Lieke, ik feliciteer je met de feestdag 8 maart! Misschien verbindt het lot ooit de Stier en de Maagd.
Na de ingestudeerde zin gezegd te hebben, loopt Daan naar zijn plaats en merkt natuurlijk niet hoe het hart van dit lelijke, in zijn ogen, meisje begint te kloppen.
Binnenkort verhuizen de ouders van Lieke naar een andere wijk, en Lieke zelf begint vanaf de vijfde klas op een andere school te leren.
***
Daan opent zijn ogen. Het witte plafond van de ziekenhuiskamer. Hij probeert zijn armen en benen te bewegen. Alleen de linkerarm beweegt.
Waar ben ik? richt hij zich tot niemand in het bijzonder.
Er klinkt wat gestommel en een patiënt op krukken komt naar zijn bed toe, kijkt hem aandachtig aan en vraagt:
Ben je bijgekomen? Je bent op de afdeling spoedeisende chirurgie.
Heb ik mijn armen en benen nog heel? vraagt Daan met zachte stem.
Alles lijkt op zijn plaats, – deelt die het goede nieuws mee. Alleen ben je helemaal ingebonden van hoofd tot teen.
Dat is goed als alles heel is.
Dan komt de verpleegster eraan en vraagt meelevend:
– Hoe voel je je?
– Wat is er met me aan de hand! antwoordt Daan vraag met vraag.
– Je leven wordt niet bedreigd. Armen en benen zullen werken. Alleen blijven er veel littekens over, – ze overhandigt de ingeschakelde telefoon. Je moeder heeft gevraagd om te bellen wanneer je wakker wordt.
– Zoontje, – klinkt de stem van de moeder door tranen heen.
– Mam, alles is in orde, – hij probeert zo opgewekt mogelijk te spreken. Ze zeiden dat er alleen kleine littekentjes zullen overblijven. Binnenkort word ik al ontslagen.
– Ze hebben me niet toegestaan om ‘s nachts bij je te blijven. Zoontje, ik kom nu meteen.
– Mam, maak je niet al te veel zorgen!
Hij legt de telefoon naast zich, probeert te glimlachen naar de verpleegster:
– Dank je!
– Nou, ze ontslaan je nog niet snel, – glimlacht de verpleegster terug. Drie weken moet je hier nog liggen. Dat is zeker!
– Wat is er met jou gebeurd? vraagt de buurman in de kamer wanneer de verpleegster weg is.
– Ik ben een reddingswerker. Op de fabriek begonnen de zuurstofflessen te exploderen, – begint Daan te herinneren. Ze hebben ons gebeld. Wij waren er eerder dan de brandweer. De ruimte is enorm, binnenin drie gewonden. We renden daar naar binnen, daar liggen flessen verspreid, hier en daar vuur. We begonnen de gewonden naar buiten te dragen Ik kwam als laatste naar buiten Toen ik al bij de deur was, explodeerde weer een fles Verder weet ik niets meer.
– Ja, je hebt het zwaar te verduren gekregen.
– Daan de Wit, – klinkt de stem van de verpleegster. Er is een collega van je werk voor je.
– Hoi, Daan! Hoe gaat het?
– Armen, benen heel! antwoordt de gewonde optimistisch. Maar ik kan nu alleen met de linkerhand begroeten!
– Ach kom op!
– Wat is er daarna gebeurd?
– We waren al aan het weggaan toen het explodeerde. We renden meteen terug, trokken je eruit je zat helemaal onder het bloed de artsen waren al in de buurt
– Dank je!
– Daan, waar heb je het over?! plotseling verschijnt er een glimlach op het gezicht van de vriend. – Ze willen ons denk ik medailles uitreiken.
– Tegen die tijd word ik ontslagen.
– Oké, ik ga. Jullie hebben nu visite. De verpleegster zei dat het niet lang mag zijn.
De vriend is nog niet weg of de arts, een man van ongeveer veertig, komt binnen:
– Nou, hoe gaat het, held? hij loopt naar zijn bed.
– Normaal.
– Nu je al praat, zul je leven. Kom, ik onderzoek je!
– Heb jij me gehecht? vraagt Daan.
– Nee, Lieke. Zij komt overmorgen.
***
Er gaan twee dagen voorbij. Daan probeert al op te staan. Wel is de pijn in zijn benen nog sterk, zijn rechterarm is gescheurd. En er zijn minstens tien wonden over zijn hele lichaam. Twee op zijn gezicht, toen het explodeerde, botste hij tegen de poort, gelukkig dat hij op tijd zijn rechterarm vooruit stak. Hij kijkt in de spiegel. Zijn gezicht is nog steeds opgezwollen.
Vandaag moet de ronde worden gedaan door de arts die hem eergisteren vijf uur lang heeft gehecht in de operatiekamer. Daan is zelfs een beetje zenuwachtig.
En daar komt ze binnen. Jong, slank, wel met een bril, maar die bederft haar helemaal niet, en het witte jasje staat haar helemaal goed. Daan is op zijn zevenentwintig al getrouwd geweest. Maar na een half jaar gingen ze uit elkaar karakters kwamen niet overeen, zoals in de aanvraag stond, maar in werkelijkheid vond de ex-vrouw het salaris van de reddingswerker niet leuk.
– Hallo! zegt de arts en loopt naar zijn bed.
– Hallo! Heb jij me gehecht?
– Ik, – glimlacht ze. Is er iets mis?
– Laten we je onderzoeken!
En ze buigt zich over hem Voor zijn ogen de hanger met sterrenbeelden, die om haar nek bungelt:
– Lieke Bos!!! roept hij uit.
Ze kijkt aandachtig naar zijn opgezwollen gezicht.
– Sorry! zegt ze, zonder hem te herkennen.
– Ik ben Stier, – en wijst naar de hanger.
– Daan de Wit? haar lippen trillen. Onthoud je me nog?
– Wat zeg je nou, Lieke? bij het zien van tranen in de ogen van de vrouw legt hij zijn handpalm op haar hand.
– Sorry! ze haalt een zakdoek tevoorschijn en dep de ogen. Ik had nooit gedacht dat we elkaar zo zouden ontmoeten.
Meer komt Lieke die dag niet zijn kamer binnen. Maar Daan begrijpt al dat zij een rooster heeft, net als hij: dag, nacht en twee vrije dagen.
Hij wil er niet hulpeloos uitzien voor haar. De hele volgende dag probeert hij rond te lopen in de kamer leunend op bedden, een paar keer, zich vasthoudend aan de muur, gaat hij de gang in.
Avond. De arts die in de dagdienst werkt is weg. De nieuwe shift komt dat is te merken aan het gesprek in de gang. Nu de ronde
En plotseling kreten, haastige stappen in de gang. Dat gebeurt als er weer een gewonde wordt binnengebracht.
Het is al tien uur. De verpleegster komt binnen, doet het licht in de kamer uit. Maar hij kan niet slapen. Al na middernacht zijn er stappen te horen in de gang, nu verstommen ze, en in deze stilte voelt Daan eerder dan dat hij hoort dat er in de gang iemand huilt. Hij staat op en loopt voorzichtig de gang in.
Achter de balie van de dienst zit en, met haar hoofd op haar handen, huilt zijn voormalige klasgenote. Hij loopt ernaartoe en legt zijn gezonde hand op haar schouder:
– Wat is er, Lieke!
Ze staat op en drukt zich tegen zijn schouder:
– Ik heb een vrouw geopereerd, ze is onder een auto gekomen, – stikkend in tranen begint ze te vertellen. Ik heb alles gedaan wat mogelijk en onmogelijk was Ze ligt nu op de intensive care, maar ze zal het niet overleven. Ze heeft twee kinderen haar man is nu bij haar in de kamer
– Kalmeer, Lieke!
– Ik werk nu drie jaar als chirurg en ik kan er nog steeds niet aan wennen dat mensen sterven.
– Kalmeer, kalmeer! Zulke beroepen hebben we. In vijf jaar heb ik ook zoveel doden gezien, maar we hebben ook heel wat levens gered, – Daan zucht zwaar. – Daarom is mijn vrouw bij me weggegaan. Ze zegt: dat ik niet mezelf meer thuis kom en te weinig geld verdien. Maar bij mij komt altijd veertigduizend uit daar kun je van leven.
– Bij mij is het precies hetzelfde, – ze kijkt hem in het gezicht. Jongens kijken naar me alsof ik gek ben. Ik ben nog steeds niet getrouwd, ik woon als een kind bij mijn ouders.
– Ach kom op, we zijn pas zevenentwintig het hele leven ligt nog voor ons.
– Nee, Daan, we zijn al zevenentwintig.
– Lieke, haar pols verdwijnt, – roept de verpleegster die naar buiten rent.
– Sorry! en Lieke rent naar de intensive care.
Daan kan die nacht niet in slaap vallen. ‘s Ochtends komt de verpleegster, zoals gewoonlijk geeft ze hem een injectie.
– Leeft de vrouw die vannacht is geopereerd? vraagt hij onverwachts zelfs voor zichzelf.
– Ze leeft, maar haar toestand is extreem ernstig.
***
Er gaan drie weken voorbij. De wonden op het lichaam van Daan zijn geheeld. Hij en Lieke zien elkaar wanneer zij dienst heeft, bovendien wordt hij steeds sterker naar haar toe getrokken. Maar de afdeling spoedeisende chirurgie is niet de plek waar je over iets heel persoonlijks kunt praten.
En tijdens een van de ochtendronden meldt de mannelijke arts:
– Vandaag ontsla ik je, – glimlacht en voegt eraan toe. Uit het ziekenhuis bedoel ik. Ga meteen naar je polikliniek, en daar beslissen ze hoe lang je nog ziek thuis moet blijven.
– Ik kan me klaarmaken!
– Ja, ja! Haast je niet te veel. Nu maken ze je ontslagpapieren klaar.
Wanneer de arts weg is, scheert Daan zich. In de spiegel kijkend, merkt hij tevreden op dat de twee overgebleven littekens zijn gezicht helemaal niet bederven, eerder mannelijkheid toevoegen. Aan de andere littekens hoeft hij helemaal geen aandacht te besteden.
Hij maakt zich klaar, loopt de gang in. Hem tegemoet, zich vasthoudend aan de muur, loopt een patiënt.
“Ze heeft het toch gered!” – flitst een vreugdevolle gedachte.
De verpleegster komt naar buiten, overhandigt het ontslag:
– Tot ziens, Daan! Kom niet meer bij ons terecht!
***
Hij heeft zijn eigen eenkamerappartement, maar hij gaat naar zijn ouders. Want mama heeft zo op hem gewacht en zich zorgen gemaakt. Ze heeft zelfs vakantie opgenomen.
– Zoontje! rent ze op hem af in een omhelzing.
– Alles goed, mam! Zoals je ziet, leef ik en ben ik gezond.
– Kom, ik heb eten voor je gemaakt. Je bent zo mager geworden.
– O, hoe heb ik naar huiseten verlangd!
– Totdat je bent hersteld en getrouwd bent, blijf je in het ouderlijk huis wonen. Je kamer staat nog steeds leeg, – en roept alsof tegen een kind. Ga, was je handen!
***
Tegen de avond gaat Daan naar de kapper. Hij gaat zijn appartement binnen. Haalt wat kleren op. Mama begint meteen ze op te ruimen.
‘s Avonds komt de vader van zijn werk. Ze zitten, zoals vroeger, allemaal samen en praten tot diep in de nacht.
Hij gaat slapen in zijn kamer, waar zijn jeugd en adolescentie voorbij zijn gegaan, maar valt niet meteen in slaap:
“Morgen moet ik naar de polikliniek. Dan naar mijn werk. En ‘s avonds”
Met die gedachte aan de volgende avond valt hij in slaap ver na middernacht.
***
De volgende dag gaat Daan ‘s ochtends naar de polikliniek. Tot de lunch loopt hij langs de spreekkamers. Na de lunch gaat hij naar zijn werk, net is zijn dienst.
– Waar ga je naartoe? informeert de vader.
– Pap, weet je nog lang geleden, toen ik nog in de vierde klas zat. Jij hebt een hanger voor me gemaakt als cadeautje voor een klasgenootje?
– De lelijke Lieke Bos? Ik weet het nog.
– Weet je nog, je zei ook: Als je groter wordt, word je misschien nog verliefd op haar.
– En dat weet ik nog.
– Pap, Lieke is nu chirurg. Zij heeft me geopereerd. En ze draagt die hanger nog steeds om haar nek.
– Nou, dat is wat!
– Pap, je woorden zijn uitgekomen. Ik ga naar haar toe!
***
Zevenentwintig jaar is niet zo veel voor het begin van een leven met een geliefd iemand.

Please rate
Bagattia News
Ik kreeg de lelijke