De Laatste Straal Licht

Laatste zonnestraal

Vandaag heb ik opnieuw aan het einde van mijn dienst, toen ik mijn kamer op slot draaide, stilgestaan in het lege ziekenhuisgang. Al mijn collegas, patiënten en zelfs de schoonmaaksters keken altijd naar me de mannen met nieuwsgierigheid, de vrouwen met een tikkeltje afgunst. Misschien stond het witte doktersjasje me goed, ik ben slank en donkerogig, mijn haar altijd stijlvol opgestoken, en mijn gesteven kapje gaf me zelfs wat extra lengte. Misschien zijn het mijn zachte voetstappen op de hakken, waardoor zelfs het geluid van mijn hakjes de mensen niet ergerde. Iedereen schatte dat ik rond de vijfveertig ben, maar niemand weet precies hoe oud ik werkelijk ben. Ik, Dineke van der Laan, hoofd van de interne afdeling, heb de reputatie streng en compromisloos te zijn. Zelfs mijn collegas en patiënten hebben een zekere schroom in mijn nabijheid.

De mannelijke patiënten en collegas deden hun best: uitnodigingen voor een wandeling langs de Amstel, doosjes bonbons, bossen tulpen. Maar zodra ik ze strak aankeek, verstijfden ze, soms nog voordat ze een woord hadden gezegd. Er gaan zoveel geruchten over mij: dat ik ooit een grote liefde kende waar een dramatisch einde aan kwam, dat mijn man verdronken is in de Noordzee, dat ik zelfs een kind verloren heb Niemand weet wat waar is, niemand vraagt er ook werkelijk naar. Zeker is alleen dat ik altijd alleen naar huis ga, weinig mensen dichtbij laat komen, en geen echte vriendschappen in het ziekenhuis heb. Toch noemt niemand me echt naar of bits.

Vroeger was ik tot over mijn oren verliefd op mijn jaargenoot, Joris van der Laan. Voor hem ademde ik, alles draaide om hem. Maar zon trouwe, opofferende liefde was hem te veel. Hij werd verleid door een ander en ik bleef achter met een gebroken hart. Sindsdien heb ik niemand meer toegelaten tot dat hart. Misschien hield ik nog steeds van Joris, misschien was het de angst om opnieuw verraden te worden.

Ik stopte bij de balie van de verpleegkundigen.
Vera, mag ik het dossier van de heer de Koning uit kamer vijf? Dan maak ik alvast zijn ontslagbrief, morgen mag hij naar huis. Met het mapje stevig tegen me aan liep ik terug naar kantoor. Terwijl ik op de computer de ontslaggegevens invulde, dacht ik: Mooi, weer een man opgekalefaterd. Nu hangt het slechts van zijn eigen wilskracht en gezondheid af wanneer we elkaar opnieuw ontmoeten.

De klok wees half vijf aan, nog dertig minuten tot mijn dienst erop zat. Ik liep de gang weer in, draaide de deur op slot. Helemaal aan het eind van de corridor stond een vrouw zacht in haar telefoon te praten, met haar rug naar het raam. Ik ving flarden van haar gesprek op die me verbaasden:
Nee, hij is niet overleden. Zo springlevend als je maar zijn kan. Word nou niet boos, ik zei toch alleen dat… Wat maakt het uit? Denk je dat hij het niet doorhad? Tot vanavond, dan praten we verder. Ze borg haar telefoon op en liep haastig naar het trappenhuis.

Ik liep naar kamer vijf. Normaal had ik wel iets gezegd als ik zag dat alle bedden leeg waren een opmerking over het roken buiten bijvoorbeeld , maar de rug van één man, gespannen naar het raam gekeerd, hield me stil.

Meneer de Koning, morgen begon ik, maar toen hij zijn hoofd draaide en ik de pijn en verslagenheid in zijn ogen zag, stokte mijn stem.

Wat is er? Ik ging aan het voeteneind zitten om hem niet te overmeesteren. Heeft u ergens pijn?

Kunt u me niet gewoon hier houden? Ik ik heb geen plek om heen te gaan, bracht hij er schor uit.

Zijn bed is al vergeven, zijn vrouw heeft inmiddels een ander mee naar huis genomen, klonk het stil uit de hoek waar meneer Jansen op zijn bed lag. Ze zei letterlijk: De show is voorbij. Ik hoor nu bij een ander en blijf hem altijd trouw.

Is het waar? vroeg ik zacht.

Dit was dus waar die vrouw bij het raam over sprak. In de hoop dat haar man zou sterven, maar toen dat niet gebeurde, liet ze hem alsnog vallen.

Ivan de Koning, een forse zestiger met grijzend haar en vermoeide ogen, keek uit het raam en klemde zijn kaken op elkaar.

Ik tuurde ook naar buiten. Het was laat in april. De knoppen aan de kale takken in de binnentuin van het ziekenhuis stonden op barsten. Maar uit de grauwe lucht kon op elk moment een onverwachte sneeuwbui vallen; zon was er vandaag niet.

Echt nergens heen? Geen vrienden, familie? vroeg ik hem.

Kinderen hebben hun eigen leven. Maximaal een nacht, misschien twee logeren, maar daarna? Hoe moet ik op mijn leeftijd nou overal logeren. Ik wist dat ze met een ander bezig was Dacht dat het wel over zou waaien.

Een paar dagen extra hier helpt u niet verder, en we hebben die bedden echt nodig voor anderen, zei ik, en dacht even na. Maar weet u wat? Mijn moeders huisje op het platteland, tachtig kilometer buiten Amsterdam, staat leeg. De weg is goed, het huis degelijk maar het heeft wel een paar sterke handen en onderhoud nodig. Als u wilt, breng ik morgen een sleutel en uitleg, en kunt u daar terecht. Nee, niet tegensputteren nu. Ik liep de kamer uit, hem geen kans gevend om te weigeren.

Nou ja zeg! riep meneer Jansen uit de hoek, je lijkt streng, maar wat ben jij eigenlijk een mooi mens. Niet twijfelen, Ivan, zon vrouw als jouw poes kom je nooit meer tegen.

De meidoorn was uitgebloeid en de frisse bries maakte plaats voor warme dagen. Die zondagochtend stapte ik in mijn Volvo en reed naar het huis, benieuwd hoe Ivan het ervan af had gebracht.

Het verbaasde me eerlijk hoe vrolijk het huis erbij lag. De kozijnen waren felblauw geschilderd, het dak zichtbaaar gerepareerd. Op de houten stoep glom een nieuwe trede, waar eens een kapotte zat. Ivan kwam naar buiten, op blote voeten, in een oude spijkerbroek en T-shirt met rechte schouders en een bruine kop. Geen spoor meer van de gebroken man uit het ziekenhuis. Hij zag eruit alsof het leven weer in hem zat.

Goedemiddag, glimlachte ik. Alles naar wens? Niemand lastiggevallen?

Wie zou dat moeten doen? Drie oude dames zijn in hun nopjes dat er nog iemand in het dorp woont, en de recreanten zitten in hun eigen tuinen.

De lucht hier doet u goed, en het klussen blijkbaar ook. Ik bleef naast mijn auto staan, geen aanstalten makend om binnen te komen.

Mijn oude werk Ach, niks om over te klagen. Ooit uit dienst gegaan bij Defensie, besefte dat ik alleen soldaten marcheren kon leren. Ben daarna bewaker geweest. Mijn AOW is prima, nietwaar. Hij lachte voorzichtig.

Nou, ik wil wel zien hoe u het heeft ingericht. Eindelijk sloot ik de autodeur en liep het pad op.

Wat stom van me, sloeg hij zichzelf op het voorhoofd. Van schrik vergat ik je uit te nodigen, sorry hoor. Hij zwaaide uitnodigend de deur naar de woonkamer open.

Een zee van gesponnen zonlicht speelde over de ouderwetse, geweven kleedjes op de houten vloer. Geraniums stonden op het vensterbankje huiverend in het licht. De oude wandklok tikte gemoedelijk.

Die geraniums kreeg ik van mevrouw de Wit, achteraan in het dorp. Het geeft zoveel sfeer, vind je niet? vroeg Ivan een beetje beschaamd.

En wat ruikt het hier lekker naar eten? Ik keek hem vragend aan.

Heb Hollandse groentesoep gemaakt in de oven, met aardappeltjes. Wil je ook? Ivan werd ineens zenuwachtig maar blij, denk ik omdat hij voor het eerst een glimlach van mij zag. Koken was nooit mijn sterkste kant, hoor. Nog nooit zo lang op het platteland gezeten. Gelukkig heb ik hulp gekregen van de buurvrouwen; soms was alles half rauw, soms zwart van de rook, grinnikte hij.

De sfeer overviel me. Plots was ik jong, bij oma… Sinds mijn moeders overlijden was ik hier niet meer geweest. Ik kon het huis niet verkopen, te veel herinneringen. Dit huis, het huis van mijn oma en opa, bleef gewoon bestaan. Mijn moeder verbleef er zomers, tot de winter haar terugbracht naar Amsterdam. En nu was ook zij er niet meer.

Ik dacht terug aan die ritten naar de stad, auto vol met potten augurken, jam, paddenstoelen. Hele winter aten we daarvan herinneringen aan de zomer, aan mama Hoe lang geleden was dat?

Zeg het gerust, hoe lang mag ik hier eigenlijk blijven? vroeg Ivan schuchter.

Zo lang u wilt. Ik ben hier zelf minstens tien jaar niet geweest. Ik kan het niet meer, de tuin bijhouden en de boel verzorgen. Ik keek verlegen op mijn voeten, maar Ivan zei wijs niets.

Oh ja, ik heb boodschappen voor u meegenomen! riep ik, en snelde naar mijn auto.

Ik hoorde hem diep ademhalen. Voor het eerst zag hij me zonder jas en kapje, in een luchtig, zomers jurkje. Mijn haar losjes vastgemaakt. Ik voelde me zelf ook anders, alsof mijn schilden wegvielen.

Ik ging pas weg toen de avond viel, mijn parfum zweefde door het huis. Ivan belde daarna aan alles wat ik had aangeraakt zijn hoofd was onrustig, maar zijn hart, dat al zo lang stil had gestaan, klopte weer. En wat vreemd: ergens was hij zelfs dankbaar dat zijn vrouw hem had verlaten.

Twee maanden later kwam ik opnieuw langs met boodschappen en een nieuwe hengel voor zijn favoriete stek bij het slootje. Hij had het hek gerepareerd, iets waar zelfs een buurvrouw uit het volgende dorp voor langs kwam in ruil voor melk, yoghurt, eieren… Het huis was nu echt bewoond, zag er trots uit, alsof het wilde zeggen: ik heb weer een baas!

In de winter word je hier getrakteerd op zelfgemaakte augurken! lachte Ivan. Hij was duidelijk fitter, zijn buik verdwenen. We voelden ons allebei een beetje ongemakkelijk onder elkaars blik.

De zon zakte, alles kleurde oranje van het laatste daglicht. Ineens sprong Ivan op en rende naar buiten.

Ik liep door het huis dat nu rook naar iemand anders, gevuld was met zijn spullen. Toen ik hem te lang niet hoorde, liep ik naar de tuin. Daar zat Ivan op de grond, leunend tegen de schutting.

Ivan! Ik rende naar hem toe, boog op mijn knieën. Zijn pols was zwak en onregelmatig. Ik holde naar mijn auto voor de EHBO-set, vergat onderweg een glas water mee te nemen, dus moest ik terug. Mijn lichte jurk wapperde rond mijn benen terwijl ik weer naar buiten stoof.

Had je maar een spuit… dacht ik. Ik stak een pilletje in zijn mond, gaf hem water.

Na een kwartiertje kwam hij weer bij, samen gingen we het huis in en hielp ik hem op het bed.

Gewoon te lang in de zon gezeten. Wilde je nog wat augurken meegeven… Blijf je? Wil je alsjeblieft blijven? vroeg Ivan stil, en sprak me ineens met je aan.

Ik keek hem aan, twijfelde. Hij boog zijn hoofd tegen mijn buik, licht jammerend.

Geluk Je wacht, zoekt, vraagt je af of je het kwijtbent, of het misschien een verkeerde afslag nam… Je bent gewend geraakt aan alleen leven, zonder angst voor verraad of verlies. Maar plotseling kruist jouw pad dat van een ander, en soms blijf je samen lopen.

En liefde? Die kan veranderen. Vroeger was het vuriger, onstuimig, met het verlangen iemand voor altijd voor jezelf te houden. Nu is het kalmer, gemoedelijk als de laatste zonnestraal van de dag nog warm, maar vol rust en acceptatie.

Misschien, heel misschien, was dit toch het begin van een nieuw hoofdstuk.

Please rate
Bagattia News
De Laatste Straal Licht