Een glas melk

Een glas melk

Het is lang niet alleen moeilijk voor mensen die het niet zo breed hebben, maar ook voor degenen die dagelijks met hen te maken krijgen. Dat weet ik inmiddels maar al te goed. Mijn naam is Vera de Graaf en ik werk nu al bijna acht jaar bij de sociale dienst hier in Haarlem. In die tijd ben ik slanker en feller geworden, geleerd om scherp uit de hoek te komen, zeker als iemand weer eens op mijn werk neerkeek. Wie denk je wel niet dat je bent om een oordeel te hebben over mijn werk?! snauw ik dan, terwijl ik onder mijn rossige lok iemand recht aankijk met mijn groene ogen. Dan is de moed meestal snel weg. Ik loop door de stad, duw een boodschappentas op de markt, struikel haast over mijn eigen haast. Wat moet, dat moet. En Chagrijnige Veer, zo noemen sommigen mij stiekem.

Al die jaren haal ik boodschappen voor mijn cliënten, poets waar nodig hun huis, en probeer met iedereen een beetje goed overweg te kunnen. Alleen één keer, jaren terug, liep het uit de hand. Toen kreeg ik van een eenzame oude man een reep chocolade cadeau. Een presentje aannemen mag natuurlijk niet ik heb nog nooit iets aangenomen. Maar die keer, uit pure menselijkheid, maakte ik een uitzondering. Maar die chocoladereep smaakte me niet. Ik bracht hem naar de buurjongen, want het bleef anders in mijn keel hangen. De volgende keer wees ik het presentje wel weer af. Die oude man klaagde direct bij het hoofdkantoor: volgens hem waren we tegenwoordig pas tevreden als we een envelop met euros kregen. Ze wilden me ontslaan, maar ik dacht: Doe maar, ik ben ook maar een mens en geen voetveeg! Gelukkig namen de anderen het voor me op, onder wie Annelies van Dalen. Sindsdien leek het bijna of ze familie was ik heb geen zussen, maar zij werd het haast.

Onze levens zijn best in dezelfde trant getekend veel ongeluk. Allebei vroeg onze ouders kwijt. Annelies is fysiek beperkt sinds haar jeugd, ik mankeer uiterlijk niets, maar innerlijk ben ik behoorlijk gekwetst en bang, ook als ik met haar praat. Toch is het feit dat we allebei geen kinderen hebben, onze grootste gedeelde pijn. Ik heb me er al bij neergelegd, zij blijft strijdlustig en probeert me dan op te peppen als ik wegzak. Vooral nu ze sinds kort eigenlijk best dapper is, sinds ze een paar keer meedeed aan een repetitie in het revalidatiecentrum. Eerst moest ze niets van optreden hebben, bovendien raadde broeder Lucas het af: handwerken was precies goed voor haar, zei hij altijd. En dat deed Annelies met haar niet erg behendige vingers, maar altijd doorzettend. Eerst borduurde ze servetten, vervolgens een linnen jurk vol sierlijke patronen. Dat was zo mooi, dat die jurk zelfs naar de provinciale volkskunsttentoonstelling mocht, en daar won ze, nota bene! De laatste dag werd de jurk zelfs verkocht met haar toestemming. Toen het geld kwam, belde Annelies me huilend op: haar eerste verdiende euros, geen idee wat daarmee te doen.

Maak je niet druk, we verzinnen wel iets, zei ik vrolijk. We kopen nog zon jurk of wat garen. Werk genoeg voor een jaar! En anders denk je weer te veel na over verboden dingen

Annelies reageerde daar niet op toen, de opmerking stak wel. Want ze droomt de laatste tijd serieus van een partner. Nou, dat gun ik haar zo. Wat zou het mooi zijn, getrouwd zijn! Uit films weet Annelies precies hoe het eraan toegaat tussen geliefden, maar zij mag er alleen van dromen.

Na haar jurksucces wees het revalidatiecentrum haar op hun dansstudio. Of ze niet samen met een partner in een duet wilde dansen. Annelies viel haast van haar stoel: Hoe dan?! Dat klinkt zo onwerkelijk! Ze hing op, overtuigd van een slechte grap.

De vrouw van het centrum belde terug en overtuigde haar een poging te wagen. Je bent nu laureaat, dan mag je je talent uitbreiden. We hebben alles geregeld met de sociale dienst, een begeleider komt mee naar de repetitie.

Wie is mijn danspartner?

Net als jij, Annelies, zo hebben we meer duos. Hier is iedereen welkom! Iedereen heeft ergens aanleg voor! dat klonk haast streng.

Laat ik het eens proberen… gaf Annelies toe.

Mooi zo! Ik ben Margot de Wit, de studieleider. Morgenochtend bellen we, tegen de middag komt er een speciaal busje.

En inderdaad, de volgende dag stond een zwijgzame, streng ogende chauffeur voor de deur. Ik had Annelies blonde haar net uit de krulspelden gehaald en zonder muts ging ze dus mee. In het busje zat haar danspartner al, Alexander. Ze raakte voorzichtig zijn hand aan wat een wonder is het, een echte mannenhand te voelen.

Bij het centrum hielpen de chauffeur en ik haar naar binnen over de hellingbaan, naar de dansstudio. Alexander stuurde zich kranig voort in zijn rolstoel.

Bij de eerste repetities bakten ze er weinig van. Ze zweten, bloosden, probeerden te draaien op de muziek. Het was topzwaar werken, hoewel we begonnen met de makkelijkste passen. Het was ook wat ongemakkelijk, zo tussen die slanke choreografe door, altijd elegant, en onder de ogen van Margot, klein maar doortastend. Maar elke week twee keer probeerden ze weer. Ik bleef steeds bij Annelies.

Annelies trainde heel de herfst en winter, haar borduurwerk bleef liggen, ze hinkte op elke kans om te mogen dansen. Het voelde als een droombaan.

Vandaag vertrokken we weer, ik was wat chagrijnig want alles viel me zwaarder. Dat merkte Annelies.

Wat kijk je boos?

Ik kijk niet boos!

Ze probeerde het gesprek te keren. Ach, Veer, we zijn pas in de veertig! Zouden we niet gewoon alsnog een gezin kunnen starten?

Jij altijd met dat idee… Ik ben al eens getrouwd geweest, zeven jaar heeft hij het geprobeerd… Toen ging hij weg, terecht. Mijn straf, omdat ik vroeger als een hondje achter jongens aanliep. Mijn ouders hebben ook nooit kleinkinderen gekend.

Je moet vooruitkijken. Ik had best drie keer willen trouwen, als ik jij was!

Ga je me weer verwijten maken?!

Wil je geen man, dan kan een kind tegenwoordig ook zonder… Kunstmatig, dat doen ze nu bij het ziekenhuis.

Je denkt dat ik zoveel verdien? Dat kost klauwen met geld!

Op tv zeiden ze dat het tegenwoordig gratis wordt. Vanwege gelijke kansen, kun je aanvragen via de zorgverzekering.

We hebben het er een andere keer over. Wat doe je aan vandaag?

Zoals altijd, roze trui en grijze rok!

Doe nou eens dat mooie concertjurk aan, wanneer anders? Je moet eraan wennen.

Op de generale dol ik het wel aan, straks maak ik het vies in de bus.

De dag voor de generale oefenden ze tot laat. Thuis hielp ik Annelies uit haar rolstoel in bad, terwijl ze opgewekt bleef kletsen.

Daarna hulde ik haar in haar badjas en bracht haar naar de keuken, besloot thee te zetten en iets lekkers te pakken. Maar Annelies keek niet eens naar het gebak, en vroeg ineens:

Hoe was het bij jou voor het eerst?

Wat precies?!

Met een man… Ze bloosde.

Weet ik niet meer.

Doe nou niet zo. Je bent lang getrouwd geweest, en nu scharrelt Nicolaas toch met je?

Niet meer. Was eventjes, daarna vond-ie een jongere vrouw. Niks om jaloers op te zijn!

Ik geloof dat Alexander mij leuk vindt, zei Annelies plots. Hij kijkt zo naar me.

Mannen met donker haar vallen altijd op blondines. Stop nou, straks lig je nachten wakker.

Maar… hoe is het?

Dat doet er nu niet toe. Drink je thee op, ga liggen, je ziet erg bleek.

Annelies zweeg, en ik zag dat ze in hetzelfde vaarwater zat als waartegen ik haar altijd waarschuwde. Dus maakte ik snel aanstalten naar huis te gaan. De voordeur op slot doen hè! Zal ik morgen iets meenemen van de supermarkt?

Je weet het zelf wel, zei ze kort.

Slaap goed, morgen is de generale.

Ze antwoordde niet.

Tja, van dansen word je helemaal gek,’ mompelde ik. En ik dacht: Zo raak je echt je hoofd kwijt!

Buiten dacht ik anders: Ze moet iemand vinden! Je zou zweren dat ze niks kunnen, maar kijk hoe jaloers ze deed om Nicolaas. Had ik nooit moeten vertellen.

Annelies had spijt dat ze kortaf was. Wie anders kon ze vertellen wat ze voelde? Kon ik maar gedichten schrijven! dacht ze, terwijl de tranen opkwamen en haar hart samenkneep. Ze probeerde Alexander uit haar hoofd te zetten, maar zijn mooie donkere haar en zijn vriendelijke ogen doken telkens weer op. Ook zijn sterke handen. Eerst was ze bang om samen te dansen, maar met Alexander aan haar zij durfde ze alles. De choreografe prees haar ook steeds vaker: Goed zo! Ze voelde zich elke repetitie beter.

De dans zat nu in haar lijf. Zelfs Alexander, Vera en de elektricien in zijn oranje overall waren vertrouwd geworden.

De gedachte aan morgen maakte haar nerveus: zou de generale lukken? Maar meer nog: wat moest ze na het optreden? Zou ze Alexander ooit buiten de repetities zien? Kon ze ooit met hem afspreken, hem uitnodigen bij haar thuis, zoals normale mensen? Of was geluk straks alleen nog dansen? Daarom wilde ze morgen de sterren van de hemel dansen.

Die ochtend spreidde Annelies haar nieuwste jurk uit op de bank: diep paars, met pailletten. Ze stelde zich voor hoe het haar zou staan… en probeerde fouten in de zoom te zoeken. Niet aan later denken, alleen focussen op de dans, op Alexander, alles perfect willen doen.

Toen Vera binnenkwam was ze wat nors.

Ben je klaar, ster?, zei Vera laconiek.

Best, alleen ben ik nerveus!’

Dat is juist goed, dan ben je geen ijsklontje. Kom, tijd om klaar te maken.

Ze deden het rustig aan. De mopperende chauffeur kwam extra vroeg, omdat Annelies als eerste wou omkleden in de festiviteitzaal en zich rustig aan haar jurk kon wennen.

In de coulissen viel het Annelies op dat iedereen zo bekeek: Alexander in pak, met vlinderstrik en… een vrouw bij hem.

Vlak voor de show kwam Alexander naar haar toe, gaf haar een kus op haar wang en zei zacht: Maak je geen zorgen, het komt goed!

Ze knikte stilletjes, de huid op haar wang gloeide. Toen ze haar ogen opende, stond daar naast haar de vrouw met de wandelstok.

Maak je geen zorgen, het wordt prachtig, fluisterde ze.

Wie bent u? vroeg Annelies met een schrik.

Alexander stelde haar kalm voor: Annelies, dit is mijn vrouw, Sophie.

Annelies zag het ringetje om zijn vinger, dat er nooit was. Alles brak als glas. Ze voelde hoe de lucht haar ontglipte en haar hoofd duizelde.

Toen ze bijkwam was Margot, altijd zorgzaam maar nu scherp, bezorgd naast haar. Wat is er Annelies, wat is er aan de hand?!

Ze moet naar huis, zei ik. Ze is op.

Ze moet naar de dokter! We hebben dit niet voor niks maandenlang geoefend!

Misschien door die woorden kwam Annelies bij, maar ze bleef stil. Ook onderweg naar huis zei ze niets, tot ze bij de voordeur, vlak moesten we haar naar binnen helpen.

Waar is Alexander? vroeg ze zacht.

Hij blijft om te dansen met zijn vaste duetpartner. Johan was altijd al met hem bezig. En jij mag even rusten! Niet treuren, de dominee zei het ook altijd!

Annelies voelde zich gekwetst.

Toen ze eenmaal thuis was, liet de chauffeur haar op bed ploffen, jurk nog aan.

Klaar met dansen? vroeg hij ineens vrolijk.

Helemaal klaar!, zei ik en haastte hem het huis uit. Ik ging bij haar zitten: Wil je nu vertellen wat er aan de hand is?

Annelies snikte: Alexander is getrouwd…

Ik beet op mijn lip, opgelucht dat het maar dat was.

Had je plannen met hem?

Jouw zaak niet, ga maar weg!

Ik bleef zitten, zij herhaalde het: Ga weg en kom nooit meer terug. Ik kan zonder jou! Je bent een heks!

Als ze het kwaad gezegd had, had ik haar geloofd, maar nu piepte haar stem zoals altijd. Toch deed het me pijn, en ik liep naar huis overmand door eenzaamheid. Op weg dacht ik nog: morgen vraag ik overplaatsing aan, of ga ik gewoon bij de kinderopvang werken. Daar werd ik nooit zo genoemd

Thuis had ik geen puf om te koken, schonk alleen een kop thee in en viel op de bank in slaap. Ik was kapot van het rennen en regelen. Net toen ik indommelde, rinkelde de telefoon. Broeder Lucas aan de lijn, en bij zijn stem schrok ik. Het was al donker buiten.

Vera de Graaf, kom snel naar Annelies, ze moet naar het ziekenhuis…

Het angstzweet brak me uit ik was de deur van haar huis open vergeten te doen! Toen ik aankwam, stonden er politie, Lucas, buurvrouwen voor de deur.

Wat is er gebeurd? vroeg ik.

Vergiftiging, het lijkt op een overdosis… Ze belde, zei dat ze zich naar voelde. Toen ik er was, lag ze bewusteloos op de grond, pillen ernaast… Ik heb spoed gebeld.

Een jonge agent vroeg:

Bent u familie?

Maatschappelijk werk, ik bezoek haar…

Zelfmoordpoging, blijkbaar is ze ergens door van streek geraakt. Heeft u een sleutel?

Ja…

Kom binnen, elektrische apparaten uitzetten en de deur afsluiten, ik verzegel de boel.

Het eten bederft dan!

Zet het op het balkon.

Toen ik het eten naar buiten bracht, zag ik haar telefoon. Die mocht ik niet meenemen. Na alles deed ik wat de agent vroeg, gaf Lucas een hand, en ging mee naar het bureau om een verklaring af te leggen.

Liefdesverdriet, zeker?, vroeg de agent na het lezen.

Wat anders, God bewaar ons.

Dan hoeven we niet lang te zoeken. U kunt naar huis.

Ik deed het niet, ik reed met de taxi direct naar het ziekenhuis. Daar hoorde ik van een dienstdoende zuster dat Annelies met een maagspoeling in de intensive care lag ze was wel weer bij kennis.

Mag ik bij haar?

Nee, pas over een paar dagen, en dan alleen via het raam onder het balkon. Hoe bent u familie?

Een vriendin.

Gelukkig maar, we dachten dat ze niemand had.

Mag ik haar rolstoel brengen straks?

Zijn rolstoelen genoeg hier. Hier is ons nummer, bel als ze naar huis mag.

Ik liep terug door de natte Haarlemse avond, en voelde me raar genoeg opgelucht. Alleen thuis voelde het koud en leeg. De telefoon bleef stil. De volgende ochtend belde ik het werk en vroeg Annelies niet aan iemand anders over te dragen.

Maak je geen zorgen, Vera, jij blijft haar vaste contact!, zei mijn leidinggevende geruststellend.

Elke dag belde ik naar het ziekenhuis. Vier dagen later belde een onbekende vrouw: Spreek ik met Vera de Graaf?

Ja, dat ben ik.

Ik bel namens het ziekenhuis Ik ben de zuster van Annelies. Ze vraagt of je wilt langskomen, onder het raam van het therapeutisch gebouw, tweede verdieping, derde raam van links bij de ingang. Om één uur vanmiddag.

Mag ik wat meenemen?

Helemaal niets. Alles is op slot vanwege de griepepidemie. Geen bloemen, geen kaartjes, helemaal niks!

Ik regelde dat ik tussen afspraken door vrij was, rende onder het glasraam door de sneeuw. Daar verscheen Annelies: bleek, afgevallen, maar haar ogen twinkelden. Ze gebaarde naar mij, ik probeerde haar te begrijpen. Toen hield ze een papiertje tegen het raam: SORRY. Ik zwaaide, fronste zogenaamd streng, maar vanbinnen was ik opgelucht en ontroerd dat ze me vergaf en niet meer boos was. Ik gaf haar een zwaai ten afscheid, en liep langzaam weg.

De zon was ondertussen uitbundig gaan schijnen, het hofje blonk, de stad rook naar voorjaar. Ik veegde de tranen uit mijn ogen en dacht aan Annelies en onze vriendschap. Ze is een lastpak soms, een eigenwijze geit! Maar goed, vrienden laten elkaar nooit echt losmaar ik zou haar voor geen goud willen missen, dacht ik. Terwijl ik langzaam de straat uit liep, hoorde ik ergens een vogel zingen. In mijn hoofd vormde zich een helder besluit, alsof het warme licht alles in mij losmaakte: we zouden niet meer wachten op wat ooit was, niet meer verlangen naar dingen die niet bij ons hoorden. We zouden met kleine stappen verder gaan, zoals altijd.

Die avond zette ik een glas melk naast mijn bed, net als vroeger bij mijn moeder. Misschien zou Annelies ook weer lachen, misschien dansen we ooit met ons tweeën in de kamer. Misschien kan geluk klein zijn: een warme zonnestraal door het raam, een hand door glas heen.

En ineens wist ik het zekerwij waren niet gebroken, we waren buigzaam. Morgen zou ik naast haar mee neuriën onder het raam. En terwijl ik in slaap viel, met melkrestjes op mijn lippen, wist ik: voor ons kwamen er altijd weer nieuwe dagen. En wie weet, was het mooiste nog lang niet geweest.

Please rate
Bagattia News
Een glas melk