Een kat wandelt de kerk binnen en nestelt zich bij het altaar dominee begrijpt alles
De ochtenddienst verliep loom en kabbelend. Alles voelde vertrouwd, haast vanzelfsprekend: bekende psalmwoorden, dezelfde gezichten vooral wat oudere vrouwen, een stuk of tien, niet meer. Dominee Hendrik was al drieëntwintig jaar hier en verwachtte allang niet meer dat de kerk op een willekeurige doordeweekse dag ineens vol zou stromen.
Hij was net de laatste zegen aan het uitspreken, toen het zachte gekraak van de zware eikenhouten deur hem deed opkijken.
Zijn blik verstarde.
In een wonderlijke traagheid, op de manier van iemand die zijn eigen huis kent, stapte een kat over het middenpad.
Grijs, langharig, met een witte vlek op haar borst. Staart omhoog als een pluizige vlag. Ze liep zeker van zichzelf, alsof ze precies wist waar ze moest zijn.
De kerkgangers fluisterden de een sloeg een kruisje, de ander snakte naar adem. Maar de kat stoorde zich aan niets, liep voorbij de glas-in-loodramen en de bronsgroene offerbussen en draaide zich op bij het voetstuk van het altaar.
Opgerold als een slingerende tulpenbol, pootjes onder zich gevouwen, snuit op de voorpoten rustend. Alleen haar gele kattenogen bleven open fel en onbewogen, alsof ze door je heen keken.
In Hendriks hart trok alles samen.
Hij herkende haar.
Lieve hemel, hoe kwam zij nou hier terecht?
Zijn handen beefden licht. Hij sloot even zijn ogen, probeerde zich te herpakken, maar meteen verschenen de beelden van Greetje van Dijk op zijn netvlies.
Een stille, oudere vrouw, vriendelijke ogen, altijd een beetje vermoeid. Woonde alleen in een oud portiekwoning aan de rand van de stad. Elke zondag kwam ze naar de kerk traag, steunend op haar wandelstok, maar altijd aanwezig.
En altijd voerde ze de zwerfkatten in haar straat.
Ze zijn toch ook schepselen van God, dominee, zei ze eens toen hij bij haar op ziekenbezoek was, haar een stukje avondmaal bracht. Wie geen genade kent voor de kleinsten, heeft het niet begrepen.
Die kat, die heette Kaatje. Een pluizig grijs beestje, ooit als kittentje van de straat gehaald door Greetje. Kaatje week sindsdien niet van haar zijde. Haar trouwe schaduw, tot in de keuken en op het balkon.
De laatste keer dat Hendrik haar zag, drie weken terug, zat Kaatje op de vensterbank en keek zwijgend naar het gezicht van haar baasje. Alsof ze iets wist wat mensen niet begrepen.
Dominee, had Greetje hem toen nauwelijks hoorbaar toegefluisterd, mocht mij iets overkomen wilt u dan op Kaatje letten? Ze is zo wijs
Hij had alleen maar geknikt, haar hand even vastgehouden.
En nu lag Kaatje voor het altaar zo onmiskenbaar aanwezig.
En alles werd koud in zijn hart.
De zegen klonk alsof het uit andermans mond kwam, en de kerk leek zich met een mist te vullen.
Hij las de laatste gebeden haast op de automatische piloot uit zijn lippen spraken, maar zijn hoofd riep: je moet gaan. Nu.
De vrouwen stonden op, vouwden fluisterend hun sjaals om, lieten hun waxinelichtjes uitgaan. En keerden zich nog even om naar de kat nog altijd bij t altaar, stil als een beeld.
Dominee, die kat wilde een van de dames vragen, maar hij wuifde het af.
Straks. Alles straks.
Zijn toga uit, zwarte colbert aan. Zijn vingers trilden zo dat de knoopjes niet wilden meewerken.
Lieve Heer, dat ik me vergis.
Maar binnenin wist hij het onmiskenbaar zeker.
Kaatje verhief haar kop, keek hem lang en doordringend aan en miauwde zacht.
Eén keer.
Alsof ze zei: snap je het? Mooi zo.
Kom maar mee, fluisterde hij, zijn hand uitnodigend uitgestoken.
De kat rekte zich uit als na een middagdutje, draaide zich om en liep zwijgend de kerk uit. Hij liep haar achterna.
Buiten joeg de aprilwind blaadjes en lege boterhamzakjes over de klinkers. Naar Greetjes flat was het een kwartier lopen.
Hendrik versnelde zijn pas, haastte zich. De kat week niet van zijn zijde haar staart als een vaandel in de wind.
Misschien een klein beetje hoop was hij nog op tijd.
Maar als een kat uit zichzelf een kerk binnenkomt en bij het altaar gaat liggen, dan weet je: het is al gebeurd.
Onderweg dacht hij aan Greetje aan hoe ze bij het raam zat in haar versleten stoel, geruit wollen deken om haar benen. Hoe ze opving als hij binnenkwam. Hoe haar vingers beefden bij het kruisteken, het brood.
Weet u, dominee, had ze drie weken geleden gezegd, ik ben niet bang. Eerlijk niet. Het was een goed leven. Een liefdevolle man, mn dochter groot, kleinkinderen zijn er ook, al zie ik ze zelden. Maar God heeft me nooit verlaten. Echt nooit.
Dat zal Hij ook niet, had hij gezegd.
Ze had zacht gezucht.
Toch is het stil. Kaatje is er, hè. Maar in huis is het zo leeg.
Toen had hij er geen waarde aan gehecht. Hij had geluisterd, getroost, meegeleefd maar niet begrepen dat dit misschien een afscheid was geweest.
Nu stond hij weer voor dezelfde flat grijze bakstenen, het trappenhuis muffig, de lift al jaren buiten gebruik.
Hij liep omhoog, hand aan de reling. Zijn hart bonkte, van haast of van vrees.
Kaatje liep voorop, ging zitten bij de deur die met de afbladderende verf en het oude emaille nummer 17.
Daar wachtte ze.
Zacht klopte hij aan.
Eén. Twee. Drie.
Stilte.
Hij drukte op de bel piepend als een oud fietsje. De galm verdween in het huis.
Geen antwoord.
Mevrouw van Dijk! riep hij. Greetje! Het is dominee Hendrik!
Niets.
Met zijn oor tegen het hout. Misschien hoorde ze hem niet leeftijd, oren niet meer scherp.
Maar in huis heerste een kille, alles innemende stilte.
Hij zakte op zijn hurken en keek naar Kaatje. Zij verroerde zich niet, hield haar ogen op de deur gericht.
Handen trillend, haalde hij zijn mobiel uit zijn jas. Hij belde wijkagent Dirk Jansen die hem vorig jaar ook hielp toen er een dronken zwervende man de kerk was binnengedrongen.
Dirk? Met dominee Hendrik. Ja, uit de kerk. Het is ernstig. Een oudere vrouw opent niet. De deur moet open. Spoed.
De stem van Dirk was kalm:
Adres?
Prinsengracht 212, derde verdieping, huis 17.
Ik kom eraan.
Hendrik legde zijn telefoon neer en liet zich op de koude vloer zakken, rug tegen de muur.
Kaatje kwam, drukte haar kopje tegen zijn jas, spinde zacht en droevig.
Hij aaide haar over de grijze vacht.
Goed gedaan, meisje, fluisterde hij. Slimme kat. Je hebt me gehaald.
Ze nestelde zich tegen hem aan.
En ze bleven samen wachten.
Terwijl hij daar zat, dacht hij aan hoe zelden hij Greetje eigenlijk bezocht had. Hoe makkelijk hij vergat hoe stil haar leven was. Misschien had ze gewacht.
Het spijt me, Greetje. Het spijt me zo.
Na een kwartier kwam Dirk brede kerel, vermoeide ogen. Hij kwam hijgend de trap op en keek verbaasd naar de dominee op de vloer.
Hendrik? Wat is er aan de hand?
Mevrouw van Dijk doet niet open ik vrees dat Zijn stem stokte.
De agent knikte, hij kende dit soort huizen.
Blijf u hier.
Hij bonsde met zijn vuist op de deur: Mevrouw van Dijk! Politie! Doet u open!
Niets.
Hij pakte een koevoet uit zijn tas, zette hem tussen deur en kozijn, zette zijn schouder ertegen en duwde.
Kraken, schuren. Het slot gaf mee.
De deur zwaaide naar binnen.
De geur van muffigheid, medicijnen en een verstild, snijdend soort stilte.
Hendrik kneep zijn ogen dicht, sloeg een kruis, stapte naar binnen.
Alles was bekend. Greetjes oude bruine jas hing nog aan de kapstok, haar pantoffels netjes naast elkaar.
Verderop, achter een gordijn, de kamer.
Dirk duwde de deur open bleef stokstijf staan.
Hendrik tuurde over zijn schouder.
Zijn hart zakte weg.
Greetje zat in haar stoel bij het raam. Onder haar oude deken. Handen gevouwen, hoofd iets achterover.
Alsof ze sliep.
Alleen haar gezicht was strak, wasachtig.
God fluisterde de dominee.
Dirk zuchtte diep, voelde aan haar pols, schudde zijn hoofd:
Al een paar dagen, schat ik. Drie. Misschien vier.
Drie dagen.
Hendrik liet zich zakken op de drempel van de kamer.
Drie dagen had ze hier zo gezeten. Alleen. Geen mens die langskwam. Geen bel, geen brief.
De dochter in een andere stad. Kleinkinderen ook. Buren? Wie let er nog op buren?
Behalve Kaatje.
Die was gebleven. Had bij haar gewaakt. Was niet weggegaan, zelfs niet toen het raam op een kier stond.
En pas daarna, toen alles zeker was, was ze naar de kerk gegaan.
U kende haar goed? vroeg Dirk, zijn mobiel in de hand.
Ja, slikte Hendrik. Ze was trouw lid. Een heel bijzonder mens.
Familie moet ingelicht worden. Waar zijn haar papieren?
In de kast of het bureautje, zijn stem beefde. Ik bel haar dochter zelf wel. Ik heb het nummer.
Dirk knikte.
Ik bel de huisarts wel even.
Hendrik liep naar haar toe, keek naar het dode, maar vredige gezicht van Greetje.
Ze had niet geleden. God had haar zacht geroepen, waarschijnlijk in haar slaap.
Het spijt me, fluisterde hij. Het spijt me dat ik niet eerder kwam.
Zijn hand streelde voorzichtig het grijze haar.
Hij sloeg een kruis boven haar en begon de afscheidsgebeden te fluisteren zacht, schor. Het kwam vanzelf, als een perenbloesemwind over een polder.
In de deuropening zat Kaatje, met grote ogen, stil toe te kijken.
Toen begreep de dominee plots; deze kat had Greetje meer liefgehad dan haar hele familie.
Meer dan een dochter, die eens per maand belde.
Meer dan kleinkinderen, die zelden kwamen.
Kaatje was er tot het allerlaatst bij.
En toen het moest, was zij degene die naar de kerk liep om hulp te halen.
Hendrik zakte door zijn knieën, tilde het dier voorzichtig op.
Kaatje verzette zich niet, kroop tegen hem aan en snorde schor.
Het is goed, fluisterde hij. Ik zorg voor haar. We zullen haar waardig begraven. Vanaf nu blijf jij bij mij, goed?
Hij huilde.
Tranen dropen op de zachte, grijze vacht, terwijl hij besefte dat ware liefde schuilt in daden, niet in woorden.
Drie dagen later was de uitvaart.
De dochter was er bleek, rode ogen, diepzwarte jas. Geen kleinkinderen te ver, te druk met school.
Twintig kerkgangers kwamen vooral die oudere dames. Ze zongen zacht een lied bij het graf, trillend en breekbaar.
Hendrik leidde het afscheid. Keek bij elke regel naar de kist, naar Greetjes kalme gezicht onder haar kanten hoofddoek.
Het spijt me, Greetje. Om de afstand, om de kilte.
Bij het altaar, op de koude plavuizen, lag Kaatje, opgerold als een Mosselse mossel. Was zelf gekomen, s ochtends, toen de kist werd binnengebracht.
De dochter probeerde haar te verjagen, zwaaide met haar tas:
Weg! Hier hoor jij niet!
Maar Hendrik hield haar tegen:
Laat haar maar. Ze neemt afscheid.
De vrouw slikte ieder protest in.
Zelfs op het kerkhof was Kaatje mee. De dominee droeg haar. Na afloop kwam de dochter naar hem toe:
Dank u. Voor alles. Dat u haar vond. Dat u belde.
Niet mij moet u bedanken, zei hij zacht. Het was Kaatje. Zij heeft me geleid.
Lang keek de vrouw naar de kat, met een ondefinieerbare uitdrukking in haar ogen.
Neemt u haar maar mee, zei ze uiteindelijk. Ik heb plaats noch gezondheid voor zon beest.
Ik was het al van plan, antwoordde hij.
Ze liep weg, groette het graf niet eens.
Hendrik bleef staan.
Kijkend naar het natte hoopje aarde, het verse houten kruisje.
Greetje van Dijk. Zachtmoedig. Alleen.
Hoeveel Greten, hoeveel verse eenzame graven? Ver bij familie vandaan, vergeten, genegeerd.
Behalve door katten. En misschien door God.
Hij streelde Kaatje.
Kom maar mee naar huis?
Kaatje snorde zacht.
En zo lag er, sindsdien, op de kerkvensterbank bij het altaar altijd een grijze, pluizige kat.
De kerkgangers brachten haar vis, likten haar tussen de oren, fluisterden:
Wat een schat. Een heilige ziel.
Dominee Hendrik glimlachte alleen zacht.
s Avonds, als de lichten doofden, zat hij in zijn stoel, Kaatje op schoot, haar vacht streelend.
De kat kneep haar ogen tevreden dicht en snorde.
En in haar ogen weerkaatste het zachte, eeuwige licht van het altaarkaarsje.
Stil. Onblusbaar. Eeuwigdurend.







