De Laatste Oproep
Vanaf het ochtendgloren kon Marloes het onbehaaglijke gevoel niet van zich afschuddener zou iets gebeuren, daar was ze zeker van.
Iets naars…
Ze had direct haar moeder gebeld, maar Gerda van den Berg had haar gerustgesteld:
Bloeddruk is perfect, nergens last van. Waarom vraag je dat eigenlijk?
Ach, gewoon, voor de zekerheid, had Marloes geantwoord. Ik moet nu gaan, moet me nog klaarmaken voor werk. Bel jij als er iets is?
Ja, hoor, dat doe ik.
Het telefoongesprek had haar misschien moeten geruststellen, maar het gevoel van naderend onheil bleef als een donkere wolk boven haar hangen.
Marloes kon er met haar hoofd niet bij; er was immers geen echte reden voor onrust. Maar met haar baan kon je alles verwachtenhet was maandag, de zwaarste dag van de week, en dat voelde je.
Ze dronk haar koffie op, wierp een blik op de klokhalf zeventrok snel haar uniform aan, pakte een broodje voor onderweg en ging de deur uit.
*****
Op het terrein van de ambulancepost kwam Marloes Erik Voorn tegen, haar chauffeur voor vandaag. Hij zwaaide joviaal, maar zij antwoordde slechts met een vermoeide knik.
Marloes, wat kijk je sip, zeg! lachte Erik terwijl hij een shagje aanstak. Is er iets gebeurd?
Nee, Erik, er is nog niks. Maar ik voel gewoon dat er iets gaat gebeuren, zei ze bedachtzaam.
Hou op, joh! Wat een gedachten zo vroeg! Kom je slaap tekort of zo?
Marloes antwoordde niet. Haar blik gleed omhoogde hemel zat potdicht: ieder moment kon het keihard gaan regenen.
En regen, daar had ze sinds haar jeugd een hekel aan…
Misschien is dat het gewoon, denk ik ineens. Geen voorgevoel, gewoon slecht weer, slecht humeur erbij, glimlachte Marloes even weifelend, opgelucht een reden te hebben gevonden.
Maar amper had ze het gedacht, of het beklemmende gevoel keerde terug.
Succes vandaag! riep een jonge vrouw terwijl ze langsliep.
Erik hoestte zich haast in zijn eigen rook, balde zijn vuist en keek dreigendmeteen schrok het meisje, grote ogen.
Sorry… Echt, was ik weer vergeten, zei ze beschaamd.
Ze werkte pas sinds kort als ambulanceverpleegkundige op de post en kon maar niet onthouden dat je in Nederland nooit geluk toe wenst aan een team dat net op dienst gaatdat brengt ongeluk, zo wil het bijgeloof.
Nu weet ik het zeker, er gaat iets mis vandaag, fluisterde Marloes, voelde een koude rilling.
Kletskoek, mompelde Erik, terwijl hij zijn peuk in het stalen afvalbakje gooide.
*****
Elke keer als de dispatcher een nieuw adres doorstuurde naar de tablet en door de intercom hun volgende spoedklus aankondigde, beet Marloes gespannen op haar lip.
Man, 35 jaar, heftige hoofdpijn, lispelende spraakmogelijk een beroerte.
Precies waar ik zin in had vanmorgen… dacht Marloes cynisch. Ben je ambulancemedewerker, dan moet je op alles voorbereid zijn, maar…
Elke oproep greep haar aanvooral als er levens op het spel stonden. En een beroerte liep vaak slecht af. Vandaag voelde het extra zwaar.
Gelukkig bleek het bij Bavo, de patiënt, slechts een katerhij had tot diep in de nacht het verjaardagsfeestje van zijn vriend gevierd. Marloes gaf hem een paracetamol en het advies zijn bed op te zoeken.
En een biertje erbij, helpt dat? vroeg de man hoopvol.
Absoluut niet! Dat maakt het alleen maar erger. Als je lang en gelukkig wil leven, kun je het drinken beter helemaal laten.
Buiten opgelucht ademhalend dacht Marloes: Misschien heeft Erik gelijkis het maar vermoeidheid en stress.
Ze kalmeerde iets tot de dispatcher hen met hun volgende oproep naar de begraafplaats stuurde.
Wat? Serieus? vroeg Erik verbaasd.
Ja… naar het kerkhof, antwoordde Marloes bedrukt, ze klemde de tablet stevig vast.
Een beroemde toneelspeler uit haar stad werd er vandaag begraven. Ze had nooit van de man gehoord naar eigen zeggen, maar het was er druk.
Jong, oud, mannen, vrouwende een met een bos tulpen, de ander onder tranen. Sommigen spraken vol warmte over de overledene.
Marloes voelde zich steeds ongemakkelijker, bleef wachten op rampspoedErik rookte binnen het halfuur nog een sigaret weg.
Maar hun hulp was niet nodig, gelukkig.
De uren verstrekende ene routineklus na de andere, weinig bijzondere meldingen.
Na twaalf uur trouwe dienst zat haar werkdag erop. Nog tien minuten, en ze konden terug naar hun post.
In gedachten lag Marloes al in bad, onder het warme water, daarna in bed. Morgen hopelijk een betere dag, met een beter humeur.
Voor de zekerheid belde ze haar moeder nog een keer.
Alles goed, lieverd, antwoordde Gerda van den Berg rustig. Eten, en dan televisie kijken.
Hoe is het met je moeder? vroeg Erik terwijl ze haar mobiel opgeborgen had.
Alles goed.
Zie je! Wat zei ik? Erik grijnsde breed. Al dat gepraat over onheil… Je ziet het, niks aan de hand.
Gek genoeg voel ik me nog steeds onrustig, Erik. Ik snap niet waar het vandaan komt.
Je moet gewoon een huisdier nemeneen kat of een hond. Werkt perfect tegen stress!
Ja, hoor…
Echt waar! Mijn kater Bram springt altijd op schoot als ik thuiskom, ligt te spinnen en alle nare gedachten verdwijnen. Daarna slaap ik heerlijk.
Met mijn onregelmatige diensten? Wie zorgt er dan voor het beestje? Jij hebt thuis je vrouw en kinderen. Ik woon alleen.
Ze wilde nog iets zeggen toen de tablet piepte, en de dispatcher Marloes naam noemde.
Je dienst is nog niet voorbij, er is nog één oproep. Laan van Leeuwenhoek 23, flat… even zoeken…
Niet flat 48 toch?
Jawel, Marloes, nummer 48. Hoe weet jij dat? klonk het verbaasd vanachter de telefoon.
Daar woont Henk de Wit, die ken ik inmiddels als vaste klant. Weer klachten aan het hart?
Marloes hoorde de dispatcher diep zuchten; een beklemmende stilte.
Hij is overleden, Marloes… Vanmorgen al waarschijnlijk. Politie is er al, maar jullie moeten er ook bij zijn, dat weet je.
Ja… haar stem klonk raar en afwezig.
Met trillende hand legde ze de tablet op schoot. Erik zei niets, hij had ook alles gehoord.
Na een minuut zei hij zacht: Zonde van Henk de Wit. Volgens mij, wat jij altijd over hem vertelde, was het een goed mens. Maar Marloes, jij kon er niets aan doenhij wilde zelf nooit naar het ziekenhuis, toch?
Hm…
Ze zakte achterover in haar stoel en sloot haar ogen, gevangen in haar eigen gedachten.
*****
Ze had Henk de Wit anderhalve maand geleden voor het eerst ontmoet. Hij zelf had 112 gebeld vanwege heftige pijn op de borst.
Voordeur is open, kom gerust binnen, had de centrale gezegd.
In de hal werd Marloes begroet door een klein hondje, een jonge pup, niet groter dan haar handpalm.
Eerst gromde hij schattig, daarna blafte hij fel. Pas toen Henk hem riep, kwispelde hij de kamer in.
Gevonden op straat. Nu beschermt hij me met zijn leven, probeerde Henk te lachen terwijl hij op wilde staan.
Blijven liggen, hoor! Wat een schatje. Ik zou er zelf wel eentje willen als het kon.
Waarom zou dat niet kunnen?
Redenen genoeg. Maar laten we nu even naar u kijken. Vertelt u eens, wanneer begonnen de klachten? Komt u bij de arts?
Henk vertelde dat de problemen waren begonnen na het overlijden van zijn vrouw. Bezoekjes aan de huisarts hadden tot weinig geleid.
Het wordt erger als ik uren in de wachtkamer zit. De pijn trekt soms weg, soms niet.
Kunt u die pijn beschrijven?
Tja, niks bijzonders. Even pijn, dan weer weg. Soms helpt een valeriaantje, soms een pilletje.
Maar dat is geen echte therapie, Henk, glimlachte Marloes. Laten we eens een ECG maken.
De hartfilm voorspelde weinig goeds; Marloes wilde hem laten opnemen, maar Henk weigerde.
En wie zorgt er dan voor Bobby? Geef me maar een pilletje, dat is genoeg.
Dat helpt maar even. Ik raad een ziekenhuisopname aan.
Alle collega’s deden dat altijd. Kijk, ik leef nog hoor! Ga niet naar het ziekenhuis. Zet de handtekening maar onder “weigering opname.”
Ze kreeg hem niet omniet die eerste, niet de volgende keren.
Na verloop van tijd kwam Marloes altijd zelf als hij ambulance belde; weer pijn, weer een bezoek, tot wel wekelijks.
Vroeger had ik nergens last van. Nu laat het niet meer los.
Uw gezondheid gaat achteruit, Henk. Zonder behandeling wordt het alleen maar erger. Mag ik u toch meenemen naar het ziekenhuis?
Sorry, Marloes. Maar ik kan Bobby niet alleen laten. Hij is nog zo klein.
Maar als u iets overkomt, wie zorgt er dan voor hem?
Dat komt goed, joh. Ik heb het met mijn buurvrouw Lies afgesproken. Zij weet waar het geld ligt voor zijn voer. Want niet iedereen neemt een hond uit het asiel, hè?
Eerlijk waar, Henk de Wit was een goed mens.
Nu reed Marloes opnieuw naar zijn huis, maar dit keer kon ze niet meer met hem praten.
De laatste oproep was inderdaad de laatste geworden.
Ze was het niet met Erik eens, die zei dat het niet haar schuld was. Toch voelde ze zich schuldigze had hem moeten overhalen naar het ziekenhuis te gaan…
Marloes, we zijn er, klonk Eriks stem, hand zwaar op haar schouder.
Hè?
We zijn er. Kom, het is tijd.
Met lood in haar schoenen liep Marloes naar de derde verdieping, waar wijkagent Bas Vos en de buurvrouw al waren. Zij kende Lies al van eerdere oproepen.
Eens was Henk de straat niet afgekomen met Bobby op de arm, Lies had de ambulance gebeld. Toen had Marloes haar leren kennen.
Hoi Marloes.
Dag Lies, antwoordde Marloes zacht. Ik neem aan dat jij de politie hebt gebeld?
Ja, wie anders? Ik hoorde de hond vanaf vanmorgen blaffen. Vreemd, Henk was normaal altijd vroeg buiten. Misschien voelde hij zich niet lekker, dacht ik.
En toen?
Toen moest ik halsoverkop naar de camping, was in de middag terug. Maar die honden bleef blaffen. Toen de politie gebeld. Agent kwam met de slotenmaker, deur open… en toen… Ze wees richting de slaapkamer.
Ik snap het. Dank je wel.
In de slaapkamer keek Marloes lang naar Henk, vocht tegen haar tranen terwijl ze het overlijdensformulier invulde.
Opeens herinnerde ze zich het hondje, Bobby. Ze liep rondkeuken, badkamer, zelfs het balkon.
Zoek je iets? vroeg Bas de agent.
Er moet hier een pup zijn, maar ik zie hem nergens. Jij gezien?
Klein zwart beestje? Ja, liep de hele tijd in de weg, blafte naar iedereen, grinnikte Bas. Volgens mij heeft de buurvrouw hem meegenomen.
Goddank… zuchtte Marloes.
Ze had zo’n angst dat hij buiten zwierfHenk had zoveel van dat beestje gehouden, zou zich rot gevoeld hebben als hij dat wist…
Ze nam afscheid en liep naar de flat van Lies, die zich allang had teruggetrokken.
Marloes? vroeg Lies verrast. Is er wat?
Ik wil je bedanken dat je Bobby hebt opgevangen. Hoe gaat het met hem? Is hij erg van slag?
Wie? Oh, die hond? Die heb ik niet gehouden hoor, wat moet ik ermee?
Maar agent Vos zei…
Ja, ik nam ‘m even mee, maar heb ‘m snel weer buiten gezet. Hij bleef maar blaffen; ik kreeg hoofdpijn. Buiten heeft-ie meer ruimte. Henk is er toch niet meer
Maar Henk zei dat jullie hadden afgesproken, zelfs verteld waar het geld voor de hond was.
Lies werd nerveus. Eerst schrok ze, toen fronste ze haar wenkbrauwen.
Ik weet nergens van, Marloes. Sorry, maar ik heb nu geen tijd. Die hond moet zn plan trekken, wie weet krijgt-ie een nieuw thuis.
*****
Met lichte paniek holde Marloes de trap af, vluchtte naar buiten. De lucht was inmiddels helemaal dichtgetrokken; het begon te regenen.
Fijne druppels werden snel groter, zwaarder.
Kom op, Marloes! Niet blijven staan, je wordt nat! riep Erik. Spring in de bus!
Ze gooide haar koffertje in de ambulance, sloot de deur… maar aarzelde.
Wat doe je nou weer? vroeg Erik, verbaasd.
Rijd jij maar terug naar de post, Erik. Mijn dienst is voorbij, maar ik heb nog iets te doen.
Wat dan?
De pup zoeken.
Wat? Kun je me nu eindelijk uitleggen wat er aan de hand is?
Kort vertelde ze het hele verhaal. Erik luisterde zwijgend en stak nog een shagje op.
Hij kan niet ver zijn. Jij rijdt naar de post, ik zoek Bobby.
Erik zuchtte en trapte zijn sigaret uit.
Niks ervan. Ik laat je hier niet alleen. Het wordt al donker. We zoeken samen.
Dat mag toch niet, je mag die wagen niet voor niks laten staan!
Niemand hoeft het te weten. Kom op, niks aan de hand.
Met hun handen in hun zakken liepen Marloes en Erik door de buurt, zochten overal naar de kleine pup.
Niet veel later sloot Bas zich bij hen aanmet z’n drieën zochten ze verder.
Gevonden! riep Erik plotseling, en Marloes rende op het geluid af.
Onder een bankje, vlak bij Henks flat, zat Bobby. De pup blafte fel naar Erik, liet hem geen stap dichterbij komen.
Kom op zeg, beetje dankbaarheid zou je verwachten! Erik grinnikte.
Maar zodra Marloes hem riep, kwam Bobby voorzichtig tevoorschijn. Zijn vacht nat van de regen en zijn ogen droevig.
Bobby, lieverd! snikte Marloes bijna, al werden haar tranen door de regen gecamoufleerd. Herken je me nog?
De pup kwispelde, kroop naar haar toe en piepte zacht.
Ik weet het, jongen… Onze Henk is er niet meer. Het komt wel goed, ik beloof het je.
Erik wreef stiekem zijn ogen droog en ook Bas keek omhoogwant échte kerels huilen niet, zeker niet in uniform.
Ik kan nooit jouw baasje vervangen, Bobby, maar ik wil het toch proberen. Ga je met me mee?
En natuurlijk ging Bobby met haar mee.
Omdat hij voelde dat Marloes een goed persoon was. En omdat hij, net als zij, zo’n hekel had aan de regen…
*****
In het begin was Marloes onzeker of ze het wel zou redden. Gelukkig sprong haar moeder bij: als Marloes nachtdienst had, kwam Gerda langs om Bobby te voeren en uit te laten.
Op vrije dagen waren ze altijd samen in het parkMarloes, haar moeder, en Bobby.
Ze had nooit spijt gehad dat ze het hondje had meegenomen. Haar leven kreeg weer richting, ze begreep nu ook zoveel beter waarom Henk zo aan dat beestje hing, zelfs al begreep ze als arts zijn koppigheid niet.
Niet lang daarna sloot iemand zich bij hun kleine gezin aanagent Bas, die haar direct had geraakt maar op het verkeerde moment in haar leven was opgedoken.
Toen Bas op een dag met bloemen op de stoep stond, werd hij begroet door Bobby. De pup snuffelde aan zijn broek, keek hem goedkeurende aan en blafte: de inspectie was geslaagd.
Er dreigde dus geen gevaar meer voor zijn Marloes. Behalve misschien het geluk waar ze altijd zo naar had verlangd…







