Ik was destijds achtenveertig, Arjen was vierenvijftig. We leerden elkaar kennen via een Nederlandse datingsite. Het begon allemaal behoorlijk romantisch: ons eerste afspraakje was in een knus café in Utrecht, en al bij onze derde ontmoeting bracht hij voor mijn verjaardag een speciaal bestelde slagroomtaart mee. Op de taart stond: Voor Femke, van iemand die blij is dat jij er bent. Op dat moment kenden we elkaar pas drie weken.
Arjen was een man die indruk maakte met eenvoudige gulheid. Zonder reden bracht hij een bos tulpen mee. Hij stelde vaak voor even uit te waaien op de Veluwe, of een dagje naar het strand te gaan. Eens zette hij mijn kraan in de badkamer weer recht, later betaalde hij zelfs de schilder voor mijn moeders flat in Amersfoort. Hij had zijn eigen reparatiewerkplaats en leefde alleen.
Jij bent mijn familie, Fem, zei hij na zon acht maanden. Mijn zoon is volwassen, mijn ex-vrouw woont al lang ergens anders. Jij bent alles wat ik nu nog heb.
Ik geloofde hem. Hoe zou je die woorden niet geloven, van een man die niet alleen lieve dingen zegt, maar ook taarten met zulke teksten komt brengen en je kraan fixt?
Drie weken stilte: zo klinkt verraad zonder ruzie
Toen ik in het ziekenhuis belandde, was ik de eerste week niet eens teleurgesteld. Ik wist: Arjen had zijn zaak, klanten, altijd werk. Maar in de tweede week begon ik me zorgen te maken. Tegen de derde week besefte ik opeens heel helder: hij komt niet.
In mijn kamer lag ook een oudere dame, mevrouw Jansen zeker zeventig jaar. Elke zaterdag bracht haar man haar een bos bloemen. Op een dag vroeg ze:
Femke, wanneer komt jouw man eigenlijk eens langs? Ik heb hem nog nooit gezien.
Hij moet veel werken, zei ik.
Ze keek even over haar bril naar me en zei zacht:
Werk heeft iedereen, lieve kind. Mijn Henk werkt ook. Maar hij pakt tóch drie keer de bus vanuit Haarlem, met zijn zere rug omdat het voor hem onmogelijk is om níét te komen. Snap je? Niet dat hij wil komen hij kán niet anders. Als een man kán besluiten om niet te komen, dan is hij morgen misschien net zo makkelijk niet gebleven.
Dat zinnetje is me bijgebleven, veel meer dan wat een psycholoog me ooit had kunnen zeggen.
Woensdag werd ik ontslagen uit het ziekenhuis. s Avonds belde Arjen.
Femmie, ben je thuis? Ik kom zaterdag even bij je langs, goed?
Zaterdag. Over drie dagen. Ik was net geopereerd en voelde me kwetsbaar, maar hij sprak alsof we naar de markt gingen.
Nee, Arjen. Nu.
Twee uur later stond hij er, met bloemen en een netje sinaasappels, zichtbaar beschaamd. We zaten aan de keukentafel. Ik kwam meteen ter zake.
Arjen, waarom ben je geen enkele keer gekomen?
Fem, ik belde toch elke dag…
Ja, je belde. Maar je kwam niet. Drie weken lang, eenentwintig dagen. Ik ben geopereerd, lag dagen met koorts, met pijn. Ik wachtte op jou. Jij vroeg steeds aan de telefoon hoe gaat het?
Het was zo druk op werk. Twee grote opdrachten tegelijk, personeel tekort, ik moest alles zelf doen. Ik had gewoon geen tijd
Drie weken? Geen enkel uurtje? Het ziekenhuis was gewoon open tot acht uur, op een klein halfuurtje rijden
Je snapt niet hoe hectisch het was. Ik was ook bezorgd om jou, echt… maar ik kon de zaak niet alleen laten.
Je kón het niet. Of je wilde het niet?
Hij viel stil. In die stilte zag ik plotseling alles duidelijk: voor Arjen was bezorgd zijn heel iets anders dan er echt zijn. Het eerste kon het tweede moeiteloos vervangen.
Weet je, Fem, zei hij uiteindelijk, heel zacht. Ik weet gewoon niet hoe dat moet, bij iemand in het ziekenhuis zijn. Aan een bed zitten, die infuusstandaarden, dat bange gevoel ik heb het altijd moeilijk gevonden sinds mijn moeder stierf in het ziekenhuis. Ik was zo van plan te komen maar telkens als ik eraan dacht, kneep er iets samen in me. Iedere keer schoof ik het op tot morgen. En toen waren de weken voorbij.
Dat was het niet dat hij niet wilde, of niet liefhad, zelfs niet dat hij geen tijd had. Gewoon: hij kon er niet zijn als het moeilijk werd.
Arjen, zei ik langzaam, anderhalf jaar was je bij me als alles goed ging. Koffietjes, taart, uitjes, klusjes als ik gezond en vrolijk was, was je altijd beschikbaar. Maar toen het écht niet goed ging, bleef je weg. Je belde, maar je kwam niet. Bezorgd zijn is niet hetzelfde als er zijn.
Dat weet ik, je hebt gelijk.
Je hebt geen schuld, Arjen. Je bent gewoon zo. Dat is nog zwaarder dan schuld. Schuld kun je goedmaken. Maar aanleg, karakter dat niet.
De bos bloemen van een andere man en het besluit dat langzaam rijpte in mijn ziekenhuiskamer
Die avond ging hij weer weg. Ik zat in de keuken, dronk slappe thee, en dacht aan mevrouw Jansen en haar Henk. Drie bussen, zere rug, en elke zaterdag bloemen. Geen grote woorden, geen pathetiek. Gewoon komen, omdat niet komen geen optie is.
Voor Arjen was niet komen heel goed mogelijk vierentwintig dagen op rij. In dat ene woordje mogelijk zat alles wat er mis was met onze relatie.
Een week later stuurde Arjen een lang bericht: excuses, beloftes om te veranderen, dat het gewoon angst was geweest. Ik las het helemaal door en voelde, voor het eerst, echt niets meer.
Woorden zonder daden zijn als behang zonder muren: mooi, maar onbewoonbaar.
Ik reageerde niet. Niet uit woede. Niet om hem iets te laten voelen. Maar omdat ik alles eindelijk begreep. Ik heb iemand nodig die komt. Die binnenstapt met een netje sinaasappels en niet alleen zijn stem laat horen aan het eind van de dag.
Langzaam genas het litteken. Mijn moeder zegt nu dat ik er zelfs gezonder uitzie dan voor de operatie misschien omdat ik niet alleen in mijn buik iets verloor.
En toch blijft de vraag knagen, een vraag die vast bij velen leeft.
Vrouwen: is jullie dit ook overkomen, dat een man dacht dat bellen of appen genoeg was, maar in een moeilijk moment uitbleef? Hebben jullie dat kunnen vergeven, of zijn jullie weggegaan?
Mannen: wees eerlijk zijn jullie van het soort voor wie niet komen gewoon geen optie is, of blijft het bij bellen in plaats van achter het stuur stappen?
Ik weet niet hoe ik er moet zijn als het moeilijk is een uitleg, of een vonnis over liefde?







