Dit gebeurde in het verre 1995: Ik zat toen op de Koninklijke Militaire School en werd midden op de les plotseling uit de klas gehaald met het bevel me direct bij de directeur van de school te melden.

Dit gebeurde in het verre jaar 1995. Ik zat toen nog op de Koninklijke Militaire School in Breda, toen ik plotseling midden op een donderdag uit de les werd gehaald. Men beval mij me direct te melden bij de commandant. In het kantoor, waar de geur van pijptabak nog in de lucht hing, zat een vrouw. Haar ogen waren rood, dikke tranen gleden langs haar wangen en regelmatig snikte ze zachtjes terwijl ze met een kanten zakdoek haar gezicht afveegde.

Onze commandant was een imposante generaal, een man van staal die nog meegestreden had in de strijd om Srebrenica. Streng, maar rechtvaardig; een man van wie wij jongens zowel hielden als een beetje vreesden. Zo had ik hem nog nooit gezien. Hij liep naar mij toe, zijn schouders zwaar van zorgen.

Jongen, sprak hij dof, ik vraag je nu niet als meerdere, maar als kameraad. Ik heb jouw hulp nodig.

Natuurlijk, antwoordde ik zonder aarzeling. Zeg het maar.

De generaal haalde diep adem, zijn blik gleed naar de vrouw. Mijn neef ligt op sterven, fluisterde hij. Hij was vorig jaar nog leerling hier, je zou hem kunnen kennen. Hij vervolgde zijn studie aan de Medische Academie in Amsterdam, maar toen is het misgegaan. Onze laatste hoop ben jij, of eigenlijk jouw opa. Alsjeblieft, misschien wil je opa kijken wat er met hem aan de hand is. Misschien vindt hij iets waar anderen missen.

Ik stelde geen lastige vragen meer. Er werd meteen naar mijn opa gebeld en een kwartier later zaten we al in de zwarte Volvo van de generaal richting Haarlem. Gelukkig had mijn opa net die dag zijn eerste vakantiedag en troffen wij hem thuis, precies een halfuur voordat hij naar zijn huisje op de Veluwe wilde vertrekken.

De patiënt reed mee. Hoewel ik hem vaag kende, herkende ik hem niet meer terug. Zijn lege, dolende ogen keken nergens naar, zijn hele gezicht loos van expressie. Het was zelfs een beetje griezelig.

We reden vlug door, het verkeer viel gelukkig mee. In opas flat werden we ontvangen in zijn gezellige woonkamer, waar de vrouw snikkend haar verhaal deed. Haar zoon was zeven maanden geleden gestart aan de Medische Academie, toen hij opeens tijdens een college een aanval kreeg. Ze namen hem op in het academisch ziekenhuis, onderzochten hem van top tot teen maar vonden niets. Nauwelijks thuis kreeg hij weer een aanval, toen nog een niemand begreep het. De hoop rustte nu op mijn opa, een van de bekendste neurologen en psychiaters uit Nederland.

Het meest bijzondere moest nog komen. Opa nam de jongen mee naar zijn werkkamer, bleef daar een kwartier en kwam kalm terug, de patiënt was niet bij hem.

Jullie kunnen naar huis, sprak hij kordaat tegen de moeder en de generaal.

Maar mijn zoon dan? Hij moet toch behandeld worden? riep de moeder wanhopig.

Maak je geen zorgen. Ga gerust naar huis, wij gaan naar mijn huisje op de Veluwe. Ik heb daar nog een stapel hout liggen en deze sterke vent kan mooi helpen. Opa knipoogde ondeugend.

Tot onze verbazing wist opa ons vriendelijk, doch onverbiddelijk de deur uit te werken. Vervolgens vertrok hij met zijn jonge patiënt naar de hut midden in het bos.

Een maand verstreek, tot ik opnieuw naar het kantoor van de generaal werd geroepen. Daar zat dezelfde vrouw, deze keer stralend van geluk. Naast haar stond de jongen. Ik herkende hem weer, alle sporen van zijn vorige toestand waren verdwenen. Hij schudde mijn hand stevig en bedankte me met een knik, de generaal deed hetzelfde. De jongen, aan wie niemand had kunnen helpen, was in minder dan een maand volledig hersteld. Iedereen sprak van een wonder, al wist ik wel beter het was typisch opa.

Later vroeg ik opa wat er nu werkelijk aan de hand was geweest. Door de gigantische mentale druk van de moeilijke studie was de jongen helemaal doorgedraaid. Zijn hersenen waren overbelast en hadden gewoonweg alles afgesloten. Dat had opa meteen begrepen. Hij haalde hem compleet uit zijn omgeving, geen literatuur, alleen bomen en frisse lucht. Elke ochtend om acht uur koelbaden, een stevig ontbijt, en daarna de hele dag hout kloven en sjouwen. Geen enkele prikkel voor het hoofd, alleen fysiek werk. s Avonds om acht uur viel hij als een blok in slaap, volledig uitgeput. Na verloop van tijd raakte zijn brein tot rust, kon herstellen en werkte daarna weer als vanouds.

Tijdens de behandeling had mijn opa de jongen geen enkele pil gegeven alleen keihard, eerlijk werk.

Dat, is het wonder van mijn opa uit Haarlem.

Please rate
Bagattia News
Dit gebeurde in het verre 1995: Ik zat toen op de Koninklijke Militaire School en werd midden op de les plotseling uit de klas gehaald met het bevel me direct bij de directeur van de school te melden.