Dit gebeurde in het verre jaar 1995: ik zat toen op de Koninklijke Militaire School en werd midden op de les opgehaald en kreeg het bevel mij bij de commandant van de school te melden.

Dit voorval voltrok zich in het verre jaar 1995, als een droom die uitwaaierde over de mistige grachten van Amsterdam en zich vermengde met het geluid van kerkklokken. Ik zat toen op het Koninklijk Militair Instituut en werd, precies halverwege een willekeurige les, op zonderlinge wijze weggehaald door een onbekende stem. Men droeg me op om mij onverwijld te melden bij de commandant. Zijn kamer leek eindeloos, met hoge ramen waar de regen in vreemde patronen op tikte. In een hoek zat een vrouw, haar ogen glanzend van verdriet, de wangen nat en haar handen krampachtig om een gestreepte zakdoek geklemd.

Onze commandant was een echte Amsterdammer generaal van beroep, met een verleden vol verhalen uit de tijd van vredesmissies waar men zelden over sprak. Zijn gezag was onbetwist; we hadden respect en een tikkeltje vrees voor hem. Maar nu stond hij voor mij, zijn blik zacht en verslagen, en zei met een stem die als een fluistering door een dromerige ruimte zweefde:

Luister, jongen, ik spreek je nu niet als meerdere, maar als een kameraad. Ik heb je hulp nodig.

Natuurlijk, ik ben er klaar voor, floepte ik eruit zonder erbij na te denken. Wat wil u dat ik doe?

Mijn neef is ernstig ziek, vervolgde de generaal, zijn woorden hangend in de lucht als mist boven de grachten. Hij is vorig jaar nog afgestudeerd aan dit instituut, je kent hem vast. Daarna is hij geneeskunde gaan studeren in Leiden en sindsdien is het misgegaan. Mijn laatste hoop is gevestigd op jouw grootvader. Ga met me mee; misschien kan hij uitvinden wat er met hem aan de hand is.

Vragend durfde ik niets. Nog voor de klok een kwartiertje verder was, belden we mijn opa op en binnen een mum van tijd zoefden we over de natte snelweg in de zwarte Volvo van de generaal. Tot onze vreugde was het opas eerste vakantiedag; we troffen hem net op tijd, anders was hij met zijn oude Solex naar zijn volkstuintje gereden aan de rand van Utrecht.

De neef de patiënt zat als een schim naast ons. Hoewel ik hem goed dacht te kennen, leek hij niet meer dezelfde: doffe, verloren blik, alsof hij verdronken was in zijn eigen gedachten. Het voelde beklemmend, alsof de kamer kleiner werd.

Toen we bij opa aankwamen, ontving hij ons zonder poespas. De vrouw, nog steeds in tranen, vertelde haar verhaal zoals de regen haar droefheid aan de ramen klopte.

Zeven maanden geleden was haar zoon aangenomen op de medische faculteit van Leiden. Plots kreeg hij op een ochtend, tijdens een college, een aanval. Men had hem meteen in het ziekenhuis opgenomen en van top tot teen onderzocht, maar niets kunnen vinden. De aanvallen kwamen terug, steeds weer, zonder verklaarbare reden. Niemand begreep er iets van. Opa was de laatste strohalm, één van de beste op het gebied van neurologie en psychiatrie in het land.

Hier begint het vreemde, droomachtige deel. Opa nam de jongen bij de hand en verdween met hem in zijn studeerkamer, waar het om half drie altijd naar koffie en oude boeken rook. Na een kwartier kwam hij terug, alleen.

Jullie kunnen naar huis, zei opa kalm, als een molenaar die weet wanneer het tijd is om te stoppen met malen.

Maar… mijn zoon dan? Hij moet toch behandeld worden? riep de moeder, terwijl haar stem door de kamer danste.

Maak je niet druk, zei opa peinzend. “Wij gaan naar mijn volkstuin. Ik moet mijn houtvoorraad aanvullen, en zon flinke vent is daar ideaal voor.”

Met wat horten en stoten begeleidde hij ons naar buiten, de wind duwde ons als schaduwen voort. De patiënt vertrok met opa naar het tuinhuisje, ergens tussen de schapenweiden waar de lucht altijd naar gras ruikt.

Een maand later riep de generaal mij weer. De kamer was hetzelfde, maar de stemming compleet anders. De vrouw straalde met een stralende glimlach, naast haar stond haar zoon, rechtop en fier. Het was alsof alle wolken uit zijn hoofd waren verdwenen. Hij gaf me een stevige handdruk, stevig als een Hollandse stoeptegel, en bedankte me met een blik waar niets dan licht in schuilging. Zelfs de generaal knikte tevreden. De jongen voor wie geen arts een oplossing wist, was als door een wonder binnen een maand genezen. Voor de familie was het magie, maar als ze wisten hoeveel van deze wonderen opa bij leven had verricht…

Later vroeg ik hem wat er precies loos was. Het bleek dat de jongen volledig was opgebrand door de intense mentale druk van de zware opleiding. Zijn brein had de sluizen dichtgegooid en zich teruggetrokken, alsof hij in comateuze rust op een zolderkamer was gaan slapen. Opa had dat meteen gezien. Geen pillen, geen medische trucjes, alleen het laten stromen van energie door zwaar werk. Op de tuin liet hij de jongen bomen kloven en hout stapelen tot zijn spieren brandden. Hij stond vroeg op, nam een koude douche, at hutspot en werkte tot de zon onderging. Elke avond viel hij als een blok in slaap, en na verloop van tijd kwam zijn geest weer langzaam tot leven helderder dan ooit tevoren.

Geen medicijnen, geen ingewikkelde therapieën, alleen ouderwets fysiek werk. Dit was dan het verhaal, vreemd en prachtig als een droom die je ‘s ochtends net niet los wil laten.

Please rate
Bagattia News
Dit gebeurde in het verre jaar 1995: ik zat toen op de Koninklijke Militaire School en werd midden op de les opgehaald en kreeg het bevel mij bij de commandant van de school te melden.