‘Ik ga naar mijn jonge liefje toe’, kondigde opa van 65 aan terwijl hij zijn koffer pakte – een uur later kwam hij in tranen terug.

Ik ga naar een jonge meid, verkondigde opa van vijfenzestig, terwijl hij zijn koffer inpakte. Een uur later kwam hij in tranen terug.

Ik ga naar een jonge meid! riep Harmen van Dijk, vijfenzestig jaar oud, terwijl hij probeerde een ruitjesplaid in zijn oude koffer te proppen. De plaid worstelde zichtbaar tegen de reis.

Alsof hij de eerste Nederlander op de maan zou worden of een vergeten polder zou openleggen, sprak Harmen zijn zin uit: luid, dramatisch, hopend op een klap alsof de dijkbreuk nabij was.

Maar het bleef stil. Geen storm op zee, geen donderwolk in zicht.

Zijn vrouw, Tineke van Dijk-de Groot, stond bij de strijkplank en streek rustig Harms zondagse overhemd glad. Stoom siste uit het strijkijzer, vulde de kamer, op een manier die vertrouwd was als boerenkool met rookworst op een winterdag.

Ik hoor je wel, Harm, zei ze zonder op te kijken. Heb je je wollen ondergoed erin gestopt? Het is november, en dat jonge ding van je zal heus je nieren niet verwarmen.

Harmen verstijfde, zijn hand met de opgerolde sokken bleef in de lucht hangen. Hij had met alles gerekend: brekend servies, een beroerte, smekend smeekbeden of dreigend de kinderen bellen.

Hij had dit nuchtere, oer-Hollandse antwoord niet verwacht.

Waar slaat dat nou op, Tineke?! brieste hij felrood aangelopen. Ik ga over liefde! Over een nieuw leven! Over renaissance!

Eindelijk kreeg hij de plaid erin, ging bovenop de koffer zitten en rukte met zijn laatste krachten de rits dicht. De koffer piepte klaaglijk als een oude schuurdeur, maar bleef dicht.

En jij houdt het bij ondergoed! Daar ben je altijd zo praktisch in. Nooit eens vlinders in je buik! hijgde hij. Maar dáár wacht het: avontuur! Energie!

En hoe heet die energie dan? vroeg Tineke terwijl ze het overhemd aan Harms aanreikte. Of staat ze gewoon als Moppie in je telefoon?

Ze heet Femke! riep Harmen, trots rechtopstaand. Ze is niet zomaar een vrouw, ze is een muze.

Tineke snoof. De enige poëzie die Harmen ooit waardeerde, waren opgeschroefde verjaardagswensen op bruiloften.

Femke dus, heel fraai. Hoe oud is je muze?

Achtentwintig! floepte Harmen eruit, zijn blik uitdagend op zijn vrouw gericht.

Tineke legde het strijkijzer neer, keek Hem strak aan zoals je naar een oude, versleten Friese kast kijkt waarvan ineens het deurtje scheefhangt.

Harm, je bent vijfenzestig. Je krijgt spit van te lang op de wc, je mag geen koffie om je lever, en je moet aan je cholesterol denken.

Ze zuchtte diep.

Wat moet je doen met een meid van achtentwintig? Ga je haar gedichten voorlezen?

Dat gaat jou niks aan! snauwde hij, terwijl hij de koffer oppakte. We gaan reizen! Flaneren langs de grachten, varen bij maanlicht! Genieten van het leven! Ik ben nog lang niet afgeschreven!

Hij probeerde de koffer op te tillen, maar het ding viel zwaar tegen. Een pijnscheut in zijn rug, maar Harmen hield zijn gezicht in de plooi. Zwakte tonen voor je bijna-ex, nooit.

Je vergeet je bloeddrukpillen niet hè, Don Juan? zei Tineke nuchter terwijl ze een kussensloop streek. Liggen in het bovenste la van de commode. En vergeet de gewrichtszalf niet.

Die heb ik niet nodig! loog hij, hart bonkend tot in zijn keel. Bij Femke voel ik me dertig! Ik laat jou het huis. Zo aardig ben ik.

Dank je, broodwinner, knikte Tineke. Laat de sleutel maar op de tafel, en neem meteen het vuilnis mee.

Dat sneed. Geen drama, geen gewrongen handen. Gewoon: neem het vuilnis mee.

Harmen greep de vuilniszak, hief zijn kin en stapte op de galerij. De deur viel zonder klap achter hem dicht.

In het trappenhuis rook het naar kattenbakgruis en gebakken aardappelen van de buurman. De koffer trok aan zijn schouder, de rug zeurde, de telefoon trilde in zijn zak.

Dat moest Femke zijn, wachtend op haar held.

In de lift, trillend hart, opende hij zijn telefoon. Bericht: Ben je er bijna? Ik heb een tafeltje gereserveerd. Maar kleine complicatie

Harmen las aandachtig: Kan je me vijfduizend euro lenen voor mijn moeder? Ze is ziek, heeft medicijnen nodig, maar mijn limiet is bereikt. Ik geef het terug als we elkaar zien!

Vijfduizend euro. Apart. Gisteren waren het driehonderd euro voor een taxi. Eerder tweehonderd euro voor haar internet. Vorige week nog duizend voor een creatieve cursus.

De lift stopte. Harmen bekeek zichzelf in de spiegel: een statige oude man, ingevallen wangen, droevige blik.

Ik ga naar een jonge meid, dacht hij, maar de gedachte had zijn glans verloren.

Buiten sneed de kou, terwijl regen als paling in je hand, niet te vangen viel. Harmen strompelde naar het busstation, want Femke woonde in een Vinexwijk aan de rand van Amsterdam.

Hij plofte op een natte bank. Trillende, koude vingers. In de bankapp zag hij zijn saldo: 480 euro. Pensioen pas over een week.

Verdorie, mompelde hij.

Hij typte: Fem, schat, ik heb weinig op de rekening. Ik neem cash mee, ligt nog een envelop thuis.

Binnen een seconde kwam haar antwoord: rollende ogen emoji. Toen: Harmpje, doe niet zo kinderachtig! Leen toch ergens! Moeder is ziek! Als je van me houdt, regel je het!

Harmpje. Als een dorpskat. Onbehagen broeide in zijn maag.

Hij bedacht ineens dat hij Femke nog nooit echt gesproken had, altijd camera stuk of wifi slecht. Maar haar profielfoto een topmodel.

Hij besloot haar te bellen. Toetsen, wachten, klik, weggedrukt.

Een bericht: Ik kan nu niet praten, zit te janken!

Met zijn koffer klemvast omhelst, noten van modderig nat, wachtte Harmen. Autos spatten langs hem, water klotste tegen zijn broekspijpen.

De kou kroop in zijn botten, ondanks zijn zondagse overhemd en dunne jas. Zijn rug deed vreselijk pijn.

Femke, fluisterde hij, het woord smaakte nep.

De telefoon zoemde weer: Nou? Heb je het geld gestuurd? Zo niet kom dan niet! Ik hoef geen man die niks voor me kan regelen!

De letters zwommen voor zijn ogen.

Hij dacht aan Tineke. Hoe ze gisteren zwijgend zijn rug insmeerde toen hij zich verbezeerde. Hoe ze gestoomde hutspot maakte, waar hij een hekel aan had, maar toch at omdat ze met zorg was bereid.

Hoe zij altijd wist waar zijn sokken lagen en hij niet zonder haar kon.

Ik hoef geen man

Hij zag zichzelf zitten in Femkes appartement: vreemd bankstel, onbekende lucht, vreemde regels. Constant moeten bewijzen dat hij nog meekan.

Betalen, betalen, betalen. Voor het recht om naast jeugdigheid te mogen zitten.

En ineens zag hij zich voor zich met spit daar, bij Femke. Zou zij zalf smeren? Of zei ze jasses en vluchtte ze naar een andere kamer?

Harmen rees op, knieën krakend als oude iepen bij storm. Hij keek naar de aanrollende bus richting Vinexwijk, maar bleef staan.

Het vehikel reed verder, een golf dieselwalm achterlatend.

Hij bleef nog even turen naar de lege straat, draaide zich toen om, tilde de loodzware koffer omhoog en liep terug. Richting thuis.

De terugreis leek eindeloos. De lift deed het niet typisch. Dus sjouwde hij de koffer drie trappen op.

Bij iedere etage stopte hij hijgend, veegde het zweet van zijn voorhoofd. Zijn hart hamerde, niet van romantiek, maar van ouderdom.

Bij zijn voordeur zette hij de koffer neer en drukte op de bel. Geen reactie.

Paniekgolf koud, ijzig. Was ze vertrokken? Beledigd? Had ze het slot vervangen?

Natuurlijk, de sleutels had hij stom genoeg op het dressoir laten liggen! Hij drukte nogmaals, lang en dringend.

Tineke! riep hij schor. Tineke, doe open!

De deur ging open, en er stond Tineke, in haar huisjas, ogenschijnlijk onverstoorbaar.

Harmen stond daar, nat, vies, pet druipend van de regen. Tranen over zijn wangen.

Echte tranen van teleurstelling in zichzelf, zijn dwaasheid, en het ouder worden dat geen wijsheid bracht, maar koortsige verwarring.

Ik begon hij, stem brak. Ik, Tineke De bus, en de regen, en ik dacht

Hij kon de waarheid niet uitspreken. Niet zeggen dat Femke leeg bleek, alleen geld wilde. Te genant.

Tineke keek naar hem, naar de koffer, en zuchtte.

Vuilnis weggebracht? vroeg ze.

Harmen keek ontredderd naar zijn vrije hand. Zak vergeten op het bankje.

Vergeten fluisterde hij, hoofd gebogen.

Tineke schudde haar hoofd en deed een stap opzij.

Kom binnen, Romeo. Je thee wordt koud. Was eerst je handen, je bent zo smerig als een dakloze Amsterdamse meeuw.

Hij stapte binnen, koffer achterna slepend. De geur van fris wasgoed en een vleugje mentholzalf stak pittig in zijn neus.

Het was de beste geur ter wereld.

Uitgekleed, ging hij naar de badkamer. In de spiegel zag hij een oude, vermoeide man. Ijskoud water spoelde de sporen van tranen weg.

In de keuken schonk Tineke thee in zijn lievelingsbeker. Op tafel een bord met gestoomde gehaktballen.

Tine, fluisterde hij, plaatsnemend. Sorry. Laat je niet gek maken door me. Ik ben de weg even kwijt.

Eet maar, zei ze, zonder zich om te draaien. Koelt anders af.

Nee, serieus. Die Femke… Die muze. Ik kan niet zonder jou. Ik weet niet eens waar mn zorgpas is.

Ligt in de blauwe map, bovenste lade, antwoordde ze automatisch, schuin tegenover hem zittend. Harmen, ik smeek je, begin dat theater niet weer. Je bent terug. Punt.

De gehaktbal smaakte beter dan chique biefstuk.

En zij… Femke… durfde hij plots te liegen, om zichzelf te redden. Blijkt te roken! En ze praat als een viswijf.

Tineke keek over haar bril naar hem. Twinkelingen in haar ogen, verstopt achter nuchtere berusting.

Wat vreselijk, zei ze bloedserieus. Jij als gentleman, dat trek je natuurlijk niet.

Precies! beaamde Harmen. Ik zei: Mevrouw, uw taalgebruik strookt niet met uw knappe verschijning! En toen…

Hij wuifde het weg:

Uiteindelijk leeg vanbinnen, Tine. Complete leegte.

Gelukkig goed dat je dat ontdekte op het busstation en niet in stadhuis.

Ze stond op, pakte een tube zalf en legde die voor hem neer.

Je rug zal vast weer pijn doen van het sjouwen?

Harmen kleurde.

Een beetje.

Uitkleden. Kom, ik smeer je rug in.

Hij deed mopperend zijn overhemd uit, voelde al snel haar sterke, zorgzame handen. Het brandde, maar het was goede pijn.

Tine… bromde hij.

Wat?

Je wist dat ik zou terugkomen?

Natuurlijk.

Hoezo?

Ze klopte hem op zijn gezonde schouder.

Because je koffer zat vol met alleen een plaid en mijn oude bontjas. Geen ondergoed, geen sokken, geen medicijnen.

Ze glimlachte vaag.

En die oude jas vroeg ik je vanmorgen al naar de stomerij te brengen. Dacht je dat ik het niet zag? Je bent halfblind zonder bril.

Er viel een stilte, zwaar als stilte in het riet na de regen.

Harmen besefte nu: hij had een nieuw leven willen starten met haar jas en een plaid.

Opeens begon hij te lachen. Eerst zacht, toen harder. Zijn lach sloeg over in hoesten, en weer lachen.

Tineke keek toe, haar mondhoeken trilden van ingehouden vrolijkheid.

Wat ben je toch een oude boef, zei ze zonder venijn. Eet nu maar op. Morgen gaan we naar de volkstuin. In de kelder moeten we nog potten inmaken. Genoeg sport, en frisse lucht daar.

We gaan, Tineke. Zeker weten, knikte Harmen, tranen wegvegend van het lachen.

Zijn telefoon trilde weer. Femke: Waar blijf je?? Moeder gaat dood!! Maak dan in elk geval duizend euro over!!

Harmen drukte kordaat op Blokkeren. Verwijderde het gesprek. Legde zijn telefoon, scherm naar beneden, op tafel.

Tine, zullen we die potten laten? Misschien eens barbecueën? Ik marineer het vlees. Zoals jij het lekker vindt, met ui.

Tineke trok haar wenkbrauwen op. Nieuwigheid; Harmen had tien jaar de bbq niet aangeraakt.

Barbecue? vroeg ze. En je lever?

Laten we die lever lekker vergeten, grijnsde hij. Je leeft maar één keer.

Hij pakte haar hand, ruw van het huishouden, en kuste haar onhandig maar oprecht.

Dankje dat je opendeed, Tine.

Ze trok haar hand weg, niet hard, maar wat verlegen.

Eet maar, Don Juan. Anders is het koud.

Buiten beukte de regen harder, de wind tikte op het raam. Binnen was het warm en licht. Op de stoel lag zijn zondagse overhemd. Het rook naar zalf en thee.

En die geur was beter dan elke parfum.

Harmen keek naar Tineke, besefte: achtentwintig jaar is aantrekkelijk, maar wie anders weet dat hij per ongeluk een jas in een koffer stopt en hem toch weer binnenlaat?

Tine, zei hij.

Nu weer wat?

En die jas moet ik echt naar de stomerij brengen. Morgen regel ik het.

Doe maar. Maar haal wel de koffer leeg. En dat plaid; mijn voeten zijn koud.

Harmen knikte en nam een grote hap van zijn gehaktbal.

Het leven ging door en het was, verhip, lang niet slecht.

Please rate
Bagattia News
‘Ik ga naar mijn jonge liefje toe’, kondigde opa van 65 aan terwijl hij zijn koffer pakte – een uur later kwam hij in tranen terug.