Hij raakte betrokken bij een auto-ongeluk dat zijn beide benen zwaar verminkte. En toen was het voorbij
Een veelbelovende carrière, waar de functie van algemeen directeur en een riant salaris bij een Amsterdams bedrijf zo goed als zeker was. Een weekendje weg naar de Alpen met zijn vrouw Mies. Een glaasje op het terras met vrienden in Utrecht op zondag. Alles weg.
Zijn benen werden in het ziekenhuis stuk voor stuk weer in elkaar gezet en daarna stuurde men hem naar huis. Wat konden ze anders doen? Alleen nog hopen op God en een beetje geluk. Hij hoopte, maar ‘s nachts schreeuwde hij van de pijn. En alleen de prikken in de ochtend en avond gaven hem een kortstondige sluimer.
Maandenlang kon hij niet uit bed komen, gebruikmakend van een po. Alle lof voor zijn vrouw dat ze hem bleef verzorgen. Toen hij eindelijk een poging deed met een rollator, kwamen de pijnen in alle hevigheid terug.
Weet u wat injecties in de buik doen, om de trombose en doorligplekken te voorkomen wanneer je alleen nog maar kan liggen? Dat is, dames en heren, leven tussen hoop en vrees. Je kunt niet eens fatsoenlijk niezen, hoesten of naar het toilet als vroeger. Daarvoor heb je stalen zenuwen nodig.
Maar welke zenuwen? Ze zijn op. De kracht om te verdragen is op.
Toch ging de tijd voorbij, en leerde hij weer lopen. Wankel, met een struikel bij elke stap. Maar vooruitgang was het.
Vrienden verdwenen. Niemand belde, niemand vroeg iets. Op het werk kreeg een ander de functie van algemeen directeur. Hoe lang dit zou duren en waar het toe zou leiden, wist niemand.
Zijn humeur stortte in als een huis van kaarten. Vooruitzichten? Invalide. Godzijdank was Mies gebleven
Toen hij met krukken, begeleid door zijn vrouw, voor het eerst naar buiten liep, sloeg het zonlicht pijnlijk in zijn ogen. Hij snakte naar adem en begon te huilen. Een man die niemand meer nodig had, op krukken. Dat was wat er over was van hem en zijn leven.
Mies deed een stap opzij om hem wat ruimte te geven. Hij zette wankelend een paar stappen op de krukken, de zon deed pijn aan zijn ogen en hij moest wennen aan het briesje in de lente.
Plotseling klonk er van beneden een eisend gemiauw. Hij keek naar zijn linkerkant, waar een klein grijs katje zat.
Wat wil je? vroeg hij.
Jarenlang had hij niet omgekeken naar een dier; hij wist niet eens meer hoe ermee om te gaan. De kat keek op, miauwde zacht, smekend om eten.
Wil je even een gehaktballetje halen voor hem? vroeg hij aan Mies.
Toen zij terugkwam, gaf hij het hapje rijkelijk aan het katje. Het beestje keek hem langs de krukken recht aan en begon toen te eten.
De volgende dag, terwijl hij al steunend nadacht over hoeveel stappen hij deze keer zou zetten, zaten er drie katten te wachten. Die drie hadden er duidelijk vertrouwen in.
Nou, jullie zijn me wat, glimlachte hij, en voor even voelde hij minder pijn. Mies zuchtte, maar ze bracht toch drie balletjes. Moeizaam bukte hij zich met pijn, en gaf ieder zijn deel.
De dag erop zaten er vijf katten en twee kleine hondjes. Mies foeterde hardop, maar onder zijn aandringen haalde ze bij het winkeltje om de hoek een kilo knakworst, die hij eerlijk verdeelde onder de staartdragende menigte.
Ze aten en dartelden om hem heen. Streng maar lachend probeerde hij een paar stappen, terwijl de hondjes opgewonden blaften van plezier.
De dag erna regende het licht. Mies dreigde de krukken af te pakken, maar hij stond erop en liep zelf naar beneden, voor het eerst in lange tijd.
Ze wachten op mij, zei hij zacht. Hoe kan ik niet gaan? Het is mijn plicht.
En daar was hij. Met vijf katten en twee hondjes die vrolijk om hem dansten, terwijl het zachte lentezonnetje door de druppels brak. Op zijn krukken probeerde hij de hondjes te volgen, de katten huppelden achter hem aan.
Achter hem, bij de deur, stond Mies met een paraplu. Ze keek naar hem, haar man, die onder de regen lachte, en ze glimlachte zoals hij haar in tijden niet had gezien
De tijd ging verder. Niet lang daarna kon hij met één kruk uit de voeten en even later helemaal zonder. De krukken zaten maar in de weg bij het spelen met zijn nieuwe vrienden. Pas nu bemerkte hij ineens dat zijn benen al weken niet meer pijn deden.
Van zijn werk hoefde hij niet terug te komen, ze hadden een ander gevonden voor de directeursrol. Hij kreeg een flinke ontslagvergoeding in euros en nam zelf ontslag. Nu had hij zeeën van tijd en besloot zijn verhaal op papier te zetten.
Waarom het een toneelstuk werd, wist hij niet. Maar uiteindelijk lag er een flink pak tekst. Daarmee klopte hij bij de diverse theaters van Amsterdam aan.
Overal werd hij afgewezen. Slechts één klein buurttheatertje, half onder straatniveau, was benieuwd genoeg om hem na een week terug te bellen.
We gaan het spelen, zei de regisseur. Maar er moet wat uit, en wat anders, en meer kleur in.
Samen met de regisseur herschreef hij, ze discussieerden heftig, soms met rode hoofden, over ieder woord. Een maand later was de première.
In het knusse zaaltje, met een piepklein podium, zaten slechts vijftien toeschouwers. Maar nog nooit waren er belangrijkere mensen voor hem geweest.
Hij was gespannen. Toen het doek viel op het slotwoord, was het doodstil. Alles in hem brak in die stilte; zijn ziel, zijn hart, zijn hoop. Het leek een eeuwigheid te duren toen barstte plots het applaus los, zo hartstochtelijk dat hij zijn oren niet geloofde. Stralende acteurs bogen en kwamen terug voor een toegift.
De tweede voorstelling werkte louterend. Volle zaal, mensen stonden zelfs op de gang. Het applaus was zo luid, dat het gordijn half losraakte van de spijkers.
Het gezelschap betrok spoedig de grote zaal in het centrum, waar voortaan de theaterliefhebbers samenkwamen, steeds benieuwd naar de volgende productie van deze rijzende ster.
Hij zichzelf een prachtig maatpak cadeau, en bij elke buiging naar het publiek stond Mies steevast aan zijn zijde. Want anders, dames en heren, zou het nooit gelukt zijn.
En vraagt u zich af wat er van die vijf katten en twee hondjes terecht is gekomen? Twee hondjes en twee katten namen ze in huis. De andere drie vonden een warm thuis bij zijn bewonderaars.
Waar het over gaat? Ach, misschien over niets. Of misschien juist over alles. Over hoe je, als je ogen vol hoop aan je voeten ziet, niet kunt blijven liggen. Je moét weer overeind komen.







