Drie Draden. Drie Lotsbestemmingen

Drie draden. Drie levens

Wat zei ze nou? Vera, ik heb het niet goed verstaan, wat zei ze precies? Irma van Dijk buigt iets naar voren, haar hand aan de arm van haar vriendin Vera Janssen, die naast haar op straat loopt.

Vera begint uitgebreid uit te leggen waar het net langslopende meisje, jaar of zeven, en haar moeder het over hadden.

Er is een kwajongen op school, en ze zei

Vera praat stevig, haar stem galmt over de hele straat. Irma luistert aandachtig, valt niet in de reden, kijkt om naar het meisje en knikt haar vriendelijk na.

Net zon proper meisje, maar misschien wat ingewikkeld van karakter, concludeert ze.

Hoezo dan? Irma van Dijk kijkt verbaasd, slaat haar arm in die van Vera en trekt haar mee, want het verkeerslicht staat al een tijd op groen en de autos wachten geduldig totdat de twee oudere dames zijn overgestoken.

Wat zeg je? Ik hoor je niet goed, Irma, wat? vraagt Vera, terwijl ze nerveus haar handtas tegen zich aandrukt en snel naar de veilige stoep stapt.

Ik vroeg: waarom vind je haar ingewikkeld? roept Irma nogmaals.

Ach ja… gewoon zo.

Irma van Dijk houdt er soms niet van haar gedachten te verklaren. Of ze heeft er geen zin in, of ze denkt dat het vanzelfsprekend is.

Het meisje neemt het op zich de boef op school terecht te wijzen? Wil hem opvoeden? Nee hoor, zo werkt dat niet Dat lost niets op!

Irma schudt haar hoofd, terwijl Vera alleen maar zucht. Soms vindt ze haar vriendin onuitstaanbaar in haar vaagheid, maar zonder Irma zou deze veranderd wereld met al zn lawaai en drukte eindeloos veel moeilijker zijn.

Irma van Dijk en Vera Janssen zijn buren. Ze wonen in eigenaardige woningen, elk met een eigen uitgang direct aan de straat, geen trappenhuizen of liften. Ooit vormden hun huisjes het koetshuis van een Amsterdamse koopmansvilla, daarna omgebouwd tot een middelbare school voor de kunsten, en is het nu een verzameling ateliers en kleine woonhuizen. De meeste bewoners zijn inmiddels verhuisd naar grotere, modernere huizen, maar Vera, Irma en hun vriendin Marieke houden stand. Ze scheuren elk bod op hun woningen aan flarden, ongeacht de geboden euros, ruildeals of verhuisdiensten.

Bedrijfjes, makelaars, kleine ondernemers iedereen aast op dit stukje Amsterdam, in De Pijp, vlak bij het Sarphatipark, zo centraal en gewild. Ooit werd in het hoofdgebouw de Rietveld Academie gevestigd, maar rondom staan nog die eenvoudige huisjes, niet opgekocht door grote investeerders.

Maar deze oudere vrouwen, hun lichamen broos, hun handen trillerig, houden dapper vast aan hun plek. Hier hebben ze heel hun leven doorgebracht hier willen ze ook hun leven afronden.

Kom, laten we even bij Marieke langsgaan, zegt Vera beslist. In haar handen een doosje gebak. Haar feliciteren.

Wat? Wat zeg je? Je moet naar me kijken, dan kan ik het van je mond lezen! Irma trekt haar aan haar mouw. Ze schaamt zich steeds meer voor haar slechte gehoor. Bang dat Vera een keer haar geduld verliest en wegrent

Maar Vera buigt zich rustig naar haar vriendin, articuleert zorgvuldig: Marieke heeft ons uitgenodigd, weet je nog?

Natuurlijk, ik weet het weer! knikt Irma opgelucht. Tijd voor bezoek.

Bij Marieke Smit, die helaas niet meer uit haar rolstoel kan, is het vandaag feest: haar dochter Lotte is jarig. Lotte werkt druk, is niet meer piepjong, en bezoekt haar moeder zelden. Dat de viering werd uitgesteld naar het weekend, neemt Marieke haar niet kwalijk.

Echt, het is mijn eigen schuld, zegt ze, terwijl ze samen aan de sobere tafel zitten. En zeg niets slechts over mijn dochter! steekt ze waarschuwend haar vinger op, maar dat zou niemand in hun hoofd halen. Lotte is hun aller lieveling!

Vera strijkt troostend over Mariekes nerveuze hand. Die hand is broos en smal dezelfde waarmee Marieke als meisje in de oorlog de moestuin achter het huis omspitte. Haar moeder werkte in het ziekenhuis, net als de moeders van Vera en Irma, die als jonge meiden samen alles deelden. Ze kookten wat er toevallig was; geen klagen, het was overal hetzelfde. Met zn drieën was het leven draaglijker.

De grote tuin ontstond door toedoen van ome Han, gepensioneerd tuinman uit de buurt. Hij had wat zaadjes geregeld: Plant maar, meisjes, komt allemaal goed. En inderdaad: de kolen groeiden, de komkommerplantjes Tierden op de natte aarde, en hoewel de peterselie mislukte (waarvoor ome Han mopperde), overleefden ze op wat er kwam.

Toen men ome Han op een dag uit huis droeg de dood was alomtegenwoordig voelden de meisjes voor het eerst echte angst bij een verlies dat dichtbij kwam. Hun vaders kwamen nooit thuis. De tuin moesten ze zelf verder maken.

Nu zit Marieke, vergroeid met haar rolstoel, Vera aait haar hand, Irma snijdt de komkommers voor de salade. Naast haar staat een flesje cranberryjenever klaar, de lievelingsdrank van Marieke, speciaal om te toosten op Lotte, op Mariekes verlamde benen, op een milde winter zonder strenge vorst.

Marieke verloor haar mobiliteit na een dom ongeluk. In de winter gleed ze uit, schaafde haar rug amper, maar de volgende ochtend waren haar benen verlamd. Ze lag uren alleen, kon de telefoon niet bereiken. Haar lichaam was breder geworden met de jaren, de dokters gaven de schuld aan ouderdom, maar zij wist: dat is het leven. Dingen onder ogen zien, niets mooier maken dan het is.

Ze hoorde Vera buiten, duiven voeren, Irma kwam pas later uit bed. Eigenlijk wachtte iedereen op het ritme van elkaars dagelijkse gewoonten.

Dat Marieke niet haar radio aandeed bij het ontbijt, was verdacht. Vera en Irma wisten: er klopt iets niet. Ze belden aan, de conciërge kwam helpen en forceerde de deur. Daar lag Marieke. Ze probeerde hen het huis uit te sturen uit schaamte, maar Vera waste haar, hielp haar omkleden, zoals ze zo vaak haar zieke man had verzorgd voor hij overleed.

Marieke werd naar het ziekenhuis gebracht; het oordeel keihard. In haar verdriet zag ze het als straf van boven.

Maar waarom, wat heb je misdaan dan? vroegen de andere vrouwen haar op haar kamer.

Ooit kreeg Marieke op haar negentiende een kindje, Lotte. Zwanger van een grote jeugdliefde, maar toen ze hem vertelde dat ze een baby verwachtte, liep hij weg; zijn toekomst lag nog open, hij wilde geen ballast. Mariekes moeder dreigde en snauwde, zocht dokters om te helpen, maar Marieke bracht haar zwangerschap uit bij haar tante op een boerderij. Daar beviel ze, bleef twee jaar, tot haar moeder besloot haar en Lotte weer mee te nemen naar de stad.

Lotte werd door Vera en Irma met liefde verzorgd; het kindje ging heen en weer tussen hun huizen, altijd onder een waakzaam oog van één van hen.

Na een deeltijdstudie en lange werkweken stond Marieke er alleen voor nadat haar moeder overleed. Tot op een dag een Franse delegatie de drukkerij bezocht waar ze werkte Bij die Franse man sloeg haar hart op hol. Ze vertelde Vera en Irma breeduit over zijn huis vlakbij Parijs, zijn cadeaus, de kleren voor Lotte. Hij wilde met haar trouwen, maar wel zonder Lotte. Ze zou haar dochter later wel ophalen…

Lotte voelde zich verraden, gooide woedend de Franse cadeaus kapot en bouwde een muur om haar hart. Vera troostte haar: Later zal je snappen waarom mensen domme dingen doen uit verlangen naar geluk

Marieke vertrok. Lotte beantwoordde haar brieven niet. Na een half jaar droop Marieke af, zonder Franse echtgenoot diens familie wilde geen vrouw met kind. Lotte vergaf haar moeder pas jaren later, stukje bij beetje, toen ze zelf ouder werd.

Veras eigen leven was niet eenvoudiger. Haar man, Jan, was gierig, star, altijd uitstellend. Gordijnen? Later. Koelkast? Duur. Ze bleef bij hem voor hun zoon Pieter, die idolaat was van zijn vader. Vera offerde zichzelf op, maar haar hart vond elders troost. Ze kreeg een geheime relatie, maar bleef. Uiteindelijk werd Jan invalide na een beroerte. Toen hij stierf, en de ander haar ten huwelijk vroeg, wees ze hem af; Pieter zou haar het nooit vergeven.

De jaren gleden voorbij. De drie vrouwen werden ouder, net als hun huis, omarmd door oude lindenbomen. In het kunstlyceum bulkte jong talent; drie omas luisterden naar hun zomerconcertjes: Marieke in haar rolstoel met kanten kraagje, Vera statig in bruin jurkje, Irma in wijde jas met comfortabele schoenen en altijd een vredige glimlach, als een verdwaalde concertpianiste tussen het publiek.

Dankzij Mariekes Franse verleden droegen ze alle drie kantjes, een klein eerbetoon.

Je moet jezelf niet zo kwellen, Marieke, zegt Vera terwijl ze taart op bordjes schuift. Lotte is volwassen, zelf moeder nu. Ze heeft haar eigen lessen geleerd. Piere vindt ze misschien verschrikkelijk, maar jou houdt ze van.

Irma knikt: Je weet, jongeren zijn hard, zwart-wit. Later komen er tinten bij. Lotte was toen boos, maar ze is gegroeid. Je moet je niet vastklampen aan dat ene verleden.

De elektrische waterkoker snort, geen ouderwetse ketel, maar net zo huiselijk. Het is herfst; de regen tikt tegen het raam, de bladeren op de stoep worden nat. Het warmt nog na, maar elk moment kunnen de eerste nachtvorsten vallen.

Buiten draait langzaam een auto de straat op, de koplampen doven. Hakken tikken over de stoep; Lotte stormt naar binnen, met een bos dahlias donkerpaars met gele harten, haar moeders favoriet. Ze huilt van blijdschap en opluchting. Haar dochtertje is vandaag geboren, een rossig babytje, een wolkje in een roze doek. Het geluk is compleet.

Kijk je vanavond naar binnen bij dat charmante, halfronde huisje achter de oude villa in De Pijp, dan zie je drie lieve, oude vrouwen. Ze lachen, drinken thee, delen herinneringen en wachten op hun kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen. Zo lang het kan, moeten ze vasthouden aan elkaar. Dat is onbetaalbaar.

Please rate
Bagattia News
Drie Draden. Drie Lotsbestemmingen