Laatste Uitruk
Al sinds het vroege ochtenduur bekruipt Daphne een vreemd gevoel. Het gevoel dat er iets gaat gebeuren.
Iets naars
Ze belt meteen haar moeder, maar Corrie van der Linden stelt haar gerust:
Mijn bloeddruk is als die van een jonge god, geen hoofdpijn. Waarom vraag je?
Gewoon, voor de zekerheid zegt Daphne. Goed, ik moet me klaarmaken voor werk. Bel vooral als er wat is, ja?
Natuurlijk.
Eigenlijk zou ze zich, na het gesprek met haar moeder, gerustgesteld moeten voelen, maar in haar borst blijft het onrustige gevoel steken.
Ze begrijpt niet goed waar het vandaan komt. Want eigenlijk heeft ze geen reden tot zorg.
Al kan er bij haar werk van alles gebeuren. Zeker op maandagen, en die staan in Nederland ook niet bepaald bekend als makkelijk.
Ze slurpt haar koffie leeg, kijkt snel op de klok half zeven is het, haast zich in haar blouse, neemt haar lunchpakket en vertrekt naar haar werk.
*****
Op het terrein van de ambulancestandplaats zwaait Nikolaas de Boer, de chauffeur voor haar dienst van vandaag, haar vrolijk toe. Daphne begroet hem met een slaperig knikje.
Daph, waarom kijk je zo sip? grijnst Nikolaas en steekt zijn sigaret aan. Wat is er gebeurd?
Niets, Nik. Nog niets… Maar het voelt alsof er iets zit aan te komen, antwoordt ze peinzend.
Jeetje, dat klinkt niet best, zegt Nikolaas. Waarom zulke gedachten meteen bij het opstaan? Heb je slecht geslapen?
Daphne zwijgt.
Haar blik dwaalt naar boven. De lucht is grauw, dichtgetrokken met wolken. Binnenkort barst de bui los.
Regen, daar houdt ze al haar hele leven niet van
Misschien is dat het gewoon, de regen die eraan komt. Geen echt voorgevoel, maar een simpel rotbui, bedenkt Daphne, en ze glimlacht opgelucht bij deze constatering.
Dat gevoel van onheil kruipt echter direct terug.
Fijne dienst, collegas! roept een jong meisje, voorbijrennend.
Nikolaas verslikt zich in zijn rook en steekt demonstratief zijn vuist omhoog. De jonge collega schrikt en knippert snel met haar ogen.
Och jee, sorry, ik was het helemaal vergeten, zegt ze beschaamd.
Ze is net vorige week aangenomen als ambulanceverpleegkundige, en moet nog leren nooit een fijne dienst te wensen aan het begin van een shift.
Dat brengt ongeluk, is de bijgelovige regel.
Nu gaat er dus zeker iets gebeuren, fluistert Daphne nauwelijks hoorbaar, terwijl een rilling haar rug oploopt.
Toe nou bromt Nikolaas, terwijl hij zijn peuk dooft in de ijzeren bak.
*****
Daphne bijt telkens zenuwachtig op haar lip wanneer de centralist via de tablet een nieuw adres binnenstuurt, en door de intercom meldingen van spoedmeldingen doet:
Man, 35 jaar, klaagt over hevige hoofdpijn. Lijkt dubbele tong te hebben, mogelijk een CVA.
Dat kan ik er ook nog wel bij hebben zucht Daphne in zichzelf. Ja, ambulancepersoneel moet op alles voorbereid zijn, maar
Ze neemt elke melding persoonlijk mee en leeft erg mee, vooral wanneer iemand in levensgevaar is. Bij een beroerte kan het immers zo misgaan.
En zeker vandaag
Gelukkig blijkt bij aankomst bij de patiënt dat er geen sprake is van een beroerte.
Meneer spreekt onsamenhangend omdat hij tot diep in de nacht het verjaardagsfeest van een vriend heeft gevierd de hoofdpijn is duidelijk katervocht. Daphne geeft hem een paracetamol en drukt hem op het hart wat rust te nemen.
En als ik nou een biertje neem, helpt dat? vraagt de man hoopvol, hoofd in de handen.
Absoluut niet! Daar wordt het alleen maar erger van. Wil je lang en gelukkig leven, dan is het beter om geen alcohol meer te drinken.
Op de gang haalt Daphne opgelucht adem; gelukkig niets ernstigs.
Misschien heeft Nikolaas toch gelijk en is dat nare gevoel dat ik vanochtend had, gewoon het gevolg van chronische vermoeidheid en de emotionele belasting van het werk? denkt ze, net wanneer de centralist haar naar de begraafplaats stuurt
Wáár naartoe? vraagt Nikolaas verbaasd.
De begraafplaats, antwoordt Daphne zacht, terwijl ze haar vingers om de tablet klemt.
Daar wordt vandaag een beroemde zanger, uit Rotterdam afkomstig (eigenaardig genoeg zegt de naam Daphne niets), begraven.
Er zijn veel mensen.
Jong, oud, man, vrouw. Sommigen staan zwijgend met tulpen in hun hand, anderen huilen stil. Sommigen halen warme herinneringen op aan de overledene.
Daphne staat steeds paraat, het gevoel houdend dat er elk moment iets mis kan gaan. Nikolaas rookt de ene sigaret na de andere.
Er gebeurt niets. Niemand heeft hun hulp nodig.
Daarna volgen nog wat meldingen, maar alles blijkt routine en bijna dagelijkse kost.
Zo verstrijken er bijna twaalf uur en komt het eind van de dienst in zicht. Nog een minuutje of tien en de rit naar de eigen standplaats kan beginnen.
In gedachten droomt Daphne al van een douche en direct haar bed in duiken. Morgen een nieuwe dag, hopelijk met een beter humeur.
Voor de zekerheid belt Daphne voor de zoveelste keer haar moeder.
Nog alles goed? vraagt ze.
Ja hoor, schat. Ik ga zo eten en dan lekker tv kijken, klinkt het vertrouwde antwoord.
Alles oke met je moeder? vraagt Nikolaas terwijl Daphne haar mobiel opbergt.
Alles goed.
Zie je nou wel! lacht Nikolaas breed. Ik zei toch dat er niets naars zou gebeuren vandaag? Maar jij blijft maar malen: slecht voorgevoel, slecht voorgevoel
Ik voel het gek genoeg nog steeds, Nik Ik snap gewoon niet wat me zo onrustig maakt.
Je moet eigenlijk een huisdier nemen, stelt Nikolaas voor. Daar word je rustig van.
Serieus?
Zeker! Mijn kater Mees is mn beste vriend. Zodra ik thuis ben springt-ie bij me op schoot, gaat spinnen, en alles wat zwaar voelt verdwijnt. Ik slaap dan altijd als een blok.
Nik, met mijn onregelmatige diensten kan dat niet. Wie zorgt er dan voor het beestje als ik weer 24 uur weg ben? Jij hebt een vrouw, kinderen. Ik woon alleen.
Daphne wil nog wat zeggen, maar dan schiet een nieuwe melding over de tablet. De centralist meldt zich:
Sorry Daphne, je dienst is nog niet afgelopen. Je krijgt nog één laatste oproep. Laan van Poelgeest 23, appartement momentje
Niet toevallig nummer 48?
Ja Daphne, precies 48. Hoe weet je dat? vraagt de centralist.
Daar woont meneer Van Vliet. Ik kom er bijna wekelijks. Weer hartklachten?
Daphne hoort de centralist hoorbaar zuchten, en voelt haar maag samentrekken.
Hij is overleden, Daphne Vanochtend waarschijnlijk al. Politie is ter plaatse, jullie moeten erbij zijn, je weet wel waarom
Ik weet het prevelt Daphne.
Haar handen trillen als ze de tablet op haar schoot legt en naar Nikolaas kijkt. Die heeft alles gehoord, maar zwijgt.
Dan zegt hij zacht:
Wat jammer van meneer Van Vliet. Volgens mij, zoals jij hem altijd beschreef een goede vent. Maar Daph, dit is niet jouw schuld. Jij hebt hem vaak genoeg gevraagd naar het ziekenhuis te gaan maar hij wilde niet Daar kun jij niks aan doen, snap je?
Ja
Daphne leunt achterover met gesloten ogen en verdwijnt even in haar eigen gedachten.
*****
Ze leerde meneer Van Vliet anderhalve maand geleden kennen. Hij had zelf 112 gebeld vanwege hevige pijn op de borst.
De deur is niet op slot, jullie kunnen zo binnen, zei de centralist destijds.
Toen Daphne over de drempel stapte, kwam een piepkleine pup haar tegemoet rennen. Echt zo klein dat hij in haar hand paste.
Eerst bromde hij naar haar alsof ze ongewenst was, toen blafte hij luid. Pas toen het baasje hem riep, rende het beestje met kwispelende staart de kamer in.
Gevonden op straat, nu is hij mijn beschermer, glimlacht meneer Van Vliet terwijl hij voorzichtig uit bed probeert op te staan.
Blijf maar liggen, maant Daphne. Wat een leuk hondje. Had ik er plaats voor, dan nam ik er ook een.
Waarom niet dan?
Redenen genoeg. Maar meneer Van Vliet, laten we het over u hebben. Hoe lang al klachten, en bent u onder behandeling?
Hij vertelt alles eerlijk. Zijn hartproblemen begonnen na het overlijden van zijn vrouw, een jaar geleden. Eerst liep hij nog bij de huisarts, maar echt geholpen was hij niet.
Weet u, als ik daar bij de huisarts in de wacht rij sta, voel ik mij alleen maar beroerder. En de pijn die komt en gaat.
Kunt u die pijn omschrijven?
Niet echt. Meestal helpt wat druppels valeriaan, soms een pilletje. Dan houdt het weer op.
Dat is geen oplossing, glimlacht Daphne. Weet u wat, ik maak even een hartfilmpje.
De ECG bevestigt hartklachten, en Daphne stelt voor hem op te nemen in het ziekenhuis. Maar resoluut weigert hij.
En wie zorgt er dan voor Boef? vraagt hij.
Het helpt u maar kort, meneer Van Vliet. Wilt u echt niet mee?
Uw collegas voor u deden dat ook altijd. Kijk maar: ik leef nog steeds. En naar het ziekenhuis wil ik niet. Schrijf desnoods een verklaring van weigering.
Welke poging ze ook deed, meneer Van Vliet bleef weigeren de keren daarna net zo.
Vanaf dat moment reed bijna altijd Daphne op zijn meldingen. De meldingen werden frequenter, wel wekelijks.
Het was nooit zo erg, maar nu stopt de pijn niet meer.
Omdat u geen behandeling krijgt. Probeert u het ziekenhuis niet eens? Misschien kan ik u overhalen
Sorry Daphne, ik kan Boef niet alleen laten Hij is nog zo klein.
Maar als er iets met u gebeurt, wie zorgt er dan voor hem?
Dat gebeurt niet! En als dan zijn er vast goede mensen die zich ontfermen. Ik heb mijn buurvrouw Marijke gevraagd om voor Boef te zorgen, en uitgelegd waar het geld voor voer ligt.
Geld apart gelegd? Waarvoor?
Tja, honden kosten geld. Niet iedereen kan zon beest betalen. Daarom
Een goed mens.
En nu gaat Daphne weer naar meneer Van Vliet maar deze keer kan ze geen goed gesprek meer voeren. Jammer
Het laatste bezoek blijkt inderdaad het laatste.
En eerlijk gezegd vindt Daphne dat Nikolaas ongelijk heeft. Dit voelt toch als schuld. Had ze hem maar kunnen overtuigen naar het ziekenhuis te gaan. Had ze maar
Daph, we zijn er.
Wat? Ze merkt pas Nikolaas hand op haar schouder als hij haar aanspreekt.
We zijn er. Kom je?
Met lood in haar benen gaat Daphne de trap op, door naar de derde verdieping en de flat van meneer Van Vliet, waar inmiddels de wijkagent en buurvrouw Marijke al zijn beiden inmiddels bekend.
Toen Van Vliet ooit een keer buiten ineen zakte met Boef op schoot, belde Marijke 112. Toen leerden ze elkaar kennen.
Hallo Daphne.
Dag Marijke, zegt ze zacht. Jij hebt zeker de politie gebeld?
Ja, wie anders? Boef blafte zo hard vanmorgen. Ik vond het al vreemd dat meneer Van Vliet niet naar buiten kwam met hem. Maar dacht, zal wel humeur zijn.
En toen?
Toen moest ik weg. Naar de volkstuin. Pas vanavond terug. En toen blafte dat hondje nog steeds. Dus politie gebeld. De wijkagent kwam met een monteur van de woningbouwvereniging, hebben de deur open gemaakt, en toen ze wijst richting slaapkamer.
Dank je wel, Marijke.
Daphne loopt de slaapkamer in, kijkt lang naar meneer Van Vliet, doet haar werk onderdrukt haar tranen. Schrijft het rapport en dan ineens
herinnert ze zich iets, speurt snel de woning door, keuken, badkamer, zelfs het balkon.
Zoek je iets? vraagt de wijkagent oplettend.
De pup Waar is Boef? Heeft u hem gezien?
Donkerbruin, toch? Jawel, was hier voortdurend aan het blaffen en rondrennen. Maar ik geloof dat de buurvrouw hem meegenomen heeft.
Gelukkig maar! ademt Daphne opgelucht.
Want stel dat Boef buiten zou zijn beland Meneer Van Vliet hield van dat beestje, hij zou zich omdraaien in zijn graf als het hondje was afgestaan.
Na haar afscheid besluit Daphne aan te bellen bij Marijke, die zich inmiddels weer uit de voeten had gemaakt.
Daphne? Marijke kijkt verbaasd. Is er iets?
Ik wilde u alleen bedanken dat u Boef op zich hebt genomen. Hoe maakt hij het?
Wie?
Boef de pup. U heeft hem toch?
Oh, dat beestje? Nee joh, hij is niet bij mij.
De wijkagent zei dat u hem meegenomen had.
Ja, mee naar buiten, omdat hij zo bleef blaffen. Daarna heb ik hem gewoon op straat laten lopen. Vond het zielig om hem in het flatje te laten nu de baas dood is. En die herrie Mijn hoofd barstte zowat uit elkaar.
U heeft hem buiten gezet?
Niet buitengezet, gewoon laten lopen. Die komt er wel uit, hoor. Er zijn vast lieve mensen. Weet je, Daphne, ik weet niks van afspraken met meneer Van Vliet, laat staan geld. Sorry, maar ik moet echt weer verder. Een hond wil altijd overleven, komt goed.
*****
Daphne wurmt zich snel de trap af, rent naar buiten, inmiddels is de regen losgebarsten.
Fijne miezer verandert terwijl ze haar schoenen nat laat regenen in dikke, koude druppels.
Daphne, kom, wat sta je daar? Straks ben je doorweekt! roept Nikolaas.
Daphne opent de autodeur, legt haar dokterstas op de achterbank, maar
trekt hem weer dicht.
Daph, wat is er? Nikolaas stapt uit, begrijpt er niets van.
Nik, ga jij maar alvast naar de standplaats. Ik moet nog iets doen.
Wat dan?
Ik moet Boef vinden.
Welke Boef? vraagt Nikolaas. Leg uit, alsjeblieft.
In een paar zinnen vat Daphne samen wat er gebeurd is. Nikolaas steekt een sigaret op en luistert.
Boef is vast nog dichtbij. Jij naar huis? Geen sprake van. We zoeken samen.
Nikolaas trapt zijn peuk uit en recht zijn rug: Hier blijven we tot hij gevonden is. Het wordt al donker, laat je niet alleen.
Tien minuten lang speuren de arts en chauffeur het hele binnenplein af op zoek naar de pup, die in rook lijkt opgegaan. Dan komt de wijkagent eraan, sluit zich zonder aarzelen bij hen aan.
Gevonden! roept Nikolaas na een tijdje en Daphne snelt op het geluid af.
Ook de wijkagent komt eraan. Nikolaas staat gebogen bij een bankje, recht tegenover de flat van meneer Van Vliet.
Moet je die zien. Ik vind hem, en in plaats van dank je gromt hij naar me! grapt Nikolaas tegen het hondje onder het bankje.
Daphne zucht opgelucht. Onder de bank schuilt inderdaad Boef.
En inderdaad, hij gromt naar de chauffeur en houdt iedereen van zich af.
Boef, lieverd! snikt Daphne opgelucht, tranen vermengd met regen onzichtbaar op haar gezicht. Herken je me nog, jongen?
Natuurlijk herkent hij haar. Deze vrouw bracht altijd wat lekkers mee als ze op bezoek kwam bij zijn baas.
Voorzichtig schuifelt hij onder het bankje vandaan, kijkt Daphne aan met rooie natte ogen en piept zacht.
Ik weet het, jongen Meneer Van Vliet is weg. We zullen hem missen.
Nikolaas draait zich discreet weg. Ook de wijkagent wendt zijn blik af, mannen in uniform huilen immers niet.
Ik kan je baas niet vervangen, Boef, maar ik kan mijn best doen. Ga je mee met mij?
En Boef gaat.
Want hij vertrouwt Daphne ze is een goed mens, ze doet hem niets kwaad.
En bovendien ook Boef houdt niet van regen.
*****
In het begin vreest Daphne dat het misschien niet zal lukken met de zorg. Maar haar moeder schiet te hulp.
Wanneer Daphne een nachtdienst heeft, komt Corrie van der Linden naar haar huis om Boef te voeren en uit te laten.
Op haar vrije dag trekken ze met zijn drietjes door het Vondelpark Daphne, haar moeder en Boef.
Daphne heeft er geen moment spijt van gehad dat ze dit kleine, door niemand gewilde beestje heeft meegenomen.
Want haar leven heeft ineens weer betekenis, en ze begrijpt meneer Van Vliet beter dan ooit al keurt ze hem als arts af voor zijn zorgmijding.
En na verloop van tijd groeit haar eigen kleine familie.
Zelfs de wijkagent die haar ontmoette in de flat van meneer Van Vliet en actief meehielp zoeken naar Boef wordt een vertrouwd gezicht. Daphne viel hem meteen op, al waren de omstandigheden van hun eerste ontmoeting uiterst wrang.
Als Wouter zo heet de wijkagent op een dag aanbelt met een bos bloemen, wordt hij begroet door Boef. De pup snuffelt aan hem, kijkt aandachtig omhoog en besluit na een paar seconden met een blije blaf: Goedgekeurd.
Zo weet Boef: zijn nieuwe baasje is veilig. En dat nieuwe geluk waar Daphne al zo lang naar verlangt, mag eindelijk binnenkomen.







