Vandaag leek het een gewone drukke dag in de P.C. Hooftstraat. De straat stond vol mensen met nette pakken, prachtige tassen en blikkerende schoenen, haastend tussen de luxueuze boetieks. Voor een populair terras stond een zwarte Audi A8 stationair te draaien, terwijl de eigenaar een goedgeklede, luid pratende man naast het portier verhit aan het bellen was. Niemand keek om zich heen, tot opeens alles veranderde.
Plotseling kwam er een jongetje van een jaar of vijf aangehold. Zijn kleren zaten vol vlekken, en in zijn kleine handen hield hij een enorme emmer. Voordat iemand kon ingrijpen, kieperde hij de emmer, gevuld met een vieze bruine smurrie, over de glanzende lak van de Audi. Spetters modder bedekten de ramen en de deuren. De omstanders hielden hun adem in. Smartphones werden snel tevoorschijn gehaald. De rijke man draaide zich furieus om. WAT DOE JIJ NOU?! brulde hij. Het jongetje bleef stokstijf staan, met de lege emmer nog in zijn hand. Zijn lip trilde, maar hij keek de man recht aan. U heeft op mijn moeder geparkeerd.
Een ijzige stilte viel over de hele straat. Zelfs het geraas van de trams leek ineens stil. De man fronste, compleet van zijn stuk gebracht. Wat zeg je?
Het jongetje wees naar de stoeprand. Cameras draaiden razendsnel zijn kant op. Verse tulpen lagen geplet onder het voorwiel van de auto. Een dameshandtas zat vast geklemd; één riempje was doorgescheurd. De mensen begonnen zachtjes te praten. De man werd plotseling lijkbleek en zette ongemakkelijk een stap achteruit. Ik had het niet gezien begon hij hakkelend.
Ze verkocht bloemen, zei het jongetje met een breekbare stem. Er veranderde iets in het gezicht van de man. Hij zakte door zijn knieën naast het voorwiel en probeerde voorzichtig wat van het vernielde boeket los te trekken. Plots zag hij een kralenarmbandje bijna onder de band. Zijn hand bleef stokstijf hangen. Trillend tilde hij het armbandje omhoog en zijn gezicht trok wit weg. Nee Merel? fluisterde hij.
Het jongetje keek hem aan, nu met tranen in zijn ogen. Kent u mijn moeder? Voordat de man iets terug kon zeggen, schoof langzaam de portier achter hem open. Vanuit de auto kwam een zachte, broze stem: Thijs? Zowel het jongetje als de man draaiden zich tegelijk om. En alle mensen die het tafereel filmden, hielden hun adem in.






