“Ik ga naar een jonge meid toe,” kondigde opa, 65 jaar, aan terwijl hij zijn koffer inpakte. Een uur later kwam hij in tranen terug.
Ik ga naar een jonge meid! zei opa Gerard, 65, terwijl hij probeerde een geruite plaid in zijn koffer te frommelen. Dat dekentje weigerde duidelijk om te verhuizen.
Gerard de Vries zei het alsof hij een ruimtereis naar Mars aankondigde of een nieuw werelddeel had ontdekt. Met veel bombarie, in de hoop dat het effect had van een ontploffende vuurpijl.
Maar er viel niks te ontploffen. Geen geknal, zelfs niet een zuchtje wind.
Zijn vrouw, Anne-Marie van den Bosch, stond bij de strijkplank en streek rustig zijn nette overhemd. De stoom siste, het enige wat nog een beetje sensatie bracht in het huis.
Ik hoor je wel, Gerard, antwoordde ze kalm, zonder op te kijken. Heb je warme onderbroeken mee? ‘t Is november, die jonge meid van jou gaat jouw nieren echt niet warm houden, hoor.
Gerard bleef stokstijf staan, zijn hand met een sok bevroren in de lucht. Hij had van alles verwacht: gegooid servies, een dramatische scène, tranen, misschien zelfs dreigementen om de kinderen te bellen.
Maar geen praktische vraag over zijn ondergoed.
Wat heeft dat daar nou mee te maken, Anne?! riep hij met vuurrood hoofd. Ik heb het over liefde, een nieuw leven, over een renaissance!
Eindelijk kreeg hij het dekentje erin. Hij ging er met zijn hele gewicht op zitten en trok de rits dicht. De koffer piepte zielig, net als zijn eigen gewrichten, maar hij ging dicht.
Jij weer met je aardse gedoe! Zo saai ben je! hij haalde diep adem. Daar bij haar is het passie! Daar is energie!
Heeft die energie eigenlijk een naam of heet ze gewoon Schatje in je telefoon? Anne-Marie hing zijn overhemd netjes op een hanger en reikte het hem aan.
Ze heet Saskia! Gerard rechtte zijn rug, trots op de naam. En ze is niet zomaar een vrouw. Ze is mijn muze!
Anne-Marie snoof even. Ze wist heus wel dat de enige poëzie die Gerard waardeerde, de toasts waren op buurtfeestjes.
Saskia dus. Mooi. En hoe jong is jouw muze dan wel niet?
Achtentwintig! riep Gerard, uitdagend.
Anne-Marie legde de strijkbout neer en keek haar man lang en onderzoekend aan, alsof ze een oud dressoir bekeek dat ineens een poot kwijt was.
Gerard, zei ze zacht maar resoluut, je bent vijfenzestig. Je hebt rugpijn van alleen al de krant lezen op het toilet, én een leverdieet.
Ze zuchtte.
Wat ga jij nou doen met een meid van achtentwintig? Gedichten voordragen?
Dat gaat jou niks aan! snauwde hij, terwijl hij de handgreep van de koffer pakte. We gaan reizen, wandelen in het maanlicht, genieten van het leven! Ik ben echt nog niet afgeschreven!
Hij probeerde de koffer op te tillen maar die was zwaar als lood. Zijn rug protesteerde, maar Gerard de Vries grijnsde pijnlijk dapper.
Hij wilde geen zwakte tonen. Zeker niet tegenover zijn bijna-ex.
Vergeet je bloeddrukpillen niet, Casanova, riep Anne-Marie achter hem aan. Die liggen bovenin het dressoir. En je zalf voor je gewrichten.
Ik heb geen pillen nodig! blufte hij, terwijl zn hart in zn keel klopte. Zij geeft me vleugels, ik voel me dertig! Genoeg nu, Anne. Vaarwel. Het huis laat ik jou. Zo grootmoedig ben ik.
Bedankt, kostwinner, knikte ze. Leg de sleutels maar op tafel. En neem gelijk het afval mee naar beneden, als je toch gaat.
Dat was de nekslag. Geen drama, geen gehuil. Gewoon: “Neem het afval even mee.”
Hij greep het vuilniszakje bij de deur mee, kin omhoog, en stapte de galerij op. De deur klikte zacht achter hem dicht.
Gerard stond in het trappenhuis, waar het rook naar kattenbak en gebakken aardappelen van de buren. Z’n koffer trok aan zijn arm, zijn rug protesteerde en zijn telefoon trilde in zijn jaszak.
Saskia natuurlijk. Ze wachtte op haar ridder.
Hij wachtte op de lift en pakte zn mobiel, hartslag hoger dan verantwoord. Een appje: “Lieverd, ben je er bijna? Ik heb een tafeltje gereserveerd. Maar eh”
Gerard las: “Kun je vijfduizend euro overmaken naar mama? Ze heeft haar medicijnen dringend nodig, maar ik heb limiet bereikt. Betaal je zo terug!”
Hij fronste. Vijfduizend euro. Gisteren waren het er drieduizend voor een taxi. Eergisteren tweeduizend voor internet. En vorige week had hij tienduizend overgemaakt voor een inspiratie-cursus.
De lift kwam. Gerard hijste zijn koffer erin, drukte op beneden. In de spiegel zag hij een oudere heer met een rode kop en verdwaasde blik.
“Ik ga naar een jonge meid,” herhaalde hij in zijn hoofd. Maar het klonk opeens helemaal niet heldhaftig.
Het was guur buiten: motregen, wind, de laatste bladeren dwarrelden op straat. Gerard sjouwde met zijn koffer naar de bushalte, want Saskia woonde helemaal aan de andere kant van het stad, in een moderne flat.
Hij plofte neer op het natte bankje. Zijn vingers waren koud en stijf toen hij inlogde bij de bank.
Saldo: 4800 euro. Pensioen kwam pas volgende week weer.
“Verdorie,” mompelde hij.
Hij typte: “Sas, lieverd, ik heb nu niet zoveel op de rekening. Ik neem wel contant mee van huis.”
Binnen een seconde kreeg hij een oogrollende emoji terug. Toen: “Gerardje, doe niet kinderachtig. Leen het desnoods! Mama is ziek! Als je van me houdt, regel het!”
“Gerardje”. Niet Gerard. Niet schat. Zoals de buurtkat.
Er kroop iets ongemakkelijks in zijn borst. Geen liefde, maar plakkerig wantrouwen.
Plots drong het tot hem door: hij had Saskia nog nooit gebeld met beeld. Altijd kapotte camera of slecht wifi, maar de profielfotos waren wel glamoureus.
Hij probeerde te bellen lange toon, toen werd de telefoon weggedrukt.
“Ik kan niet praten, ik huil!” stond er in het appje.
Daar zat Gerard, clutchend aan zijn koffer. Autos spatten modderspetters op zijn broek.
Het was steenkoud, zijn rug deed zeer. Hij probeerde Saskia hardop te zeggen. Haar naam klonk nep.
Weer een trilling: “En? Heb je al overgemaakt? Anders kom je maar niet. Ik hoef geen man die zoiets simpels niet kan oplossen!”
Gerard staarde naar het scherm.
Hij dacht aan Anne-Marie. Hoe ze gisteren zijn rug had ingesmeerd zonder woorden, hoe ze stomme gestoomde gehaktballen voor hem maakte waar hij niet eens van hield, maar die hij at voor zijn lever.
Hoe zij altijd wist waar zn sokken lagen.
“Ik hoef geen man”
Hij zag zichzelf al in het huis van Saskia. Een onbekende bank, vreemde luchtverfrisser, andermans gewoontes. Altijd presteren, altijd jong zijn.
En altijd, altijd betalen voor het recht om erbij te horen.
En als hij dan rugpijn kreeg daar? Zou Saskia dan ook zn zalf pakken, of gewoon ieuw roepen en de kamer uit gaan?
Gerard stond op, zijn knieën kraakten. De bus naar de flat van Saskia kwam eraan, maar hij bleef zitten.
De bus reed verder, wolk uitlaat over zijn koffer.
Hij stond nog even stil, keek naar het lege fietspad.
Toen draaide hij zich om, sleepte zijn zware koffer terug naar huis.
De terugweg was eindeloos. De lift deed het weer eens niet typisch. Drie verdiepingen klom hij.
Op elke overloop moest hij stoppen om erbij te komen, zwetend als een otter.
Bij de deur van zijn eigen huis hield hij halt, zette de koffer neer en drukte op de bel. Niks. Doodse stilte.
Een vlaag paniek, ijzig en nat. Zou ze echt weg zijn? Slot vervangen?
De sleutels had hij natuurlijk op tafel gelegd! Hij belde nog eens, lang.
Anne! riep hij schor. Anne, doe open!
Een klik, en de deur zwaaide open. Daar stond Anne-Marie, net zo rustig en onverstoorbaar als altijd, in haar ochtendjas.
Gerard stond doorweekt, met een natte pet in zn hand. Tranen liepen over zn wangen.
Echte, bittere tranen om zichzelf, zijn stommiteiten, en ouderdom die blijkbaar niet wijzer maakt.
Ik haperde hij. Ik, Anne Die bus… En die regen… Ik dacht…
De echte waarheid kreeg hij niet uit zijn mond. Dat Saskia gewoon iemand was die geld nodig had, dat was te genánt.
Anne-Marie keek hem aan, toen naar zn koffer, en zuchtte.
Heb je het vuil afgegeven? vroeg ze.
Gerard keek naar zijn hand. Geen vuilniszak. Die had hij op het bankje laten liggen.
Vergeten fluisterde hij.
Anne-Marie schudde haar hoofd en deed een stap opzij.
Kom binnen, Romeo. Je thee wordt koud. En handen wassen, je zit onder de modder.
Hij schuifelde naar de hal, tilde die verdoemde koffer mee. De bekende huisgeur van schone was en medicatie kwam hem meteen tegemoet.
Dat was de beste geur die er bestond.
Gerard trok zijn schoenen uit, liep naar de badkamer. In de spiegel keek een vermoeide, oude man hem aan. IJskoud water hielp de schaamte en de tranen een beetje wegspoelen.
Aan de keukentafel schonk Anne-Marie thee in zn favoriete mok. Op tafel een bord Hollandse gehaktballen.
Anne, zei hij stil. Vergeef me. Oude ezel ben ik. Was gewoon even weg.
Eten, antwoordde ze kort, zonder op te kijken. Het wordt koud.
Echt waar, niks voor mij die Saskia. Wat moet ik met een muze? Zonder jou raak ik niet eens mn zorgpolis.
Die zit in de ordner rechts in de la, zei ze automatisch, terwijl ze tegenover hem ging zitten. Gerard, alsjeblieft, geen toneelstuk meer. Je bent terug, klaar.
Hij kauwde op de flauwe bal en het smaakte beter dan elke steak.
Zij rookt trouwens. En vloekt, loog hij, om zich beter te voelen.
Anne-Marie keek over haar bril. Hartjes fonkelden in haar ogen, maar ze hield zich in.
Wat een ellende, zei ze serieus. En jij als fijnproever kon dat niet aan, hè?
Precies, werd Gerard dapper. Ik zei: Mevrouw, uw taalgebruik past niet bij uw uitstraling! En toen ging ik maar.
Hij gebaarde vaag.
Ach, ik voelde niks. Alles leeg van binnen, Anne. Helemaal niks.
Gelukkig, knikte zij. Beter dat je het nu doorhebt dan bij de notaris.
Ze stond op, haalde een tube zalf uit de kast, en legde die bij hem neer.
Rug weer vast, zeker? Na dat gesleep?
Gerard roder dan zijn theemok.
Een beetje.
Uitkleden. Ik smeer wel.
Hij deed zn overhemd uit, en voelde haar sterke, vertrouwde handen zijn zalf inwrijven. Het brandde, maar dat voelde eigenlijk heerlijk.
Anne, bromde hij naar de tafel.
Wat?
Je wist zeker dat ik terug zou komen, hè?
Natuurlijk.
Waarom?
Ze gaf hem een klop op de schouder.
Omdat je geen sokken, ondergoed of pillen in je koffer had.
Ze glimlachte.
Je had alleen die plaid en mijn oude bontjas erin. Die moest je naar de stomerij brengen.
Gerard bleef verbouwereerd zitten.
Bontjas?
Ja, Gerard. Je bent echt blind zonder bril, hoor. Ik heb je vanochtend nog zien proppen.
Het bleef even stil. Gerard probeerde te bevatten dat hij dus een nieuw leven was begonnen met de plaid en Anne’s bontjas.
En één keer lachte hij. Eerst schuchter, toen hardop. Het lachen sloeg over in hoesten en weer in lachen.
Anne-Marie moest nu ook glimlachen.
Wat ben je toch een oude knar, zei ze zonder venijn. Kom, eet nou maar. Morgen gaan we naar de volkstuin, moet je potten naar de kelder brengen. Heb je meteen wat beweging.
We gaan, Anne. Echt wel, zei Gerard, met natte ogen van het lachen.
Zijn telefoon trilde nog een keer. “Saskia: Waar ben je? Mijn moeder wordt slechter! Maak alsjeblieft tenminste duizend euro over!”
Gerard drukte op Blokkeren. Verwijderde het gesprek. Legde de telefoon met het scherm naar beneden op de tafel.
Anne, zullen we morgen die potten maar vergeten? stelde hij ineens voor, terwijl hij haar aankeek alsof ze jaren jonger was. Barbecueën? Ik marineer het vlees zelf. Zoals jij het graag hebt, met ui.
Anne-Marie trok haar wenkbrauwen op, verrast. Gerard had al in tien jaar geen barbecue aangeraakt.
Barbecue? vroeg ze. En je lever?
Ach, weg ermee, grijnsde hij. Je leeft maar één keer.
Hij pakte haar hand ruw van het huishouden en gaf er onhandig maar oprecht een kus op.
Bedankt dat je opendeed, Anne.
Ze trok haar hand terug, maar niet onvriendelijk.
Eet nu maar, Casanova. Het wordt echt koud.
Buiten werd het weer guurder, maar in de keuken was het warm en licht. Zijn nette overhemd hing over de stoel, het rook naar zalf en sterke thee.
En dat was de mooiste geur denkbaar.
Gerard keek naar zijn vrouw en dacht: Achtentwintig jaar is leuk.
Maar wie anders weet dat je per ongeluk haar bontjas inpakt en toch mag je naar huis komen?
Anne, riep hij.
Wat nu weer?
Die bontjas, zal ik die morgen wél naar de stomerij brengen?
Goed, knikte ze. Maar pak eerst je koffer uit. En dat dekentje eruit, mn voeten zijn koud.
Gerard knikte, nam een grote hap van zijn gehaktbal.
Het leven ging door, en eigenlijk ja, écht was het zo gek nog niet.






