DE WORSTENDIEF
Lang geleden, in een klein kruidenierswinkeltje in Leiden, speelde zich een opmerkelijk verhaal af. Iedereen kende de winkel van meneer Pieter de Graafen wie zijn katten kende, kende Pieter. Er was namelijk altijd die ene kat, een echte eigenheimer, die niet onopgemerkt kon blijven. Niet omdat hij binnenkwam om geaaid te worden, maar omdat hij steevast worst stal uit de winkel. Dat deed hij zo charmant, dat je niet eens boos kon worden. Integendeel.
Pieter keek altijd reikhalzend uit naar het vaste ritueel. Hij hield zijn telefoon gereed en filmde het hele tafereel, om het s avonds trots aan zijn vrouw, Hilde, te laten zien. Samen lachten ze er hartelijk om.
De kat zat altijd eerst lange tijd pontificaal bij de open winkeldeur, net doen alsof hij daar zomaar wat zat uit te rusten. Voorbijgangers bekeek hij met schuine ogen, om te verzekeren dat niemand hem in de gaten hield. Pieter hield zich ondertussen stil achter de grote koelvitrine en filmde alles.
Met ouderwetse behoedzaamheid trippelde de avontuurlijke kat vervolgens naar binnen, recht op de droge worstjes af die ergens uitnodigend op de toonbank lagen. Hij versnelde zijn pas, greep met een behendige beweging een braadworstje of een boerenmetworst en verdween net zo snel weer naar buiten.
Maar de honger maakte dat hij nooit ver kwam. Slechts meters van de winkel begon hij meteen smakelijk te eten.
Pieter kwam naar buiten, bleef op gepaste afstand staan en vroeg vriendelijk:
“Is t lekker, vriend?”
De kat keek op, miauwde instemmend.
“Goed zo,” knikte Pieter.
“Kom gerust nog eens terug.”
Misschien verbaas je je nu. Worstjes zomaar op de toonbank, niet koel, niet verpakt, in losse stukjes Wat was dat voor winkel? Ach, het antwoord is simpel: Pieter had gewoon een hart van goud.
Deze kater, die hij Koen had genoemdKoen de Diefwas mager en uitgemergeld bij de winkel aangekomen, maar wilde niet in de buurt van mensen komen, zelfs niet als Pieter hem lokte met eten. Toen bedacht Pieter een list. De eerste dagen legde hij plakken worst vlakbij de deur, zodat Koen zijn maaltijd op eigen kracht veroverdeeigenlijk had hij het netjes gestolen, netjes verdiend.
Dat werkte. Pieter legde de worstjes elke keer wat verder naar binnen, tot ze uiteindelijk bij de rest van de vleeswaren op de onderste plank van het rek kwamen te liggen. Daar stichtte hij een speciaal kattenbuffet.
Koen had de winkel inmiddels helemaal eigen gemaakt. Hij kon rustig binnenlopen, pakken wat hij wilde en verdwijnenmaar het ging hem, mark my words, om het avontuur. Gestolen worst smaakt nu eenmaal beter.
Later plaatste Pieter bij de winkeldeur een ruime drinkbak, een grote schaal met hoogwaardig kattenvoer en een plastic bak met kattenbakzand. Bovendien stond er nu, bijna pal erbuiten, een klein hondenhok met een warme plaid. Koen was inmiddels gewend aan het winkelpersoneel, maar liet zich nog altijd niet pakken. Wel hield hij van een praatje.
Pieter volgde hem in gesprek steeds na een gestolen worstje, en Koen antwoordde af en toe met een korte blik of een miauw, tussen twee happen door.
Toch bleef er één raadsel: Koen was namelijk niet meer mager en duidelijk voorzien van alles wat een kat kon wensen, maar hij bleef stelselmatig een paar worstjes per dag stelen en verdween dan weer. Pieter probeerde vaak uit te pluizen waar hij naartoe ging, maar telkens glipte Koen weg voordat hij het kon zien.
Dus besloot Pieter een kleine camera te plaatsen, die alles nauwkeurig vastlegde voor zijn computer in het kantoor. Op een dag ontdekte hij zo het geheim van Koen.
Achteraf, uit het kelderraampje van het huis om de hoek, dook een klein rossig katje ophij sprong direct op de meegebrachte worst af en at gulzig.
“En jij brengt die worstjes morgen maar mooi mee naar huis!” snikte Hilde die avond, terwijl ze een traan van haar wang veegde, en Pieter strak aankeek.
Maar dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Koen was inmiddels vertrouwd genoeg dat hij in de winkel kwam slapen, maar het rossige katje liet zich met geen mogelijkheid vangen.
Dagen gingen voorbij. Via de camera zag Pieter het kleine katje nu steeds uit Koens drinkbak drinken en af en toe slapen in het hondenhok voor de winkel, maar elke toenaderingspoging joeg het katje de straat op als een raket met zn teer gestreept staartje in de lucht.
Eens, op een stille namiddag, hoorde Pieter vreemd geluid bij de winkeldeur. Er was niemand in de zaak. Hij stapte achter de toonbank vandaanen daar, midden in de deuropening, zat het rossige katje luidkeels te miauwen.
“Wat is er aan de hand, kleintje?” vroeg Pieter verbaasd.
Het katje rende naar hem toe, keek hem recht aan en liep richting de hoek van het huis. Pieter volgde, zonder aarzeling. Daar vond hij Koen, die lag te kreunengebeten door een hond in zijn rechterachterpoot. Hij was weggekomen, maar de wond was diep.
Het katje duwde zijn kopje tegen Koens zij, en miauwde opnieuw schel.
“Ach, lieve hemel,” zuchtte Pieter.
Snel trok hij zijn jas uit, wikkelde Koen er zorgvuldig in, pakte het rossige katje zonder protest op en stopte die in zijn jaszak. Met een ruk sloot hij de winkeldeuren, en haastte zich met beiden in de auto naar de dierenarts.
Vijf uren zaten ze daar. Koens poot werd gehecht en schoongepoetst. In die tijd werd Pieter dikke vrienden met het katje, dat hij Vlam noemdezo oranje als een vuurtje, en speels als een jong veulen.
s Avonds bracht Pieter, na sluitingstijd, Koen en Vlam mee naar huis. Hilde was dolblij. En wat doet een vrouw dan, als ze echt gelukkig is? Precies. Ze belt al haar vriendinnen, één voor één, om het verhaal te vertellen, uit te leggen en advies in te winnen. Het duurde uren.
Tegen de tijd dat ze klaar was met bellen, lagen Pieter, Koen en Vlam languit op het bed te slapen.
“Dat is fraai,” sputterde Hilde. “Waar moet ik nou nog liggen?”
Vlam schoof liefdevol een stukje op, duwde zich tegen haar aan en kneep speels in haar arm met zijn kleine pootjes.
En zo vonden Koen en Vlam hun thuis.
Nu zijn het twee grote, tevreden huiskatten, die in de verste verte niet meer lijken op de zwervende asbakselkaters van vroeger. Soms wast Koen Vlam nog even, uit gewoonte, en Vlam vindt het allemaal best.
Tegenover de straat, naast de schoenmaker, heeft inmiddels een klein grijs poesje zich gesetteld. De verkoopster van de schoenenwinkel sprint geregeld naar Pieter om iets lekkers voor haar te kopen.
Misschien neemt zij haar ooit mee naar huis. Misschien, op een dag, krijgen ze allemaal een thuis.
Zou het zo ver kunnen komen, dat katten collectors items worden, uitgedeeld per wachtlijst en enkel na het volgen van een speciale cursus?
Wat denken jullie?
Dat zou wat zijn.
Pieter de Graaf
Oud-Leiden, naar herinnering
Afbeelding: gevonden op internetOf misschien is het juist goed dat sommige katten hun eigen avonturen mogen kiezende een landt bij een liefdevolle kruidenier, de ander bij een schoenmaakster, en weer een ander vindt zijn geluk misschien pas later.
Wat vaststaat: sinds die dag ligt er altijd een plankje extra worst achter de toonbank, naast een zakje met lekkers “voor bijzondere gasten”. En in de stille uren, als de stad overgaat in de nacht, zitten Pieter en Hilde samen op het bankje voor de winkel, hun katten spinnend aan hun voeten.
Ze kijken naar het grijze poesje tegenover hen, naar de maan boven Leiden, en Hilde fluistert: “Weet je, misschien kiezen katten hun mensen wel uit. Niet andersom.”
Pieter knikt tevreden, terwijl Koen en Vlam hun kopje tegen hun benen drukken. En ergens in het donker klinkt het zachte geluid van pootjes over stoeptegels, op weg naar een avontuurof misschien wel naar huis.
Want wie weet, wie weet wat de volgende dag brengt. Maar zolang er worst, warmte en een open deur is, komt alles goed. Met katten. Met mensen. Met iedereen aan tafel.
En zo staat de winkel van Pieter de Graaf, tot de dag van vandaag, bekend als de plek waar elk katje welkom is, waar een gestolen worst altijd gedeeld wordt, en waar verhalen nooit echt eindigenze spinnen gewoon zachtjes verder.







