Toevallige ontmoeting
De donsjas van Marije geeft alleen van onderen nog wat warmte. De vulling is ingezakt, en bovenaan is het niet meer dan een dun windjack geworden, door elke windvlaag uitgekleed. Gelukkig redden de gebreide broek en dikke wollen sokken haar benen, en trekt ze de sjaal steeds opnieuw over de schouders, over de mouwen heen, om maar niet te bevriezen.
De auto die Femke, haar vriendin uit de handel, had beloofd, laat het afweten. Dus staan ze nu, omringd door zware boodschappentassen, langs de kant van de weg te liften. Alles zou nauwelijks in één auto passen, daarom splitsten ze op, ieder haar eigen weg.
Toen Marije nog voor een ander werkte, kende ze deze problemen niet. Maar het geld was te krap ze moest in haar eentje twee kinderen onderhouden en daarom is ze onlangs met Femke samen gegaan als handelaarster, op en neer naar Duitsland voor spullen.
Het bracht geen extra geld op wat ze meebracht is nog amper verkocht maar de problemen zijn er alleen maar meer door geworden.
S ochtends moet de handel naar de markt, s avonds alles weer naar huis sjouwen, vier trappen hoog, vaak met meerdere keren heen-en-weer sjouwen, tenzij haar zoon toevallig thuis is.
Heel kort geleden stond ze nog uit volle borst Iedereen wil verandering mee te zingen. Maar nu drongen die veranderingen zich met alle geweld haar leven binnen de gemeentedienst waar ze werkte werd opgeheven, ze werd ontslagen. Haar man was al lang verdwenen, dus kon ze niet anders dan het handelshart oppakken, hoewel ze altijd dacht dat ze daar absoluut niet geschikt voor was.
En dus staat ze nu in het natte sneeuwprut, een nog jonge vrouw, maar met gebarsten lippen, een gezicht roder dan appels van het eindeloze buitenstaan, en tranende ogen van de kou.
Autos razen voorbij en spatten grijs water over haar enkels. Marije wendt haar blik af van het vuil. Ze kijkt liever omhoog, naar de daken, naar de bomen waar de sneeuw nog zuiver wit blijft liggen. In het leven is al genoeg van dat grauwe prut; je hoeft er niet altijd recht naar te kijken.
Ze zwaait wéér in de hoop een auto te laten stoppen, en eindelijk houdt er eentje net zo vies als alles om haar heen.
Gaat u naar de Karel Doormanstraat? Voor een redelijke prijs? vraagt ze door het open raam, en valt ineens stil.
Ze herkent hem meteen. Ondanks alle jaren die voorbijgingen, lijkt hij nauwelijks veranderd. Misschien zelfs een tikje mooier geworden. Diezelfde serieuze, wat geheimzinnige blik, de lichte glimlach om zijn mond.
Terwijl ze zich herpakt, springt hij uit de auto en laadt kalm haar tassen in de kofferbak.
Met een plof zakt ze op de bijrijdersstoel, schikt haar sjaal en zoekt naar excuses is al aan het bedenken hoe ze hem uit moet leggen waarom ze er nu zo beroerd uitziet. Want hij zal haar vast ook herkennen.
Of…
Het zijn zó veel jaren geweest. Hoeveel?
***
Ze was toen tweeëntwintig. Voor haar afstudeerstage was ze naar een oud boswachtershuis in Drenthe gestuurd. In Amsterdam wachtte haar verloofde Koen. Alles liep op rolletjes: stage, scriptie, trouwen.
Wat konden drie maanden stage nu veranderen? Niets, dacht ze.
Ze kwam te wonen bij een oudere vrouw, Hendrika, ook werkzaam bij Staatsbosbeheer, met een stokdove schoonvader. Marije was altijd makkelijk in de omgang, en met Hendrika raakte ze snel bevriend; samen hielden ze de oude man in het gareel.
Op een dag bezweek de oude man bij Marije thuis. Niemand thuis bij de buren. Dan, net op dat moment, rijdt er een tractor de weg op. Ze zwaait. Uit de cab stapt een jongen knap, lang, met een serieuze, wat geheimzinnige blik.
Ze rennen mee, hij tilt de oude man moeiteloos op, samen op de bijrijdersstoel van de tractor. Marije is ongerust: halen ze de dokter op tijd?
Gelukkig wel. Aangekomen, blijken ze net op tijd als de ambulance komt. En die jongen stapt gewoon in bij de ambulance, samen met Marije verder naar het ziekenhuis.
Eerst als de oude man onder medische zorg is, raken ze aan de praat.
Ze werken in dezelfde organisatie, wonen praktisch naast elkaar. Hij heet Daan.
Maar de avond is al laat. De oude man blijft in het ziekenhuis. Maar hoe komen zij terug? De ambulance rijdt niet voor hun comfort de bossen weer in.
Kom. De moeder van een vriend woont vlakbij. Daar slapen we, morgenochtend gaan we met de mannen die kant op.
Ze vertrouwt Daan wel ze voelt dat hij geen verkeerde bedoelingen heeft, maar twijfelt toch.
Nee, dat voelt niet goed. Ik slaap wel in het ziekenhuis. Pak me s ochtends maar op, goed?
Daar op die wachtkamerstoeltjes? Kom nou gewoon. Tanja, die vrouw, is hartstikke aardig. Ruim huis. Ik slaap in het tuinhuis.
Uiteindelijk geeft Marije toe. Het blijkt goed ze slaapt als een roos op een hoge dikke matras, totdat Tanja haar wakker maakt voor het ontbijt. Gulle vrouw.
Terwijl ze eet, vertelt Tanja dat Daan ooit getrouwd was, ergens vandaan gehaald, maar die vrouw was niet te handhaven. Ze is er vandoor gegaan en liet hem met een zoontje achter. Naast zijn werk runt hij een varkensbedrijf, verkoopt vlees, bouwt een nieuw huis. Kortom, Daan wordt bewierookt; waarschijnlijk denkt Tanja dat Marije haar zinnen op hem heeft gezet.
Maar Marije lacht alleen. Nee, zij heeft Koen op het punt van afstuderen, jong en ambitieus. Scheiding en mannen met kinderen, dat trekt haar totaal niet.
Toch komt ze Daan in de weken erna steeds vaker tegen. Bij het houtbedrijf, in de kantine, gewoon op straat. Hendrika kent hem goed. Ook de oude man wordt door hem weer opgehaald uit het ziekenhuis.
Daan vindt je leuk hè, grijnst Hendrika. Hij vroeg al naar je, bloosde als een jongetje. Jullie passen bij elkaar.
Doe niet zo gek. Ik heb Koen.
Maar je bent niet getrouwd. Daan is betrouwbaar. Heeft een hele boerderij opgezet. Dat joch is dol op hem het enige wat hij nog nodig heeft is een moeder voor hem.
En Marije voelt iets kriebelen. Want ze zoekt nu ook altijd naar Daan, kijkt waar hij is, ziet zijn statigheid, zelfvertrouwen, rustige kracht die iedereen respecteert.
Moet je Daan niet even raadplegen? hoort ze vaak.
Daar in Drenthe voelt zij zich anders de toevallig aanwezige dame uit de stad. Lang, slank, haar lichtbruine jas totaal niet passend bij de lokale modder. Ze zweeft er eerder boven dan dat ze erin wegzakt. De mannen worden netjes, poetsen hun taal wanneer ze met haar spreken.
Mevrouw, hoe bent u hier verzeild geraakt?
Marije, wacht, ik geef je een lift.
Van het boswachtershuis is het niet ver naar het dorp, maar het regent, dus loopt Marije mee naar Daans tractor.
En wie past er op je zoontje? Een man met een kind leek haar altijd volwassen, ook al scheelde Daan nauwelijks een paar jaar met haar.
Noem me maar jij, joh. Jonas is bij mn moeder. En Hennie komt vaak helpen. Gaat naar de basisschool, groeit als kool
Hoe heet-ie?
Jonas, een warme blik, zon druktemaker. Buren klagen geregeld, zegt hij en kijkt haar aan. Vind je het hier niet leuk?
Jawel, best wel
Wacht maar tot het voorjaar. Dan komt alles tot leven, bloeit het hier prachtig. Alleen die straatlantaarns daar komen we niet aan toe. Maar ook dat lossen we wel op.
Ze rijden door de donkere dorpsweg. De gemeente heeft de straatverlichting afgeschaft geen geld voor nutsvoorzieningen. En weer voelt Marije dat Daan zijn verantwoordelijkheid voor het hele dorp lijkt te willen nemen.
Had ze beseft dat juist dít de belangrijkste eigenschap van een man is?
Zijn aandacht wordt openlijker. Hij komt regelmatig bij hen aan, steekt bij Hendrika hout, haalt medicijnen voor de oude man. En Marije blijft zich verzetten tegen haar gevoelens.
Ze kan zichzelf niet voorstellen in dit dorp. In de stad houdt niets haar echt, behalve Koen en familie die plannen maakt voor het feest. Ze stelt zich voor hoe teleurgesteld Koen zou zijn als ze straks met een nieuwe liefde opduikt, hoe haar moeder haar zou aankijken.
Zou jij op het platteland willen leven? vraagt haar moeder, wenkbrauwen opgetrokken.
En als ze dan zou zeggen dat haar toekomstige man een gescheiden boer is, varkenshouderij heeft? Dan haar dochter haar hoop, haar afgestudeerde kind
s Avonds, als buiten alleen het blaffen van honden en de wind hoorbaar is, probeert ze zich voor te stellen hoe het zou zijn met Daan. Hij zal lief zijn, zeker weten dankbaar als zij moeder wordt voor zijn jongetje. Hun eigen kinderen zouden vast op hem lijken.
Maar het valt niet te overzien. Koen heeft de ringen al gekocht. Zijn moeder spaart voor hun bruiloft, haar ouders maken plannen. Je kunt mensen toch niet zo verraden?
Toch sluimert er een onbestemd, zoet verlangen in haar hart voorbode van echte liefde, nog op de drempel. Het lentedauw en het verliefd zijn, het benevelt haar verstand.
Nu voelt Marije dat ze Koen nooit werkelijk heeft liefgehad, dat Daan haar eerste, echte liefde is. Dat er thuis een verloofde wacht, maakt het tragisch en tegelijk extra zinderend.
Op een dag, in een ijlmoedig moment en met tranen in haar ogen, zoekt ze bewust toenadering. Waarom? Afscheid van het oude, of afscheid van een nieuwe liefde? Hij aarzelt en houdt haar blik vast, maar doet mee misschien omdat hij het ziet als aftiteling van wat ooit was.
Voor haar is het de eerste keer, maar het is zo teder, dat ze nergens spijt van heeft.
Maar een besluit neemt ze toch niet. Is het domheid, naïviteit of gewoon gebrek aan levenservaring?
Totdat bij de waterput iets beslissends gebeurt. Ze loopt water te halen en ziet een klein, witblond mannetje.
Die klampt zich vast aan de rand en springt gevaarlijk dicht omhoog. Als hij erin kukelt Marije loopt sneller.
Hé, jij daar, niet doen! Dat is gevaarlijk. Waar is je mama?
Ze kijkt om zich heen. Op de weg snelt een jonge vrouw aan, wat flets, net een grutto in de regen. Het jongetje kijkt boos naar Marije, ruk zich los en duikt snikkend in haar rok.
Hij klom erop, ik wilde alleen
Jonas, niet huilen, het is gevaarlijk!
De jonge vrouw kijkt haar verdrietig aan, knikt kort.
Even niet opgelet. Dank u wel.
Ze nemen Jonas aan de hand en lopen de straat op.
Jonas? Zou dat Daan’s zoon zijn? Ineens bekruipt haar vrees een kind dat haar niet kent, zich los wrikt van haar.
Het is Daans moeder Lidy die haar kort daarna opzoekt. Met tranen zegt ze dat Jonas gehecht raakte aan Hennie, die arme burendochter, en dat Hennie van Daan houdt. Dat alles goed ging tot Marije als verleidster kwam.
Marije is verbijsterd zo heeft ze zichzelf nooit gezien. Het was juist Daan die haar bijna losrukte van haar verloofde! Ze voelde zich slachtoffer, maar blijkt de oorzaak van iemand anders verdriet te zijn.
Daan smeekt haar te blijven, niet terug te gaan. Staat met hangende schouders op het perron. Maar Marije voelt zich gekwetst. Ze wil geen stoorzender zijn in andermans leven. Ze hoort hem niet eens meer ze keert op haar schreden terug naar Koen.
Daar blijft hij staan: geruit overhemd, opgerolde mouwen, brede schouders, diepe rimpel op zijn gezicht, doffe blik. Zo onthoudt ze hem jarenlang.
In de trein huilt ze stilletjes om haar keuze.
Zo was haar drie maanden stage.
Maar de jeugd heelt. Ze gaat verder, kijkt niet terug. Trouwt met Koen, raakt verwikkeld in het gewone, stedelijke leven.
**
Nu zit Marije op de bijrijdersstoel, draait aan haar sjaal, zoekt excuses voor hoe ze er nu uitziet. Want hij zal haar vast ook herkennen.
Of… Ze is zoveel veranderd. Aangekomen, gebarsten lippen, die rare oude donsjas, sjaal
Hoeveel jaar eigenlijk?
Zestien. Ja, het is zestien jaar geleden.
Ze reden eerst zwijgend.
Wat een weer, hè, zei ze, na een plensbui van een passerende auto.
Hier in de stad wel ja. Buiten is het beter. En gek genoeg zijn de wegen goed vrijgemaakt.
Woont u daar?
Ik pendel heen en weer. Zaken, zegt hij.
Bedankt dat je wilde rijden, mijn auto laat het afweten vandaag. Normaal rij ik altijd, maar nu Ik betaal je wel hoor
Hij wendt zich tot haar en kijkt haar met die bekende blik gekwetst aan. Ze weet: hij heeft haar herkend.
Hoi, zegt ze zachtjes.
Dag Marije!
Dus je herkende me? Ik dacht dat je me vast allang was vergeten.
Nee, niet vergeten, zegt hij, terwijl hij weer vooruitkijkt.
Er schiet iets door haar heen bij zijn stem, zijn blik, zijn handen aan het stuur. Het wordt haar warm, ze doet haar wollen sjaal af.
Hoe gaat het met je, Daan? fluistert ze.
Hij laat even stilte vallen, als worstelt ook hij met het verleden.
Ik? Op zich prima. We doen wat we kunnen met deze tijden. Jij nu blijkbaar ook.
Werk je nog bij het bosbeheer? probeert ze terloops.
Nee. Dat bestaat allang niet meer. Na de val van de overheid meteen gestopt. Heb voor mezelf iets opgezet.
Dat is nu het beste. Ik Heb je een boerderij? ze herinnert zich schimmig Daans varkens.
En een bedrijf. En ja, we doen productie van vleeswaren.
Iedereen zit tegenwoordig in de handel.
Opeens flitst het door haar hoofd: haar moeder koopt altijd worsten van Vos & Zonen. Toen lachte ze nog, dacht aan toeval.
Wacht. Die leverworst, gehaktballen zijn die van jullie?
Zo kun je het zien. Smaakt het niet? Zijn glimlach is treurig.
Nee juist wel. Mijn moeder haalt ze speciaal! Wat bijzonder Had ik niet verwacht.
Hij praat erover als om zich te verontschuldigen voor zijn succes.
We zijn klein begonnen. Varkenshouderij, teveel vlees. Mensen in het dorp raakten hun werk kwijt. We bouwden langzaam uit. Nu hebben we winkels, een fabriek.
Netjes. Doe je dat alleen?
Wel de eigenaar, maar we zijn met een heel team. Veel mensen uit het dorp zijn meegegaan. We leveren nu in de hele provincie.
Plots bekruipt Marije het gevoel dat hun rollen zijn omgedraaid. Zij met haar oude donsjas en laarzen, ooit een stadse dame, nu marktvrouw. Hij ooit een boerenjongen op de tractor, nu ondernemer. Wie is hier omhoog gegaan?
Hoe is het met je jongen?
Daan lacht.
Ik heb er nu drie.
Drie kinderen?
Ja, drie zonen. En jij?
Een zoon en een dochter, zegt Marije, veegt haar voorhoofd.
Jonas zit in het leger. Is in een missiegebied geweest, we waren bezorgd. Hennie kreeg grijze haren. Maar hij komt dit voorjaar terug. De tweede zit op het mbo, de kleinste nog in groep zeven.
Hennie Dus hij trouwde toch die stille Hennie.
Ze wil nu hardop zeggen hoeveel spijt ze heeft, hoe vaak ze het zich beklaagd heeft, zeker nu ze tegenover hem zit
Koen bleek een zwakke man: aanvankelijk liep het goed, hij vond een baan als ingenieur, woonde samen in een ruime flat ergens in Flevoland. Maar al snel volgden ruzies, onveilig werk, drank. Ze moesten weer bij haar schoonmoeder inwonen. Toen ging Koen ervandoor. Met haar schoonmoeder klikte het niet.
Toen kon Marije niet meer, ze vroeg om een scheiding en verhuisde met haar kinderen naar haar moeder. Haar vader was al overleden; geen houvast meer.
Ze wil het Daan vertellen. Maar zegt in plaats daarvan:
Mijn oudste is nu zestien, de jongste veertien. De tijd vliegt.
Ja, dat doet het
Beiden zwijgen. Beiden willen het diepste van hun hart delen, maar denken dat het alleen voor henzelf belangrijk is.
Er knaagt schuld bij Marije. Maar dan denkt ze terug aan zijn moeder, aan Hennie toch heeft ze hen hun geluk gegund, ook al was het destijds uit trots en teleurstelling.
En jij? vraagt hij loom.
Ik? Zoals je ziet. Ontslag, nu voor mezelf aan het werk, ze veegt een haarlok achter haar oor. Maar alleen is alles moeilijker.
En je man? Koen, toch?
Weet je dat nog?
Ik kwam zelfs op je bruiloft kijken. Als een dwaas ben ik achter jullie stoet aan gereden tot aan het restaurant.
Hoe bedoel je?
Tante Hendrika vertelde het me, een dag ervoor. Accepteer het nou, haar bruiloft is morgen. Ik stapte in de auto. Je zag er zo gelukkig uit. Ik ben niet naar binnen gegaan, ben naar huis gereden en heb Hennie ten huwelijk gevraagd.
Och Als ik dat had geweten er daalt iets zwaars in haar.
Misschien had ik alles verstoord. Je was oprecht gelukkig blij, stralend, gespannen.
Ja, bruiloften Die dag wel, maar daarna Vijf jaar later was het afgelopen. Toen ben ik met de kinderen naar mijn moeder gegaan.
Spijtig, zegt hij.
Ach, ik red mezelf wel. Blijkt dat ik sterker ben dan gedacht. De kinderen worden goed groot. Mijn oudste wil geneeskunde doen. En nou sta ik te venten op klompen, ja. Door die tocht in de markthal. Maar mijn plek is prima, iedereen komt er voorbij.
Ze wil hem laten zien dat ze het helemaal niet zo slecht doet. Ook haar weg is niet mislukt, ook al glanst ze minder dan hij.
Daan zwijgt, een rimpel tussen zijn wenkbrauwen.
En jij? Hennie, alles goed?
Hij lijkt met zijn gedachten elders.
Hennie? Ja, ze bakt brood.
Zelf?
Begonnen als hobby. Nu runt ze een bakkerij De Stoofoven. Kookwinkel en bakkerij. Speciaal voor haar gebouwd. Haar brood werd beroemd.
Nu herinnert Marije zich vaag: een vriendin nam haar eens mee naar die keten, prees het brood. Terwijl ze stonden te wachten, wees ze op de eigenaresse: een kleine, energieke vrouw, kortgeknipt haar, een frisse uitstraling. Overweldigend jong en zelfverzekerd. Nu weet Marije ineens wie het was.
Hier ergens toch?
Ja, volgende straat, zegt Marije.
Maar Daan parkeert, springt eruit.
In een soort droom ziet Marije hoe hij naar een bloemenwinkel loopt en terugkomt met een weelderig boeket chrysanten. Glimlachend zet hij ze op haar schoot.
De grote witte bloemen dansen voor haar ogen. Ze veegt snel een traan weg. Ze had nog net gezegd dat ze een sterke vrouw was, toch?
Dan helpt hij haar met de tassen, brengt ze alle trappen op, langs muren vol graffiti. Bij de deur staat ze onbeholpen met de bloemen in haar armen.
Kom je binnen? Eigenlijk liever niet, want het is een chaos thuis, overal handel in dozen en zakken, haar moeder bovenop haar lippen.
En toch Als hij nou maar ja had gezegd. Dan had hij het gezien, haar begrepen En misschien was er voorzichtig medelijden geweest.
Nee Marije, ik moet gaan. Er is nog veel werk vandaag, hij pakt haar pols even vast, knijpt er zacht in.
En dan is hij weg, de trap af.
Haar naam roepen? Haar hart uitstorten?
Ze kijkt hem na en beseft plotseling het is voor hem net zo zwaar. Hij neemt nu echt afscheid. Ze zullen elkaar nooit meer zien. En deze erkenning brengt haar zomaar wat rust.
Ze sleept de tassen naar binnen.
Haar moeder verschijnt onmiddellijk op de drempel, vol vragen. Marije hoort het amper ze voelt zijn hand nog op haar pols. Ze trekt haar klompen uit, zet ze bij de radiator, doet alles op de automatische piloot.
Haar moeder volgde haar met het laatste nieuws van de familie. Pas als Marije omkleedt en aan tafel zit, vraagt ze:
Weet je nog, die jongen van je stage in Drenthe? Die boer die je toen het hof maakte
Ja? Hoezo?
Je zei dat als ik jou in de modder met varkens zou zien, ik spijt zou krijgen van mijn woorden.
Dat zei je toen ja, mam.
Ik heb hem vandaag gezien.
Echt waar? Waar dan?
Maakt niet uit. Het vlees dat jij zo lekker vindt, van Vos & Zonen, is van hem. En zijn vrouw heeft die bakkerijketen opgezet De Stoofoven.
Haar moeder klapt haar kopje neer. In haar ogen ligt een treurige blik. Even zwijgt ze, dan, alsof ze zichzelf én haar dochter geruststelt:
Tja, als men een leven kon plannen, zouden ze ervoor vechten. Je zou willen dat je het wist, dan kon je het beter maken. Maar zo werkt het niet.
En Marije krijgt ineens medelijden met haar moeder.
Maakt niet uit, mam. Het komt goed. Vandaag heb ik nog twee pakken en drie jassen verkocht. We redden het wel. Kop op!
Inderdaad, zegt haar moeder, maar de schrik blijft haar bij. Ze dwaalt af in haar gedachten.
Niet veel later stapt haar zoon binnen lang, serieus, lichte geheimzinnigheid om zijn blik. Marije ziet ineens weer hoeveel hij op zijn echte vader lijkt.
En hoe geloven families altijd dat een drie kilo wegend kind te vroeg geboren kon zijn? Niemand die twijfelde. Marije was betrouwbaar nooit lichtzinnig.
Haar zoon schuift aan.
Mam. Noem me niet boos, maar ik heb een baan bij de manege. Verzorg de paarden. Ze betalen per klus. Geen zorgen, het belemmert school niet, echt niet, mam
Marije zucht. Gisteren had ze misschien gemopperd. Vandaag
Doen, Daan. Je bent volwassen. Elk werk is waardevol. En je kunt wat extra geld gebruiken. Ik ben trots op je.
De jongen lacht opgelucht, strijkt door zijn haar. Er is iets veranderd in zijn moeder maar wat, dat is lastig te zeggen. Toch voelt het goed.
En Marije kan niet slapen die nacht. Niet van verdriet, niet van spijt. Een vreemde kalmte overvalt haar.
Ze kijkt naar het witte boeket en denkt na: over lot, over deze ontmoeting, over hoe ze voort moeten, ieder op een nieuw pad, los van elkaar.
Toentertijd, bij haar eerste ontmoeting met hem, versplinterde haar leven in twee helften. Nu is dat gevoel er weer.
Er wachten voor beiden nog kansen en onverwachte wendingen. Wie weet wat het leven nog brengt. Ze zullen elkaar niet meer zien, maar altijd in elkaars wereld blijven zweven.
Alles heeft een reden.
En misschien was deze ontmoeting nodig om dat diep, diep te beseffen.






