Ik geef zijn woning niet uit handen

Niet afstaan, dat huis
Waarom ben je gekomen?

Annelies stond breeduit in de deuropening, haar handen omklemden het kozijn alsof ze niet alleen de kamer, maar haar hele leven afschermde.

Goedenavond, mevrouw Van Dijk.

Ik vroeg: waarom ben je gekomen.

Margje antwoordde niet direct. Haar blik bleef hangen op het drempeltje, met het blauwe vloerkleedje met witte rand dat ze jaren geleden op de Albert Cuypmarkt had gekocht. Het lag er nog steeds, gerafeld en vaal, maar nooit weggegooid.

Mag ik binnenkomen?

De stilte duurde lang. Annelies bewoog niet, draaide zich uiteindelijk zonder iets te zeggen om en liep richting de keuken. Margje wist: dat gold als een uitnodiging.

Ze sloot de deur achter zich. In de kleine hal hing een bekende geur, maar tegelijkertijd was alles anders. Geen rooklucht meer van Robs jas die hing altijd links. Nu hing er slechts een oude fleece en een gebreid mutsje.

In de keuken zette Annelies haastig een waterkoker aan. Ze rookte niet meer, haar handen hadden iets nodig om bezig te zijn.

Ik zag licht branden, zei Margje. Toen ik langsliep.

Om tien uur s avonds?

De bus had vertraging. Ik stond te wachten bij de halte.

Annelies draaide zich om en schonk Margje die blik waarin wantrouwen en een restje hoop mengen: je weet dat je niet welkom bent, maar je wordt nog net niet weggestuurd.

Hang je jas op, zei ze kort. Nu je hier toch bent.

Margje hing haar jas aan de rechterhaak, eerst twijfelde ze, want links voelde te vertrouwd.

Ze zaten tegenover elkaar aan de kleine tafel. Van Dijk schonk thee in zonder te vragen of Margje überhaupt iets wilde en schoof de suikerpot naar haar toe. Gewoontebewegingen, dacht Margje: een gast krijgt thee, wat er ook speelt.

Hoe gaat het? vroeg ze zacht.

Goed, zei Annelies. Twee handen om de mok. Zoals gewoonlijk.

Margje bekeek haar handen: ouder, met vlekken en stramme knokkels, maar ze hielden de mok te strak voor een “zoals gewoonlijk”.

Ik kwam praten, zei Margje.

Waarover.

Over van alles.

Over de papieren?

Margje aarzelde.

Niet alleen.

Een mok op het tafelblad, net iets té hard.

Over die papieren praat je maar met de notaris. Ik heb alles al gezegd.

Dat weet ik.

Dus waarom zou je het herhalen.

Dat was geen vraag. Margje pakte haar thee, blies voorzichtig. Nog te heet, ze zette het terug.

Buiten tikte een lichte oktoberregen tegen het raam. Bij de lantaarnpaal zwierde een schaduw over de vensterbank. Margje kende deze keuken als geen ander, wist dat in die linkerla oude batterijtjes lagen Rob gooide niks zomaar weg. De emmer onder de gootsteen stond er alleen als de buis lekte elke herfst weer. Tussen de koelkast en de muur zat een kier waar nog steeds een euro lag van járen terug, die Rob, Annelies en zij ooit minutenlang probeerden terug te krijgen.

Rob. Drie maanden geleden.

Ik heb jam meegenomen. Van mirabellen. Het staat bij de voordeur, misschien heb je het gezien.

Annelies volgde een knikje met haar ogen.

Gezien.

Je hield van mirabellenjam.

Hield. Even stil. Hou.

Er zat zo iets triests in die verspreking. Margje herkende het. Ook zij vergiste zich soms in de tijd. Sprak over hem in de tegenwoordige tijd middenin een zin, en dan werd het stil, want de zin klopte niet meer.

Ik hoorde dat je misschien naar Petra in Groningen ging, zei Margje.

Dat was het plan. Nog niet geweest.

Waarom niet?

Ach, zaken, wapperde Annelies.

Ze wisten beiden: er waren geen zaken. Alleen dat appartement. Dat niet alleen achtergelaten mocht worden. De angst dat de leegte alles zou opslokken. En misschien ook dat Petra haar zou gaan sparen en ze kon niet tegen medelijden.

Mevrouw Van Dijk, zei Margje, haar stem lager, ik kwam niet omwille van de papieren. Echt niet.

Echt niet, herhaalde Annelies, zonder dat te geloven.

Ik begrijp dat je boos bent.

Ik ben niet boos.

Oké.

Ik begrijp het gewoon niet. Voor het eerst kwam er iets levends in haar toon, hoorbaar ongecontroleerd. Hoe kun je zo verdergaan? Zes maanden nog maar. Jij bent verder gegaan. Maar ik sta hier.

Margje zei niet dat dat niet klopte. Ze was gewoon stil.

Je bent gezien, ging Annelies verder. Door Tineke. In augustus, bij De Blauwe Druif aan de Vijzelstraat. Met iemand.

Een collega. We werkten samen aan een project.

Een collega, ja.

Annelies stond op, keek uit naar de regen door het raam en de wiebelende schaduw: durven omdraaien, maar nog niet klaar.

Rob hield van je, zei ze zacht. Erg veel. Misschien gaf hij je meer dan je wist.

Ik weet het, fluisterde Margje.

Zeker?

Margje klemde de mok vast. Iets in haar kantelde. Ze wist dat ze nu, als ze iets zei, het te veel zou zijn. Ze zweeg.

Het gaat mij niet om jou, zei Annelies. Jij bent jong, tweeënveertig, je hebt nog een leven voor je. Ik ben achtenzestig. Ik had één zoon.

Dat weet ik.

En nu niet meer. En jij komt hier met jam.

Dat had vijandig kunnen zijn maar het was alleen eerlijk, en Margje voelde daar dankbaarheid voor, onverklaarbaar genoeg.

Ik weet ook niet goed hoe het anders moet, zei ze. Ik móet iets meenemen, iets zeggen. Met lege handen voelt nog vreemder.

Annelies draaide zich eindelijk om en keek Margje indringend aan.

Heb je gehuild, beneden? Voor je binnenkwam?

Ja, even.

Op het trapportaal?

Ja.

Er verschoof iets in haar gezicht. Heel licht. Ze ging weer zitten.

Gekke wijven, zei ze zacht. Wij allebei.

Voor het eerst klonk dat zonder tweede laag.

Het regende nu stevig. Ze luisterden samen naar het Hollandse oktobergeluid.

Vertel me, zei Margje, over het testament. Wat raakte je? Niet de versie van de advocaat, gewoon van jou.

Verwondering gleed vluchtig over Annelies gezicht. Alsof niemand ooit verwachtte dat ze echt zelf mocht praten.

Het gaat om dat huis, zei ze langzaam. Robs huis. Wij spaarden daar samen voor, Bart en ik. Acht jaar, bijna. Want een thuis voor hem, dat wilden we. En ja, hij woonde er, samen met jou. Niets mis mee, maar Het was zíjn huis, begrijp je? En nu

Nu gaat het volgens de wet naar mij, onderbrak Margje zacht.

Jullie waren niet getrouwd.

We leefden samen. Zes jaar.

Ik weet het. Annelies vouwde haar handen op tafel. Maar… Ik denk dat hij anders wilde. Dat ik nog mocht meetellen. Niet zomaar… buiten de deur.

Hij schreef het testament zelf, mevrouw Van Dijk.

Dat weet ik. Lang stil. Misschien is het goed zo. Of niet. Ik was boos, in het begin. Nu niet meer. Maar snap het niet.

Wat niet?

Waarom jij het niet opgeeft. Je vertelde aan Tinekes dochter dat het te groot is, misschien wil je weg. Waarom hou je het dan?

Margje keek haar aan.

Dat zei ik in juli. Het ging slecht toen. Ik weet nog niet wat ik doe.

Mocht je het ooit verkopen, begon Annelies.

Daar denk ik niet aan.

Mocht het toch zover komen, zeg jij het dan eerst tegen mij? Niet via-via, maar tegen mij?

Nu wist Margje ineens wat er werkelijk speelde. Niet vierkante meters, euros, akten. Maar dat. Niet vreemden worden. Recht om het eerst te horen. Elke band die gebleven is met Rob, bleef via haar nog bestaan.

Jij hoort het eerst. Beloofd.

Annelies knikte kort en schonk zichzelf nog wat thee in.

Heb je al gegeten vandaag? vroeg ze.

Nog niet, sinds vanochtend.

Sinds vanochtend. Ze stond op, opende de koelkast. Ik heb soep, vermicellisoep. Wil je een kom?

Graag.

Terwijl Annelies de soep opwarmde, keek Margje naar haar rug. Ze dacht: in een ander leven, als het allemaal anders was gelopen, hadden ze misschien zelfs vriendinnen kunnen worden, samen naar de Veluwe, kerst samen aan één tafel. Of niet. Misschien bleven ze altijd op afstand, niet dichtbij genoeg, niet vreemd genoeg.

De soep was eenvoudig en troostrijk. Wortel, ui, een beetje peterselie, verder niets.

Lekker, zei Margje.

Ach doe normaal, bromde Annelies, maar ze glimlachte.

Ze aten in stilte. Annelies spuugde het ineens uit, ogen strak op haar lepel:

Rob zocht jou in het ziekenhuis. Weet je dat?

Margje stopte.

Nee, wat?

Je was toen weg. In april. Voor een conferentie zei je. Hij werd toen opgenomen, ik was er, hij vroeg steeds wanneer jij terugkwam. Elke dag.

Margje legde haar lepel neer.

Ik was de volgende dag terug.

Ik weet het. Eindelijk keek ze op. Geen verwijt. Ik wilde het je gewoon laten weten.

Waarom?

Omdat iemand het moet weten, buiten mij.

Dat was gewoon eerlijk. Margje voelde een droogte in haar keel. Ze dronk haar koude thee.

Hij heeft me nooit verteld dat hij bang was, fluisterde ze. Ik dacht dat hij sterk en kalm was. Ik dacht dat hij niet van drukte hield.

Hij hield er niet van om zielig gevonden te worden.

Precies. Ik dacht dat zo het beste was.

Misschíen was dat ook zo. Misschien niet. Wie weet.

Het bleef lang stil. Uiteindelijk ruimden ze samen het servies op, net als in rituele dans; Annelies waste af, Margje droogde. Het voelde niet meer als toeval, meer als iets wat wáchtig was.

Daarna gingen ze weer zitten. Annelies haalde uit de buffetkast een pakje koekjes tevoorschijn, de gewone, kruimelige supermarktkoek van de bakker op de hoek.

Tineke zegt dat ik me bij een schilderclub moet aansluiten, zei ze plots. Aqua­rel, elke donderdag in het buurthuis.

En, wil je dat?

Geen idee. Klinkt wat belachelijk.

Waarom?

Op mijn leeftijd? Pff.

Juist goed op jouw leeftijd, zei Margje lachend.

Annelies keek haar hoofdschuddend aan.

Je klinkt als een maatschappelijk werkster.

Jij als een oud wijf, grapte Margje terug.

Achtenzestig.

Nog geen honderd.

Annelies lachte zuchtend.

Eerst Bart, toen Rob, werk, het huishouden. Altijd bezig, altijd iemand nodig. Nu moet ik leven zonder doel. Waterverven… Tja.

Misschien goed om te leren.

Makkelijk praten.

Ook moeilijk om het te zeggen.

Een rustmoment.

Kom je dan met mij mee naar het buurthuis? vroeg Annelies.

Nee, zei Margje, maar ik moet ook wat leren. Ik heb mijn werk, vriendinnen, alles. Maar thuis: leeg. Ik zit daar en denk dat hij zo thuis kan komen.

Annelies glimlachte flauw.

Hij kon lekker ouwehoeren, mompelde ze.

Ja.

Mam, ik dacht altijd dat mollen kleine molens waren, zei hij eens. Wat een kind.

Hij vertelde mij dat olifant in het Mongools zaan is. Klinkt alsof een olifant zich wat voelt.

Annelies lachte ineens hardop. Verrast dat ze het kon.

Waar haalde hij het vandaan?

Veel gelezen.

Vanaf zijn vijfde aan het lezen. Ik kreeg hem niet achter dat boek vandaan.

Hij liet een foto zien, bij jullie in Drenthe, acht jaar oud, lachen op de veranda met een boek, iedereen aan het spelen.

Bart hield van de tuin. Rob zat daar maar. Ik dacht soms: wat een kind. Later raakte ik eraan gewend.

Wat las hij toen hij acht was?

Over kapiteins en de zee. De eerste keer aan zee, pas op zijn zestiende. Het is kleiner dan ik had gedacht, zei hij toen.

Margje lachte. Ze kende het verhaal anders Rob had haar een andere versie verteld. Welke klopt, dacht ze, doet er niet toe.

Hij sprak vaak over Bart, zei Margje. Hij miste zijn vader.

Bart, Bart van Dijk, overleed zes jaar geleden. Rob en Margje leerden elkaar pas later kennen.

Ja, zei Annelies. Elke dag.

Jij ook?

Elke dag. Je went eraan, maar je verlangt er toch naar. Dat sluit elkaar niet uit.

Nee.

Stilte.

Vertel me iets over Rob als kind, vroeg Margje. Daar weet ik zo weinig van.

Annelies keek scherp.

Waarom wil je dat weten?

Zolang iemand het nog kan vertellen.

Dat klonk rauw, Margje hoorde het zelf, maar het was eerlijk.

Annelies stond uiteindelijk op, haalde een oude doos van boven. Ze zetten haar op tafel.

Ik heb zijn spulletjes uitgezocht, in september. Sommigen houd ik, sommigen niet.

Er zaten schriften tussen, wat speelgoed, kindertekeningen. Margje bladerde voorzichtig, nerveus. Rob van Dijk, Groep 4.

Jeetje, fluisterde ze.

Precies. Dat zeg ik ook altijd.

Ze bladerden samen, Annelies vertelde. Over hoelangs hij op zijn hoofd stond oefenen, over de kat die hij eens mee naar huis bracht. Over hoe hij op zijn veertiende programmeur wilde worden, dan kun je werken op pantoffels.

Dat heeft hij ook gedaan, lachte Margje.

Beloofd is beloofd.

Het werd bijna middernacht toen Margje opkeek.

Ik moet gaan, anders mis ik de laatste tram.

Blijf je slapen? zei Annelies ineens, kort en bijna verontschuldigend. De logeerbank ligt klaar.

Niet nodig.

Voor wie niet?

Margje keek opzij; Annelies keek de andere kant op, alsof het aanbod haar zelf ook verraste.

Prima, zei Margje. Dankjewel.

Terwijl Annelies alles regelde, stond Margje te dromen bij het raam. Ze dacht: drie maanden geleden was dit ondenkbaar. Deze soep, deze schriften, dit blijf maar slapen.

Rouwen met familie is iets wat niet in woorden past, en waar papieren of geld niets oplossen. Het vraagt alleen: gewoon komen. Met jam, of juist alleen. Zitten, wachten, net zo lang tot er iets verschuift.

Ze wist niet of het goed zou komen. Maar vandaag was er iets veranderd.

De logeerkamer was niet anders dan toen zij en Rob hier samen sliepen. De bank hing iets door, het ruitjesplaid noemde Annelies “bruin”, terwijl het eigenlijk oranjerood was. Margje ging liggen, keek naar het plafond.

Op de plank stonden boeken, de meeste van Bart. Eén dun boekje viel op. Margje bekeek het. Brieven uit nergens, onbekende auteur. In balpen: Voor mama, lees langzaam. Ik hou van je.
Robs handschrift, onmiskenbaar.

Ze legde het boek terug.

Staarde ernaar in het schaarse licht.

Achter de muur hoorde ze Annelies lopen, het zacht klakken van de kraan. Het leven. Iets kleins, bodems en gewoon doorgaan.

De volgende ochtend kookte Annelies pap. Margje kreeg een kom havermout zonder te vragen, met sinaasappelsap erbij. Buien waren over het natte trottoir getrokken. Het was grijs, oktober.

Hoe laat werk je?

Om tien uur. Ik red het wel.

Het is dichtbij, knikte Annelies. Je neemt zeker de metro?

Ja.

De derde halte, klopt toch?

Klopt, Margje was verrast. Dat weet je nog?

Rob zei het altijd.

Margje at de havermout zout, met een klontje boter, net als haar moeder vroeger maakte, ver voordat ze gewend was aan zoet.

Ik wil je iets laten zien, zei Annelies en kwam terug met een envelop. Deze vond ik tussen zijn spullen. Van de militaire dienst. Hij hoefde niet in dienst, maar deed een oefening met zijn studie. Hij schreef mij toen. Je hoeft hem niet te houden, gewoon lezen als je wilt weten wie hij was.

Ze gaf het aan Margje. Drie small handgeschreven bladzijdes. “Lees langzaam”, stond er eerder in dat boekje. Margje las langzaam.

Hij schreef over mist buiten de barak, over hoe alles steeds verschoof, behalve de oude populier. Over heimwee naar moeders pannenkoeken. Over gemis van stilte.

Het was een andere Rob, jonger, zachter nog.

Mag ik er een foto van maken? Voor mezelf?

Annelies keek haar aan.

Neem maar mee. Voor altijd. Ik heb het niet meer nodig.

Dat kan ik niet aannemen.

Margje, zei Annelies, voor het eerst haar naam uitsprekend. Neem het gewoon.

Margje stopte het briefje in haar tas. Ze wilde iets zeggen, maar woorden schoten tekort.

Ze deden samen de afwas. Net als de avond ervoor maar nu was het méér.

Je moet toch echt naar Petra, zei Margje. Het huis blijft echt wel staan. Petra wacht op je.

Ze belde vorige week, gaf Annelies toe. Ze zegt dat ze zich buitengesloten voelt.

Dan moet je echt gaan.

We zien wel.

Mevrouw Van Dijk…

We zien wel, zei ik.

Margje hing de theedoek terug.

Mag ik af en toe langskomen, zei ze. Niet vaak. Gewoon soms.

Annelies draaide de kraan dicht. Ze bleef even met de theedoek in haar handen staan.

Doe maar, zei ze zacht. Dan maak ik soep.

Met vermicelli?

Of wil je liever met boekweit?

Vermicelli is goed.

Afgesproken.

Margje trok haar jas aan. Annelies liep mee tot de deur. Margje keek nog even om.

Dankjewel voor vannacht.

Nou, zei Annelies. Ga maar, straks ben je te laat.

Margje pakte de klink, aarzelde.

Dat boekje, van Rob voor jou. Heb je het gelezen?

Begonnen, huiverde Annelies. Maar langzaam.

Hij schreef: lees langzaam.

Ja. Ze knikte. Hij kende mij.

Margje knikte ook. Opende de deur.

Tot ziens.

Tot ziens.

Deur dicht. Margje bleef even staan, hoorde het slot, pas na een paar tellen. Alsof Annelies zelf stond te luisteren.

Op de trap rook het vochtig, de lamp flikkerde. Margje liep langzaam naar beneden, stevig aan de leuning.

Buiten was het nog steeds oktober. Werknemers haastten zich. Iemand schreeuwde. Duiven waggelden over de stoep, onverstoorbaar.

Margje liep naar de metro. Dacht: verzoening is geen besluit, geen moment. Het is soep, een schrift, een nacht op de bank, een handdoek. Een brief onder in je tas.

Ze wist niet wat er nog zou gebeuren wat zij en Annelies nu waren. Geen schoonmoeder en schoondochter meer, geen vrienden. Maar iets, gedragen door een gedeelde liefde en herinnering. Anders, maar niet onverschillig.

In haar tas het briefje. Ze zou het vanavond lezen, rustig thuis.

Ze stapte de metro in. Even later appte ze Annelies: “Goed aangekomen. Dank voor het ontbijt.”

Tegen halfelf, toen ze haar jas uittrok op kantoor, kreeg ze antwoord:

“Geen dank. Jam staat in de kast.”

Margje glimlachte, legde haar mobiel weg.

Buiten lachte iemand in het kantoor. De lucht was witgrijs.

Misschien werd het helder vanavond. Misschien ook niet. Oktober verrast altijd.

Ze liep naar haar vergadering.

Vrijdagavond, drie dagen later, belde Annelies tijdens het koken. De derde keer pas nam Margje op.

Ik ga naar Petra, zaterdag.

Goed, Annelies.

Voor tien dagen.

Fijn.

Even stil.

Vind je het erg dat ik bel?

Nee, ik ben blij.

Mooi. Nog een korte stilte. Margje?

Ja?

Op de boekenplank van de logeerkamer. Neem dat boek van Rob mee, de volgende keer dat je komt. Het is zijn boek, moet bij jou zijn.

Margje stond bij het fornuis, lepel in haar hand. Het eten kookte zacht.

Goed, zei ze. Ik neem het zeker mee.

Oké, zei Annelies. Ik ga inpakken.

Goede reis.

Dankjewel.

Een pauze, van mensen die stilte niet hoeven opvullen.

Tot ziens, Margje.

Tot ziens.

Margje keek naar buiten. De fonkelende lantaarns in het donker.

Ergens in Groningen was Petra, ergens in de kast stond mirabellenjam, ergens op de plank een boek met “lees langzaam” en “hou van je” in het handschrift van Rob.

Dat bleef. Niet de akten, geen vierkante meters. Maar dit: jam, een brief, een zin precies op het verkeerde moment, maar daarom exact raak.

Margje pakte haar lepel weer en roerde de soep.

Please rate
Bagattia News
Ik geef zijn woning niet uit handen