De schuldige aanwijzen bleek een ware opgave. Toen de kinderen haastig naar de Vecht renden, waren ze vergeten de papegaai in zijn kooi te doen. Grootmoeder, net terug van de Albert Heijn met haar tas vol boodschappen, zwaaide zonder nadenken het raam wagenwijd open. s Avonds, toen iedereen naar Fimme keek, was het duidelijk onze bonte amazone was verdwenen richting het onbekende. Drie dagen en nachten lieten we alles uit onze handen vallen en struinden het hele tuinpark in Loenen aan de Vecht af, wanhopig op zoek naar onze verloren schat. Het was tevergeefs. Niemand had Fimme nog gezien. De kinderen veegden huilend hun wangen af, grootmoeder zuchtte diep en klagend och-och-och, en mijn man en ik gaven elkaar de schuld, afwisselend op de oudjes, dan weer op de kleintjes.
Onze eigen hond, de Airedale terriër Mik, was in die dagen trouwens amper nog in beweging te krijgen. Mik was overduidelijk in rouw. Alleen als de bel ging, sprong ze nog op en blafte fel, maar al snel doofde haar enthousiasme en bleef ze onzeker in de hal staan voordat ze terug kroop naar haar kleed. Vier lange jaren had ons huis gebaadt in een duet van geblaf bij elk bezoek. Fimme blafte met een virtuositeit, soms zelfs beter dan Mik zelf.
Dit blaffen was het allereerste papegaaiengedrag dat Fimme ooit vertoonde. Als jongeling groen in alle opzichten was hij vastbesloten de poes Puck te treiteren. Hij kroop ongemerkt naar het opgerolde katje toe en blafte dan genadeloos in haar oor. Puck schoot overeind met een kille miauwww, waarop Mik er met luid geblaf bij kwam. Binnen een minuut was het complete chaos in huis.
Puck tolereerde Fimme, al leek het soms puur door haar kattenfatsoen. Maar Mik was echt dol op de vogel. Deugniet Fimme zat regelmatig op dr kop letterlijk en figuurlijk. Het liefst hield hij haar toespraken na in de stem van oma: Wie eet nou de havermout op? We hebben toch geen zwijnen in huis? Met een plechtige pauze erbij. Mik gaf er net zo weinig om als de kinderen om het gezeur van oma. Als Fimme te irritant werd, zwiepte Mik hem vakkundig van haar hoofd met haar ruwe tong.
Kortom, Fimmes verdwijning was voor iedereen, behalve Puck, een persoonlijk drama. Na een paar weken begon het gemis in te slijten, tot het dorp begon te gonzen over een nieuwe groene vogel tussen de kraaien die de boomgaarden plunderden. Een brutale, felgroene kraai met een felrode snavel niet alleen krassend, maar ook blaffend en scheldend met een bijna menselijke stem. Dat laatste liet onze hoop bijna doven: zulke woorden kenden wij in onze familie wel, maar werden hier niet gebruikt. Maar ach, op vrije vleugels kon onze slimmerik zomaar een hoop kattenkwaad hebben opgepikt, net als Puck vlooien. Dus begon onze speurtocht opnieuw.
Het geluk lachte ons na tien dagen toe. Terwijl ik me over de radijzen boog, hoorde ik opeens dat typische Nou, wat? Daar zat hij, mijn kleine boef, op een kersenboom tussen een paar zwarte kauwtjes die zich tegoed deden aan de vruchten.
Fimmeke, kom maar. Kom hier, jongen, dan krijg je lekker wat zonnebloempitten Fimme schuin het koppie, twijfelend. Fimmeke, we missen je allemaal: papa, Sophie, Mies en Mik. Kom nou, lieverd Stap voor stap schuifelde ik naar de boom, mijn hand uitgestrekt. Ik raakte bijna de tak
Heh, die van t laantje! kraste Fimme, in de gemene stem van de tuinvereniging-voorzitter, en weg was hij, met al zijn vogelvrienden.
Fimme genoot nog maandenlang van zijn vrije leven. Zo nu en dan dook hij op bij huis, maar praten viel er niet met hem op onze smeekbeden reageerde hij met een filosofisch gekras en vloog weer verder.
Tegen de herfst werd Fimme steeds vaker alleen gezien. Nu zat hij verdrietig op het hek of in de perenboom, opgezet en stil, zonder zich te laten pakken. Toen zetten we ons geheime wapen in: Mik. Wat zij allemaal tegen hem gezegd heeft, zal altijd een raadsel blijven, maar met geheven kop keerde Fimme huiswaarts bovenop de rug van zijn trouwe hondenmaatje, als een ware held van de polder.







