De Laatste Dans

Laatste dans

Weet je, ik stond laatst voor de deur van een kamer in een verpleeghuis, en ik bleef maar twijfelen of ik naar binnen moest. Mijn schouders stonden al bijna automatisch omhoog, zon gewoonte waar ik in vierendertig jaar maar niet vanaf kom. In het dossier stond: Arend van Riet, eenentachtig jaar, beroerte gehad, verlamd aan beide benen.

Weer zon naam. Weer iemand in een rolstoel. Nu werk ik al drie jaar in zorgcentrum De Dennenhorst in Amersfoort, en ja, elke maandag begint hetzelfde: een nieuwe kamer, een nieuw dossier, handschoenen aan, je stem neutraal houden. Je leert wel om niemand te dichtbij te laten komen. Mijn allereerste patiënt was Geertje van Loon, tweeënzeventig, heupfractuur. Drie maanden later kreeg ze een longontsteking, is ze overleden. Ik heb toen twee nachten niet geslapen. Daarna wist ik: als ik me elke keer zo laat raken, hou ik het geen jaar vol. Dus ben ik gezichten vergeten.

Maar die kamer voelde toch anders.

Aan de muur tegenover het bed hing een oude zwart-witfoto in zon zware houten lijst. Een jonge man in een smoking, uitgestoken arm, zijn lijf wijd open. Naast hem een vrouw in een jurk met zwierige rok, achterover gebogen het leek of ze elk moment kon vallen, maar zijn hand hield haar stevig vast. Je zag het licht van de parketvloer glimmen onder hun voeten.

Toen keek ik naar de man in de rolstoel. Hij keek me recht aan. Niet naar mijn handen of mn naamkaartje gewoon recht in mijn ogen.

Ben jij Saskia van Dijk?, vroeg hij. Die stem was laag en wat schor, en elk woord sprak hij alsof hij het er eigenlijk eerst over had nagedacht.

“Ja, ik ben uw nieuwe fysiotherapeut.”

“Nieuw,” herhaalde hij. Hij tilde zijn rechterarm iets op. Lange vingers, knokkels een beetje opgezet, maakten een cirkel in de lucht. Ga zitten, Saskia. Ze zeiden dat je streng was. Dat is goed.

Ik zette mijn tas neer en ging naast zijn nachtkastje zitten. Op het kastje stond iets dat ik alleen uit oude films kende: houten kastje, koperen plaatje dat heen en weer tikt, cijferwijzer erop.

Is dat een metronoom? vroeg ik.

Ja, een Wittner, uit 1962, antwoordde Arend, uit Duitsland. Heb ik gekregen van mijn dansleraar toen ik mijn eerste provinciale wedstrijd won.

Hij zei niet welke wedstrijd. Maar die foto vertelde genoeg.

Ik pakte het dossier erbij en begon aan het standaardonderzoek. Bovenlichaam beweging beperkt maar aanwezig. Handen nog redelijk in orde. Benen niks. Helemaal niks. De beroerte had alles weggeslagen, in één klap.

We gaan werken aan uw armen en schouders, zei ik. Drie keer per week. Maandag, woensdag en vrijdag.

En dansen dan? vroeg hij, alsof het over een kopje thee ging.

Ik keek op.

Wat bedoelt u?

Nee. Nog niet. Laat eerst maar eens zien wat je kunt. Dan praten we verder.

Hij glimlachte alleen met zijn lippen, geen tanden te zien. Maar zijn ogen, daar was iets in wat ik bij geen enkele patiënt eerder gezien had. Niet hoop, niet smeken. Berekening.

Op de terugweg schreef ik op het rooster: A. van Riet ma, wo, vr, 10.00u. En weet je, het was de eerste naam in drie jaar die ik na één keer onthouden had.

***

Na een week kende ik hem wel redelijk.

Arend van Riet. Kampioen ballroomdansen van Nederland, ergens begin jaren zeventig. Hij was toen vijfentwintig net als op die foto dus. Hij danste tot 95, tot zn knie niet meer wilde. Daarna ging hij lesgeven. Toen met pensioen. Toe stierf zn vrouw. Dochter verhuisde naar Canada. En toen het verzorgingshuis.

Twee jaar woonde hij daar. Het eerste jaar liep hij nog wel. Tweede jaar niet meer.

Zijn dochter belde maandelijks. Hij nam altijd vriendelijk op, nooit geëmmer. Legde de telefoon weer neer en keek dan twintig minuten uit het raam, had hoofdverpleegkundige Josefine mij verteld. Zij weet alles van alle cliënten. Ruim dertig jaar doet ze dat al.

Van Riet is niet als de rest, zei ze zonder op te kijken. Hij klaagt niet, hij zeurt niet, hij vraagt niks extras. Maar hij heeft zich ook niet neergelegd bij alles. Anderen berusten. Hij wacht op iets.

Ik vroeg niet waar hij op wachtte.

Bij de oefening deed hij alles precies zoals het moest. Hij vroeg nooit om pauze. Klagen deed hij ook niet. Maar telkens als ik zijn handen masseerde, bewogen zijn vingers als vanzelf. Niet krampachtig, maar ritmisch. Alsof ze iets deden wat de rest van zijn lijf vergeten was.

Woensdag zette ik voor het gemak muziek aan via mijn telefoon. Gewoon wat vulling moest papieren invullen. Er klonk een wals, Strauss denk ik.

Arend verstijfde. Zijn rechterarm kwam omhoog.

Niet schokkerig, niet stijf soepel, als een vogelvleugel. Vingers spreidden zich, zijn hand draaide. En daar ging hij: een onzichtbare partner leiden. Met zijn armen. Zittend in de rolstoel, geen enkele spier onder zijn middel die mee kon.

Ik stopte met schrijven.

Het was mooi. Eerlijk waar. Niet schattig voor zijn leeftijd of zielig voor een zieke. Het was echt mooi. Zijn handen wisten precies wat ze deden. Al zesenvijftig jaar leidde die handen vrouwen over parket, en nu in deze kamer, terwijl de dennen buiten stonden, bleven ze doorgaan.

Toen de muziek ophield, liet hij zijn arm zakken en keek me aan.

Jij hebt nooit gedanst, zei hij. Geen vraag, een feit.

Klopt. Nooit gedaan.

Nooit gedaan, herhaalde hij, of nooit iemand die het je leerde?

Ik zei niks. Hoefde ook niet, want hij ging zelf verder.

Ik was veertien, mn moeder sleepte me naar de dansschool. Ik wilde niet de jongens uit de buurt voetbalden, ik stond in een zaaltje vol spiegels en parket. Drie keer ben ik weggelopen. De vierde keer zei de leraar: Jij wordt goed, want jij bent koppig. En toen ben ik gebleven. Niet vanwege de dans koppigheid.

Hij was even stil. Zijn vingers maakten een korte boog zijn vaste tikje, herken ik nu.

Pas later ben ik gaan houden van dansen. Eerst was het alleen doorzetten.

Bij de wals weet je in de eerste drie seconden al of je partner het kan. Zijn hand ligt op je schouderblad en dan weet je: als hij het snapt, ontspan je. Zo niet, dan blijft je lijf in de weerstand. Jij zit altijd in de weerstand, Saskia. Dat zie ik aan je schouders.

Mijn schouders, ja. Net te hoog, altijd beetje naar voren. Van jongs af aan. Vader dronk, moeder was weg toen ik zes was. Altijd op je hoede, altijd schouders omhoog, wachten op de klap. Niet fysiek, gewoon élke klap.

Ik ben fysiotherapeut, zei ik. Geen danspartner.

Nu nog niet.

Bij het volgende consult, vrijdag, werkte ik aan zijn schouders cirkels, verspreiden, tegen de weerstand in. Hij deed het allemaal braaf. Toen vroeg hij:

Saskia, woon jij alleen?

Ik reageerde niet. Gaf hem gewoon het volgende oefeningetje. Dat voelde hij ook wel.

Ik ook. Maar ik weet nog hoe het was toen dat niet zo was. Dat helpt. Jij hebt niets om aan terug te denken, of wel?

Toen stopte ik met bewegen. Staarde hem aan.

Arend, we zijn hier niet voor praatjes.

Natuurlijk niet. Voor schouders zijn we hier.

En toch vroeg hij het.

Heel direct, zonder aankondiging.

Wil je met mij dansen, Saskia? Één keer. Ik leid, met mijn handen. Jouw benen doen de rest.

Ik legde een handdoek op het bed.

Arend, dat kan niet.

Waarom niet?

Omdat ik niet kan dansen. Nooit gekund. Nooit de kans gehad: geen clubs, geen lessen, geen schoolfeestjes. Het kwam er gewoon niet van.

Hij knikte.

Ik weet het. Daarom vraag ik het je juist.

En het mag ook eigenlijk niet. Ik mag je niet tillen, mag geen extra risicos nemen.

Je hoeft me niet te tillen. Ik blijf zitten. Jij staat naast me. Ik houd jouw hand vast en laat je voelen waar je heen moet stappen. Drie minuten.

Nee, zei ik. Sorry.

Hij drong niet aan. Hij keek me gewoon aan, naar de foto op de muur, en zei: Denk erover na. Ik wacht wel.

***

Maandag kwam ik eerder dan anders. Mijn shift begon pas over een uur, dus zat ik in het zusterstation met een plastic bekertje thee. Josefine kwam binnen voor het logboek.

Ze loopt speciaal voeten naar buiten, grote passen. Dertig jaar is dat zo gegroeid. Een vriendin zou ik haar niet noemen, maar respect was er wel. Zij op tijd, ik op tijd. Zij eerlijk, ik eerlijk.

Je doet de therapie bij Van Riet? vroeg ze zonder op te kijken.

Ja. Sinds maart.

Heeft hij jou al iets gevraagd?

Ik zette mijn beker neer.

Een dans.

Ze sloeg het logboek dicht, keek me aan.

Hij heeft niet lang meer, Saskia. Maand, misschien twee. Zijn hart is op. Kardioloog zei het donderdag.

Mijn hand kneep die beker kapot.

Weet hij dat?

Hij wist het al voor de dokter. Zulke mensen voelen dat aan. Maar hij vraagt geen pilletje. Geen familie. Hij vraagt om een dans. Snap je het verschil?

Ik knikte. Maar het voelde zwaar.

Ik kan het niet, Josefine. Ik ga hem teleurstellen.

Ze schoof haar stoel dichterbij.

Meid, ik loop hier langer rond dan jij leeft. Zie de gekste dingen. Voor wie het doek valt, vraagt de één om een dominee, de ander wil bellen met dochter, weer een ander wil alleen dat we het raam open doen voor de lucht. Van Riet vraagt een dans. Niet voor zichzelf, voor jou. Zodat jij het nooit vergeet.

Dat snapte ik toen nog niet helemaal.

Hij heeft vijftig jaar lesgegeven aan vrouwen die dachten dat ze het niet konden. Jij hoeft alleen niet in de weg te lopen.

Ze stond op, logboek onder de arm.

Ik keek naar mijn stukgeknepen handen. Droge huid, rood van het schrobben en de handalcohol.

Arend zei: Denk maar na. Ik wacht wel.

Maar hij had niets meer om op te wachten.

s Avonds ging ik bij hem langs. Niet voor mijn werk, gewoon als mezelf. Spijkerbroek, trui, sneakers. Geen handschoenen.

Hij zat bij het raam in zijn rolstoel te kijken naar de dennen. Metroneoom stond klaar.

Arend.

Hij draaide zijn hoofd.

Ik wil het leren, zei ik. Maar ik heb tijd nodig, een week. Beloof me dat als ik het verpest, dat je niet teleurgesteld bent.

Ik ben altijd teleurgesteld, maar ik zeg niks. Deal?

Hij stak zijn hand uit zijn rechter, met die lange vingers. Niet om te schudden, maar open, uitnodigend.

Ik raakte even zijn hand aan met mijn vingertoppen. Een seconde genoeg.

Ik glimlachte niet, maar mijn schouders zaten voor het eerst ontspannen.

Deal.

Hij reed naar het kastje, pakte de metronoom, draaide hem op. Koperen plaatje ging heen en weer.

Tik. Tik. Tik.

Een-twee-drie. Een-twee-drie. Tel mee.

Dus ik telde, midden in die kamer, op sneakers, zonder muziek. Alleen cijfers en dat tikken.

Rug recht, zei hij. Kin omhoog.

Dus rechtte ik me. Stak mijn kin op.

Zo. Onthoud: een wals begint niet met de voeten. Met je ruggengraat. Als die recht is, weten je benen de weg.

Hij reikte zijn hand, palm open.

Leg je linkerhand op de mijne. Licht, niet knijpen. Gewoon leggen.

Ik deed het. Zijn hand was warm. Vingers sloten zich om mijn hand. En nu leidde hij: naar rechts.

Stap met je rechtervoet naar rechts. Klein stukje.

Ik stapte.

Linker voet erbij.

En zo gingen we door: kleine stap naar achter, beetje te groot natuurlijk.

Korter! Wals is geen mars. Je glijdt.

En weer opnieuw. Tik, tik, tik. Zijn hand leidde de mijne. Niet trekken, niet duwen. Alleen leiden. Net naar rechts dus stapje daarheen. Lichtjes naar achter of opzij dan draaiden we.

Ik stond op mijn tenen, raakte soms uit ritme, vergat de tel.

Hij bleef helemaal kalm.

Je denkt met je voeten, zei hij na tien minuten. Stop daarmee. Denk met je hand. Mijn hand weet het pad. Vertrouw erop.

Vertrouwen.

Dat kende ik niet. Vierendertig jaar deed ik alles zodat ik niemand hoefde te vertrouwen. Wonen in een huurflatje in Amersfoort, nergens fotos, geen enkele koelkastmagneet, niemand om op te leunen. Niemand die je zou kunnen laten vallen.

Maar zijn hand bleef wachten. Warm, lange vingers, met al die herinnering van parketvloeren.

Ik deed mijn ogen dicht en hield op met tellen.

Stapje. Nog een. Draaien. Zijn vingers knepen: stoppen. Iets naar links: daarheen. Ik dacht niet, gaf mezelf geen commandos rechtervoet, linkervoet. Ik volgde gewoon zijn hand.

Zo, zei hij zacht. Zo ja.

Ik deed mijn ogen open. We waren één rondje verder, ik stond precies waar ik begon.

Voor vandaag genoeg, zei hij. Hij liet mijn hand los. Morgen doen we het weer. Overmorgen ook. Over een week kun je het.

Ik knikte. Mijn keel zat dicht, bang dat ik mijn stem niet meer in bedwang had.

Dank u, bracht ik uit.

Dankjewel jij, zei hij. Voor mijn benen.

***

We oefenden elke dag na mijn werk. Ik kleedde me om en liep naar hem toe. Hij was er al bij het raam, met de metronoom tikkend.

Dinsdags leerde hij me in drietellen rekenen.

Eén is sterk, twee-en-drie zijn zacht. Op één stap je, op twee-en-drie schuif je bij.

Woensdag draaien. Bij de derde draai bijna tegen het kastje aangelopen. Arend lachte, voor het eerst. Een kastje is een slechte partner die leidt niet!

Dan weer uitleg.

Bij de wals leid je niet met je hoofd, maar met je romp. Je hoofd blijft, je lichaam is al onderweg. Net als in het leven. Je weet het besluit allang, je hoofd loopt achter.

Donderdag voor het eerst muziek. Strauss op zijn telefoon, lag er speciaal voor. An der schönen blauen Donau. Arend sloot zijn ogen, beide armen gingen omhoog. Linker lager, rechter hoger, alsof hij nog altijd een echte partner vasthield. En hij leidde gewoon met zijn geheugen, daar in die kamer.

Zijn gezicht veranderde. Jonger. Niet meer al die zware jaren. Hij was weg uit de kamer, weer de jonge man in smoking, met zijn hand steunend onder zijn danspartner.

Toen de muziek klaar was, deed hij zijn ogen open, handen omlaag.

Je keek, stelde hij vast.

Ja, zei ik, echt mooi.

Ik dans niet meer, ik herinner me alleen. Dat is niet hetzelfde. Dansen doe je samen. Herinneren doe je alleen.

Stilte.

Zaterdag dansen we echt. Niet hier, in de hal beneden. Daar ligt parket.

De hal in De Dennenhorst grote ramen, stoelen aan de wanden, oud parket. Soms zijn er muziekavonden.

Maar daar zijn mensen, zei ik.

Laat ze maar kijken.

Ik beten op mijn lip.

Denk je dat ik klaar ben?

Nee, zei hij eerlijk, maar je benen wel. Je hoofd zal altijd in de weg zitten. Wen er maar aan.

Vrijdag deden we gewoon fysio. Strekoefeningen, handen losmaken, schouders draaien. Maar ik zag het: zijn rechterhand ging stroever. Vingers wilden niet meer zo los.

Daar zei ik niks van.

Hij ook niet.

Na afloop vroeg hij: Rug recht, kin hoog. Laat eens zien.

Ik deed het. Armen langs mijn lijf.

Hij knikte.

Morgen. Vijf uur. Hal.

Ik liep weg, Josefine stond in de gang. Ze zei niks, keek me alleen aan. Ze wist genoeg.

Morgen? vroeg ze.

Morgen.

Josefine draaide zich om, voeten wijd, brede pas. Even stopte ze bij de deur, zonder om te kijken.

Parket maak ik nog even schoon. Dan glijdt het niet.

En weg was ze.

s Nachts kon ik niet slapen. Mijn flat was weer ongelooflijk leeg. Geen sporen van leven, een huis dat nooit eigen werd. Drie jaar stond alles klaar om snel te vertrekken, net water dat geen sporen achterlaat.

Arend liet sporen achter. In iedere vrouw die hij leerde dansen. In iedere leerling. In die ene foto, waar die jonge man zijn partner leidt. Zijn handen gaven iets door.

Ik draaide me om, mijn handen op het kussen. Werkershanden: kort, stevig, netjes. Handen die vasthouden, ondersteunen, masseren. Nooit uitnodigen, nooit echt leiden zoals je iemand moet durven laten vallen zonder te vallen.

Morgen zouden mijn benen zijn benen zijn. En zijn handen mij sturen waar ik zelf nooit zou durven komen.

Ik dacht weer aan Josefine: Hij vraagt het voor jou, niet voor zichzelf. Zodat jij het nooit vergeet. Nu pas snapte ik het. Hij wilde niet nog één keer dansen, hij wilde dat ik voor het eerst durfde.

Echt eng, vond ik dat.

***

Zaterdag. Vijf uur. Hal beneden.

Ik was er om één uur al. De dienst sleepte zich voort. Cliënten, dossiers, oefeningen alles zoals altijd, maar van binnen tikte een metronoom. Eén-twee-drie, één-twee-drie.

Even voor vijven deed ik mijn beste rok aan, donkerblauw, tot net onder de knie ooit gekocht voor een bruiloft van een collega, daarna nooit meer gedragen. Lage hakken, haren opgestoken.

De hal was verlaten. Josefine had ervoor gezorgd: iedereen in de eetzaal, ramen open, parket glanzend schoon. Buiten de dennen, de grauwe maartlucht.

Stipt om vijf uur hoorde ik wieltjes ratelen. Arend reed zichzelf naar binnen, rolstoel recht, witte overhemd, manchetknopen. Die had ik hem nooit zien dragen: altijd truien, makkelijk en zacht. Op zijn schoot de metronoom.

Hij stopte bij de muur. Keek naar het parket. Toen naar mij.

Mooie rok, zei hij. Voor een wals heb je een rok nodig. Broeken dansen niet.

Ik liep naar hem toe. Mijn benen trilden niet, mijn handen wel een beetje.

Arend zette de metronoom naast zich neer, draaide hem op. Koperen plaatje tikte heen en weer.

Tik. Tik. Tik.

Kom rechts van me staan, kijk naar het raam.

Ik ging staan.

Linkerhand op mijn rechter. Zoals bij het oefenen. Licht.

Ik legde hem neer. Zijn vingers sloten om mijn hand, nog altijd warm wel zwakker, dat voelde ik nu. En hij voelde dat ik het merkte.

Laat maar, liever niet sparen. Gewoon dansen.

Met zijn andere hand drukte hij op zijn telefoon Strauss kwam op, An der schönen blauen Donau. Snaren, pauze, en dan die eerste maat.

Eén.

Zijn hand leidde naar rechts. Ik stapte, klein stapje, zoals hij had uitgelegd.

Twee-drie.

Linkervoet erbij, weer een stap naar achter.

We gingen.

Zijn hand wees de route: naar rechts, een draaien, achteruit, naar voren, weer terug. Hij in zijn rolstoel bewoog zijn schouders, bovenlijf draaide, hoofd een knikje hij danste nog altijd. Ik was zijn benen. Zijn beste, niet werkende benen.

Parket gleed onder mijn schoenen. Ik telde niet meer, dacht niet meer. Ik volgde alleen zijn hand. Langs de ramen, langs de stoelen, heen en weer door de hal.

Drie minuten.

Drie minuten die zesenvijftig jaar oefening waard waren. Zijn oefening, niet de mijne. Ik luisterde alleen. Naar zijn hand. Zijn ritme. Zijn leven, via zijn palm door in mijn hand, in mijn benen. De muziek werd langzamer, slotakkoord. Zijn hand stopte.

Ik stond tegenover hem. Mijn rok bewoog nog na. Mijn hart bonkte maar voor het eerst zaten mijn schouders laag, zonder spanning.

Hij keek me aan met dat gezicht van de foto: jonge man in een smoking, overtuigd dat hij het kan, dat zijn handen niemand laten vallen.

Dankje, dit was een mooie wals.

Ik deed alles verkeerd, antwoordde ik met trillende stem.

Nee. Je deed het enige wat moest. Je vertrouwde me. Dat is alles.

Hij liet mijn hand los en zei iets wat ik nooit vergeet.

Nu kun jij walsen, Saskia. Dat is mijn erfenis. Elke keer als jij danst, danst er een stukje van mij met je mee.

Ik bleef staan in die lege hal. Tik, tik, tik. Metronoom telde in stilte. Strauss was stil.

Neem hem maar mee, zei Arend, knikkend naar de metronoom. Jij hebt hem harder nodig.

Nee, zei ik.

Saskia. Neem hem. Hij draaide zijn rolstoel en reed naar de deur. Stopte nog even.

Rug recht. Kin omhoog. Vergeet dat niet.

En weg was hij.

Ik was alleen. Parket, ramen, de dennen, grijs maartlicht. En een tikkende, warme metronoom.

Ik pakte hem op en hield hem stevig vast. Hout voelde warm aan nog vol van zijn handen.

De volgende dag liep ik weer zijn kamer binnen voor normale therapie. Hij droeg weer zijn trui, overhemd netjes opgevouwen in de kast. We rekten, bogen, draaiden; niemand sprak over dansen, nooit meer.

Maar iets was anders. Hij was rustiger. Niet triest, gewoon stil. Als iemand die heeft gedaan wat hij moest voordat hij mocht loslaten.

Dat weekend bleef ik slapen. Deed avondronde, liep langs zijn kamer. De deur op een kier, hij bij het raam, handen op de leuningen, vingers roerden zich niet meer.

De metronoom lag in mijn tas.

Twee weken deden we onze gewone oefeningen. Resultaten werden minder, rechtenhand zwakker, vingers klemden sneller. Ik zweeg erover, hij ook.

Woensdag zei hij:

Dank je dat je me niet spaart.

Ik heb daar niks aan, zei ik.

Precies daarom bedankt.

In april sliep Arend van Riet weg. Josefine belde me vroeg. Haar stem bleef rustig dertig jaar ervaring.

Van Riet is vannacht gegaan. In zijn slaap.

Ik hing op, zat op bed, keek uit het raam. Geen tranen, gewoon zitten. Buiten werd het langzaam Amersfoort, autos, deuren, ochtendlucht. Typisch april. De wereld draaide door, alleen ik was niet meer dezelfde.

Maandag bezocht ik zijn kamer. Bed opgemaakt, kast leeg. Zijn dochter kwam uit Canada, regelde alles en vertrok weer. Ze huilde in de gang, vertelde Josefine, maar niet in de kamer, daar was ze kalm. Ze nam de foto, een album, het overhemd mee. Rolstoel liet ze staan.

In mijn toch altijd lege flat stond nu een metronoom op de plank. Houten kastje, koperen plaatje, zon oude Wittner uit 1962 uit Duitsland. Cadeau van een dansleraar.

Ik stond op, liep naar de plank, draaide hem op.

Tik. Tik. Tik.

Rug recht. Kin omhoog.

Een-twee-drie.

Stapte met rechts. Klein. Zoals hij zei. Linker voet ernaast, dan weer een stapje terug.

Mijn woning kil, zonder fotos of magneten was nu voor het eerst niet leeg. Want daar werd gedanst door twee mensen. Ik met mijn benen, hij met zijn handen. Diezelfde lange vingers, met de cirkel in de lucht.

Een stukje van hem, danst altijd mee.

Please rate
Bagattia News
De Laatste Dans