DE WORSTENDIEF
Hij kon zijn aandacht niet afhouden van deze kat. Dat kwam vooral omdat de kater elke keer weer kwam stelen in zijn kleine buurtsuper in een rustige straat van Haarlem. Maar hij deed het op zon manier, dat je niet eens boos kon worden. Integendeel.
De eigenaar keek altijd reikhalzend uit naar dit dagelijkse ritueel. Hij zette standaard zijn telefoon klaar, filmde het tafereel en s avonds bekeek hij samen met zijn vrouw de beelden. Dan lachten ze samen elke keer weer.
De kater zat eerst altijd lang stil voor de openstaande winkeldeur te dralen. Hij deed alsof hij gewoon wat kwam uitrusten, en nergens anders voor kwam. Hij keek steeds schichtig om zich heen, ervan zeker dat niemand het zag. De winkelier verstopte zich bewust achter de grote koelvitrine, waarvandaan hij het hele spektakel vastlegde.
Voorzichtig stiefelde de kater naar binnen, liep lichtvoetig recht op het vak met de worsten af. Daar versnelde hij, greep een rookworstje of een dikke Gelderse metworst en schoot er als een speer vandoor, maar… De honger liet hem niet verkomen. Al na een paar meter voor de winkel plofte hij neer en begon te smullen.
De eigenaar kwam naar buiten, ging nooit dichtbij staan en vroeg:
Is het lekker, vriend?
De kater hief zijn kopje en mauwde instemmend.
Mooi zo. Kom gerust weer.
Zei hij dan glimlachend.
Je zult je afvragen: hoe kan dit? Worsten op een toonbank, zonder koeling? Losse knakworsten en metworsten, zomaar apart neergelegd? De verklaring is heel eenvoudig.
De eigenaar van de buurtsuper had nu eenmaal een goed hart.
Hij besloot de kat op deze manier bij te voeren. Want toen deze kater die hij op een dag Mees noemde voor het eerst bij de winkel verscheen, was het beest broodmager. Maar de kater weigerde pertinent voedsel van mensenhanden aan te nemen. Dus verzon de winkelier een slimmigheid.
In het begin legde hij de worsten vlakbij de uitgang, zodat Mees het gevoel had zijn maaltijd zelf te veroveren. Keurig gejat, eerlijk verdiend, zo vond meneer het blijkbaar. En dat werkte. Daarna verschoof de eigenaar de worsten iedere dag iets verder naar binnen. Tot hij ze op een schap tussen andere producten legde pal boven de vloer. Dat werd de eetplek.
Mees had allang gewoon naar binnen kunnen lopen, pakken wat hij wilde, en ongezien vertrekken. Maar daar ging het niet om. Nee dames en heren, het draaide om het spektakel. Gestolen waar smaakt nu eenmaal beter.
De winkelier zette inmiddels buiten een drinkbak neer, een grote schaal met het beste kattenvoer en zelfs een plastic bakje gevuld met vers grit. Vlakbij stond een kleine hondenmand, met een oud wollen deken erin dankzij zijn vrouw.
Mees liet zich nog steeds niet aanraken, maar praten deed hij graag. De winkelier volgde hem met een worst en begon altijd een praatje. Bij elke hap keek Mees even naar hem op en mauwde wat terug.
Maar de laatste tijd zat hem iets dwars. Mees zag er opgeknapt uit, was zelfs aan de stevige kant geraakt en hoefde niet langer te stelen. Maar toch: trouw als de traditie leverde hij elke dag een paar worstenstaafjes, die hij met hetzelfde ritueel meenam en om het hoekje verdween.
De winkelier had zich al vaak afgevraagd waar de kat toch naartoe schoot, maar Mees liet zich niet volgen. Daarom schafte hij een piepkleine camera aan met goed bereik, die alles doorstuurde naar zijn computer. Zo ontdekte hij eindelijk het geheim.
Een klein rood kereltje schoot uit een kelderraampje van het hoekpand. Trillend van ongeduld stortte hij zich op de door Mees meegebrachte worst. Die avond, terwijl zijn vrouw snikkend haar tranen over haar wangen veegde, riep ze:
Morgen! Hoor je? Morgen breng je ze naar huis, allebei!
Maar dat bleek onhaalbaar. Mees vangen was inmiddels eenvoudig; die sliep soms gewoon midden in de winkel. Maar het kleine rode beestje zou onbenaderbaar blijven.
Dagen gingen voorbij. Dankzij de camera wist de winkelier dat het rode katertje wel water dronk uit Mees bak en soms dutte in de hondenmand. Maar kwam je ook maar iets dichterbij, dan schoot hij weg als een rode bliksemschicht.
Op een dag veranderde alles. Een vreemd geluid bij de ingang trok zijn aandacht. Geen klanten in de winkel. Achter de toonbank vandaan gelopen zag hij op de stoep het rode katertje luid mauwend, in paniek bijna.
Wat is er dan, kleintje? vroeg de winkelier ongerust.
Het katje stoof op hem af, keek in zijn ogen en sprintte naar buiten. De man volgde zonder aarzeling.
Daar vond hij Mees, piepend van pijn. Een hond had hem aan zijn rechterachterpoot gepakt, hij was wel ontsnapt maar de wond was diep. Het rode katertje duwde met zijn kopje tegen Mees zij en mauwde hartverscheurend.
O hemel… mompelde de winkelier. Hij trok zijn jas uit, wikkelde Mees erin, tilde het rode katertje voorzichtig op en stopte die in zijn jaszak.
De winkel werd afgesloten, hij stapte met beide katten in de auto en reed naar de dierenarts. Vijf uur zaten ze er, totdat de dokter Mees wond verzorgde en hechtte.
Zo raakte hij bevriend met het rode katertje, dat hij Vlammetje doopte. Vlammetje was vrolijk en sociaal, klom overal op en ving zelfs een propje papier. s Avonds bracht hij beide katten, Mees nog suf van de narcose, en Vlammetje mee naar huis.
Zijn vrouw was dolblij. En wat doet een vrouw als ze gelukkig is? Juist: ze belt haar beste vriendinnen en vertelt alles tot in detail met veel uitleg, veel adviezen.
Toen de telefoon eindelijk weer in de lader lag, sliepen de winkelier, Mees en Vlammetje languit op het grote bed.
Gezellig stel jullie zo. Waar moet ik nog liggen? verzuchtte zijn vrouw, maar Vlammetje schoof meteen op, kroop tegen haar aan en begon met zijn roze pootjes haar schouder te masseren.
Zo vonden ze samen hun thuis.
Nu zijn er twee grote, deftige katten in huis die in de verste verte niet meer lijken op de verweesde zwervertjes van destijds.
Soms likt Mees uit gewoonte nog Vlammetjes kopje schoon, wat Vlammetje niet erg vindt.
Aan de overkant, bij de schoenenzaak op de hoek, woont sinds kort een klein, schuw grijs poesje. Ook die wordt elke dag door de verkoopster steevast voorzien van een lekker hapje uit de buurtsuper, zorgvuldig uitgezocht bij dezelfde Toonbank.
Misschien, ooit, neemt zij het poesje wel mee naar huis.
Wie weet. Misschien vindt uiteindelijk ieder katje in de stad zijn warme plekje. Misschien worden poezen zo zeldzaam, dat je straks in de rij moet staan, mét bewijs van cursus kattenverzorging, om er eentje te mogen adopteren.
Wat denk jij? Zou het zo ver kunnen komen?
Maarten van Eeden
Foto: internetOf misschien moet het helemaal niet zover komenwant wie op een dag goed oplet in Haarlem, kan bij het vallen van de schemering twee royale katten zien zitten op het tuinmuurtje bij de buurtsuper. Zij kijken belangrijk rond, ontspannen en tevreden, terwijl de winkelier lachend de stoep veegt en zijn vrouw glimlachend in de deuropening staat. En in hun blikken zie je alles wat telt: avontuur, vertrouwen, en een stille afspraak dat iedereen hier welkom is.
En als je goed luistert, hoor je misschien zelfs het zachte, diepe gespin van geluk, dat zomaar een hele straat warm houdt tot ver na sluitingstijd.







